Home

Zoals Erwin Olaf is er geen tweede, maakt het boek over zijn leven en kunst eens te meer duidelijk

Als iets blijkt uit het vuistdikke boek over het leven en de kunst van Erwin Olaf, dan is het wel dat de fotograaf een leegte achterlaat. En niet alleen als kunstenaar.

is kunstredacteur van de Volkskrant en schrijft over fotografie.

Als iemand het verdient dat aan zijn leven en kunst een grondig boek wordt gewijd, dan is het wel Erwin Olaf. Geen heilige, met zijn grote mond, zijn woedeaanvallen, de slordigheid waarmee hij anderen soms bejegende. Maar wát een fotografische nalatenschap. Wat een boeiend, maar ook zwaar leven. Wat een doelgericht, compromisloos idealisme, in zijn strijd voor de vrijheid van lhbti’ers om te leven hoe ze willen.

De opvolger van de luidruchtige, getalenteerde voorvechter die vorig jaar, 64 jaar oud, overleed na een longtransplantatie, heeft zich nog niet gemeld. ‘Een gemis, wie neemt dat van hem over?’, zegt Mischa Cohen (66), de schrijver en samensteller van dat 654 pagina’s dikke, meeslepende Erwin Olaf Springveld – Hard werken, hard feesten.

Als iets daaruit blijkt, dan dit: Olaf laat een leegte achter. Als kunstenaar. Als organisator van legendarische feesten in het Amsterdamse Paradiso, waar ieder buitenbeentje zichzelf mocht zijn en zich te buiten mocht gaan aan exuberante bezigheden en dito kledij. Als inspirerend en luidruchtig boegbeeld van zijn studio in Amsterdam, waar zijn medewerkers nog steeds onverdroten werken aan de ontginning en exploitatie van die goudmijn, zijn nalatenschap.

Zijn zakelijk partner Shirley den Hartog werkt er aan nieuwe tentoonstellingen wereldwijd. De door Den Hartog opgerichte Foundation Erwin Olaf, die steun biedt aan de mensen die voor Erwin tijdens zijn leven zowel voor als achter de camera onmisbaar waren, heeft er onderdak gevonden. De Foundation steunt projecten die tolerantie en emancipatie op een positieve manier bevorderen. Ze organiseert tevens workshops voor mbo’ers om Erwins vakmanschap en visie over te brengen.

Tijd voor een boek

Zo’n zes jaar geleden besloten journalist Cohen en uitgever Robbert Ammerlaan dat het tijd was een boek te maken over Olaf (in 1959 in Hilversum geboren als Erwin Springveld). De fotograaf bevond zich toen in artistiek oogpunt op de Olympus. Cohen: ‘Een boek over leven en werk, geschreven in reportagevorm. Ik zou Erwin gaan volgen, als een fly on the wall aanwezig zijn bij fotoshoots, in zijn archief duiken en spreken met mensen in zijn omgeving.’

Ook belangrijk: Olaf zou zelf een serie bijdragen: Muzen. Onopgesmukte portretten van zijn modellen uit de jaren tachtig. Destijds werden ze in de studio gefotografeerd met alle (seksueel geladen en absurdistische) uitbundigheid die Olafs werk toen kenmerkte, nu zien we ingetogen (naakt)foto’s van mensen die ‘net als Erwin zelf wild hebben geleefd’, aldus Cohen. Zeventien van die doorleefde portretten, steeds geplaatst naast de vroegere geënsceneerde, zien nu het levenslicht. Een verschil met vroeger: toen kon Olaf zijn modellen, uit zijn vriendenkring, nauwelijks betalen, nu kregen ze een keurig honorarium.

Cohen kende Olaf al lang: dertig jaar was hij redacteur (en ook eindredacteur van de legendarische kleurenbijlage) bij Vrij Nederland, het weekblad dat Olaf altijd heeft gesteund en bij nieuw werk het ongeschreven eerste recht op publicatie had. Cohen was onder de indruk van Olafs werk sinds zijn eerste voor een VN-special geschoten serie (in 1989), gewijd aan sadomasochisme.

Verlangen naar vrijheid

Hij bleef Olafs ontwikkeling volgen, raakte toenemend gefascineerd door Olafs ‘krankzinnige en vernieuwende’ fotografie. ‘Net als uit zijn werk sprak ook uit zijn activisme een verlangen naar vrijheid: in die zin was hij, net als ik, een kind van de jarenzestiggeneratie: we dachten toen dat ieders veroverde vrijheid alleen maar groter kon worden, dus ook voor hen die toen nog homo’s en lesbo’s heetten. Terwijl we nu zien dat veel van die verworvenheden teloor dreigen te gaan – kijk maar naar onderzoek onder Amsterdamse jongeren over hun afnemende acceptatie van homoseksualiteit.’

Cohens schepping beschrijft, aan de hand van brieven, getuigenissen van vrienden en partners, uitgebreid Olafs leven vanaf zijn vroegste jaren. Hij was zoon uit een middenstandsgezin. Buitenstaander op school. Werd misbruikt door een docent op de middelbare school – ‘een onderwerp waarmee hij uiteraard niet te koop liep’, aldus Cohen. Beleefde begin jaren tachtig moeizame jaren op de School voor de Journalistiek: een chaotische opleiding waar Olaf wél de liefde voor de fotografie ontdekte dankzij een bevlogen docent.

Uitgebreid gaat het over Olafs coming-out. Zijn omzwervingen als beginnend fotograaf (hopeloos mislukte foto van David Bowie), zijn eerste opdrachtwerk voor het COC-ledenblad Sek. Zijn liefdesrelaties. Zijn plek aan de rand van de dansvloer (‘Ik was een beschouwer, ik deinde mee, maar danste niet’, aldus Olaf) in de extravagante club Roxy in Amsterdam, ‘zijn tweede thuis’, aldus Cohen. En uiteraard over de publicatie in Vrij Nederland, waarmee hij doorbrak in brede progressieve kring. Rond die tijd drong ook het besef door dat zijn talenten niet in documentaire maar in de studiofotografie tot hun recht kwamen. Daar had hij de volledige regie in zijn zelf gecreëerde universum.

Zowel verguisd als geroemd

Mede door zijn vrijgevochtenheid was hij in staat zijn zowel verguisde als geroemde zwart-witserie Chessmen te maken. Een reeks foto’s van soms naakte, forse, zwangere, met dwerggroei behepte personages, gekneveld en gemaskerd, refererend aan zowel figuren uit het schaakspel als de wereld van sm en bondage. Met die tableaus, die soms doen denken aan schilderijen van Jeroen Bosch, won hij een belangrijke Europese prijs.

In zijn beschrijvingen brengt Cohen zowel het gecompliceerde karakter als de artistieke lenigheid van de protagonist levendig voor het voetlicht. ‘Hij was een bewonderaar van Picasso, omdat die altijd nieuwe wegen in zijn werk durfde in te slaan. Zo was Erwin ook. Na Chessmen kwam, behalve de serie Blacks en veel commercieel werk, bijvoorbeeld Royal Blood, zijn eerste digitale serie, met extreme beeldbewerking in Photoshop. Hij maakte altijd nieuwe plannen, werd voortgedreven door zijn energie en verbeeldingskracht en keek nooit terug.’

Zijn studio groeide uit tot een heus bedrijf. Cohen: ‘Het kostte vaak tonnen om die series te maken en soms tientallen medewerkers aan het werk te hebben. Heel knap hoe hij dat overeind hield, hoewel hem dat zonder zijn zakelijk partner Shirley den Hartog nooit was gelukt. Geld interesseerde hem niet, maar hij vond het wel belangrijk dat de studio niet failliet zou gaan, zoals zijn vader met zijn winkel was overkomen.’

‘Eurotrash’

De serie Royal Blood (2000) markeert Olafs succes. De foto’s, geïnspireerd op gewelddadig of door een ongeluk omgekomen royals (onder hen de pruilende prinses Diana met Mercedes-logo in de bloedende bovenarm en de met een gescherpte vijl doodgestoken keizerin Sisi) werden voor topprijzen verkocht op fotobeurs Paris Photo. Maar niet lang daarna kwam een vooraanstaande Amerikaanse curator met een vernietigend oordeel: ‘Dit noemen we Eurotrash.’

Extreem gevoelig was Olaf voor zulke kritiek, ‘hij kon heel lang geraakt blijven’, zegt Cohen. ‘Tegelijk liet hij die wel op zich inwerken, het versterkte hem om door te gaan in nieuwe richtingen, zonder die overigens te modelleren naar de kritiek.’ Menigeen kijkt in het boek met lichte verbijstering terug op Olafs woedeuitbarstingen. ‘Ze waren vaak een reactie op simpele technische tegenslag in de concentratie van het moment. Veel mensen hadden daar moeite mee, al kon hij het altijd wel weer goedmaken. Meestal hing er een positieve, gedreven sfeer in de studio.’

Kentering rond de eeuwwisseling

Wie Olafs leven grofmazig indeelt in perioden, ziet een kentering rond de eeuwwisseling. De jaren tachtig en negentig waren, hoewel aids diepe sporen trok in de gayscene, die van uitbundigheid, van vrijgevochten feesten en een bijbehorende seksueel expliciete fotografiestijl. Met de Amerikaan Robert Mapplethorpe en Olafs levenslange vriend choreograaf (en toenmalig studiofotograaf) Hans van Manen als invloedrijke voorbeelden. Daarop volgde melancholiek, ingetogen werk, zoals de video’s en foto’s Rain (2004), Hope (2005) en Grief (2007), waarin (professionele) modellen met minieme gebaren en houdingen in somber getoonzette decors verdriet, verlangen, verlies uitdrukken.

‘Erwin heeft me uitgelegd dat ingrijpende maatschappelijke en persoonlijke gebeurtenissen indirect hun weerslag hadden op zijn werk. Zijn lange liefdesrelatie liep af. Zijn vader was overleden. De Roxy was in 1999 afgebrand. De Twin Towers werden op 9/11 verwoest. Fortuyn werd vermoord, net als Theo van Gogh – een goede bekende en geestverwant.’ Al eerder, in 1996, was bij Olaf erfelijke, progressieve longemfyseem gediagnosticeerd. De prognose was slecht, uiteindelijk overtrof de duur van zijn leven de sombere verwachtingen verre.

In de schaduw van de ziekte die hem in toenemende mate de adem benam – die constante herinnering aan zijn sterfelijkheid – bereikte Olaf nieuwe hoogten. De Johannes Vermeerprijs (2011), de staatsonderscheiding van 100 duizend euro, stelde hem in staat een grote serie in Berlijn te produceren. Het verzoek van (toen nog) prinses Máxima (een jaar na weinig vleiende opmerkingen van flapuit Olaf in Zomergasten over het uiterlijk van de kroonprins) om haar met de kinderen te portretteren, later gevolgd door glamoureuze foto’s in het Koninklijk Paleis in Amsterdam. Olaf bereikte overeenstemming met het Rijksmuseum over de schenking van zijn kerncollectie (waaronder 412 foto’s en 7 video’s): zoete wraak op het prestigieuze Stedelijk Museum in Amsterdam, dat hem tot zijn grote frustratie nooit een tentoonstelling gunde.

Palm Springs

Op het grote retrospectief in het Haagse Kunstmuseum (bezocht door het recordaantal van bijna 330 duizend bezoekers) toonde Olaf de serie Palm Springs (2018), een nadrukkelijke vooruitwijzing naar het einde. De sfeer ademt luxe op een dag na een wild, champagne overgoten feest. Maar het gras rond het zwembad is vergeeld, de fiere Amerikaanse vlag is verstrikt geraakt in de struiken, de peinzende Olaf zelf heeft de vlinderdas om zijn hals losgetrokken: the party’s over.

Palm Springs was een breekpunt’, zegt Cohen. ‘Door de grote hoogte waarop de shoot werd gedaan, was er te weinig zuurstof, waardoor Erwin vaak ademnood had en paniekaanvallen. Maar daarvóór ging het ook al slecht, hoewel hij dat zo weinig mogelijk liet merken. Ik was eens met hem in Brugge, daar strompelde hij over straat, telkens op zoek naar houvast om bij te komen.’

Na Den Haag en een tentoonstelling in het Rijks op zijn 60ste volgde nog de grote, succesvolle expositie in de Kunsthalle in München, waar Olaf zijn grote productie Im Wald presenteerde, een in Teutoonse zwaarmoedigheid gedrenkte reeks beelden die vooruitwijzen naar het einde, met nevels, duistere wouden en andere doodssymboliek.

De cirkel rond

In Olafs studio in Amsterdam volgde, aan het eind van de pandemie, nog één project, met zijn leermeester van het eerste uur Hans van Manen: samen regisseerden ze voor de camera diens choreografie voor dansers van Het Nationale Ballet. Met die samenwerking van de twee, ooit begonnen in het souterrain met fotostudio van Van Manens woning, was de cirkel rond.

Eind zomer 2023, na tergend lang wachten in eenzame isolatie om infecties te voorkomen, kreeg Olaf zijn langverwachte longtransplantatie: hij regisseerde zelf, speciaal voor het boek, de foto waarop zijn behandelend arts zijn afgedankte longen in haar handen omhooghoudt. ‘Het eerste wat hij zei tegen Shirley toen hij ontwaakte uit de narcose was: ‘We gaan nog tien jaar knallen’’, zegt Cohen. ‘Een paar weken later zat Erwin op zijn ziekenhuisbed aan het ontbijt, zakte in elkaar en stierf, in het bijzijn van een verpleegkundige. Zijn hart had het begeven.’

Ontzettend jammer, zegt Cohen, dat Olaf niet kan meemaken dat het boek over hem wordt gepresenteerd in het Stedelijk Museum. Bij die presentatie zal directeur Rein Wolfs bekendmaken dat het museum in de herfst van 2025 een groot overzicht aan Olafs werk zal wijden. Postume erkenning voor de fotograaf die het museum dertig jaar lang buiten de deur hield.

Op 22 oktober verschijnt van Mischa Cohen: Erwin Olaf Springveld - Hard werken, hard feesten; De Arbeiderspers; 654 pagina’s, € 49,99

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next