Met de natuur gaat het niet goed. Maar zo slecht als het WNF meldt?
Zo sonoor klinkt de onheilstrompet maar zelden. Wereldwijd zijn de dierenpopulaties de afgelopen vijftig jaar liefst 73 procent geslonken, aldus het Wereldnatuurfonds (WNF) in zijn tweejaarlijkse Living Planet Index. In Latijns-Amerika en de Cariben krompen de populaties zelfs met 95 procent, aldus het WNF.
Mistroostig blader ik door de index, een honderd pagina’s tellend rapport vol grafieken met dalende lijntjes en hier en daar een paginagrote foto van een duister voor zich uit turende panter. Wat zou het eigenlijk betekenen, dat de dierenpopulaties op aarde met 73 procent zijn gekrompen?
Nou, niet dat er 73 procent minder dieren zijn. De Living Planet Index komt tot stand door ruim vijfduizend soorten te peilen. Dat kan vertekenen: wie in zijn tuin de mussen turft maar niet de muizen, kan ook de indruk krijgen dat het leven er haast is uitgestorven.
Achter de schermen, in de vakbladen, ligt de index dan ook onder vuur. Zo ontdekten ecologen enkele jaren geleden dat de lijntjes van het WNF omlaag worden getrokken door maar een handvol soorten. Denk de 3 procent soorten waarmee het het slechtst gaat weg, en de lijntjes blijken ineens niet meer te dalen, maar zelfs iets te stijgen.
Het WNF beloofde het recht te trekken, maar de zwaarste klap kwam onlangs. Als de index zo gevoelig is, rammelt er misschien iets aan de wiskunde erachter, beseften drie ecologen van de Karelsuniversiteit Praag. Dus besloten ze zich een weg te banen door het mistige regenwoud van aannamen en weegfactoren dat ten grondslag ligt aan de Living Planet Index.
Hun conclusie, een paar maanden geleden in vakblad Nature Communications, is vernietigend. Onder de motorkap vonden de onderzoekers meerdere wiskundige radertjes die de lijntjes van de index subtiel naar beneden duwen. Zelfs als biologen elk jaar precies dezelfde aantallen dieren zouden intikken, gaat de index naar beneden, aldus het trio. De Living Planet Index is, al dan niet opzettelijk, voorbestemd om ieder jaar opnieuw te laten zien: het gaat steeds slechter met de natuur. Een boodschap die er ook dit jaar weer prima inging bij het wereldwijde journaille. ‘Schrikbarend minder wilde dieren’, kopte ook de Volkskrant nietsvermoedend.
Of de duister kijkende jaguar er wat aan heeft, waag ik te betwijfelen. De kap van regenwouden, wegenaanleg, verstedelijking, overbevissing, overbemesting en nog zowat ‘overs’ gaan gewoon door. Dat diersoorten uiteenlopend van de orang-oetan op Sumatra tot de blauwkopara in de Amazone daaronder lijden, kun je zonder rekenmodel ook wel bedenken.
Toch is er iets van hoop. Studies die uitgaan van soortgelijke data als het WNF komen erop uit dat ‘toenemende en afnemende populaties gemiddeld in evenwicht zijn’, zoals de Tsjechen schrijven. Tegenover elke mus staat een soort waarmee het goed gaat, simpel gezegd.
En zelfs de WNF-lijntjes zijn niet alleen maar kommer en kwel. Sinds ongeveer 2010 gaat het grote verval beduidend trager, is in de grafieken te zien. In Europa en Azië worden de populaties zelfs voorzichtig gróter. En dat in een grafiek die zelfs omlaaggaat als er niets gebeurt: het lijkt me goed nieuws.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant