Thomas van der Meer combineert sinds zijn verhuizing naar Amersfoort het schrijverschap met werk als zorgverlener. Over die baan in de ouderenzorg verschijnt deze week zijn tweede boek.
Voor Thomas van der Meer er solliciteerde op een baan, was hij nog nooit in Amersfoort geweest. Hij had op de kaart van Nederland gekeken en gewoon een plek geprikt in het midden van het land, tussen Friesland, waar zijn ouders wonen, en Amsterdam, waar hij naast zijn werk een opleiding volgde aan de Schrijversvakschool.
‘Toen ik was aangenomen, en dus maar eens moest kijken wat voor stad het was, vond ik het meteen leuk. Het is groen, je zit langs de Utrechtse Heuvelrug, en er is veel losloopgebied voor de hond.’
Hij kocht een flat, een voormalige sociale huurwoning in Amersfoort-Zuid. Mickey, een 3-jarige voormalige zwerfhond uit Roemenië, scharrelt er rond. Hier schrijft Van der Meer, als hij niet als verpleegkundige in de ouderenzorg werkt, columns en boeken. Zijn romandebuut Welkom bij de club, waarvoor hij zijn eigen ervaringen gebruikte om een eerlijk beeld te geven van hoe het is om transgender te zijn, verscheen in 2019 en kwam meteen op de longlist van de Libris Literatuurprijs terecht. Sylvia Witteman schreef in de Volkskrant dat het boek haar deed denken aan The Office, aan Grunbergs Blauwe maandagen en aan Reves Werther Nieland. Chris Kijne noemde Welkom bij de club in de boekenpodcast van Radio 1 het beste boek van het jaar.
Sinds 2020 schrijft Van der Meer ook columns in de Volkskrant, op dezelfde droge, lichtvoetige toon als in zijn debuut, over zijn werk met dementerende ouderen in een verpleeghuis. Het zijn ontroerende, vaak grappige stukjes, waarin het tussen de regels door ook gaat over vooroordelen, discriminatie en sociale vraagstukken. Deze week verschijnt Zullen we dan maar heel lang leven, waarin zijn beste columns zijn verzameld, en een tweede roman is ook al aangekondigd – en uitgesteld. Als het meezit verschijnt die volgend jaar. ‘Ik schrijf heel langzaam’, zegt Van der Meer verontschuldigend. ‘Maar ja, het komt heel precies. Ik wil dat het exact zo wordt als ik het in mijn hoofd heb. Soms schrijf ik op een hele dag maar één zin.’
Van der Meer zou niet willen leven van het schrijven alleen – het werk in de zorg heeft hij nodig. ‘Er zijn meer mensen die dat vragen, ik denk omdat het vaak de ambitie is van schrijvers. Als je ervan kunt leven, heb je het gemaakt. Ik ben graag alleen, ik ben heel introvert. Als ik alleen zou schrijven, dan zit ik maar hier, achter dat scherm. Dat gaat niet goed. Ik lees nu De kwetsbaren van Sigrid Nunez, daarin stond een mooi stukje over zorgen.’
Hij pakt zijn e-book erbij. ‘Even kijken, o ja: ‘Een remedie voor veel ziekten wordt het wel genoemd. Als verlichting van stress en angstgevoelens, als troost bij rouw, verdriet en verlies. Vind iemand die je hulp nodig heeft.’ Dit gaat over de coronacrisis, toen veel mensen een dier in huis namen om voor te zorgen. Maar als ik het op mezelf betrek, denk ik dat ik voor de zorg heb gekozen om een bepaalde sociale behoefte te vervullen. Vaak zijn mensen heel blij om me te zien. Van sommige bewoners weet ik precies hoe ze klinken als ik binnenkom. De toon, de stem. Vaak voelt dat huiselijk, gezellig. Ik heb ook gekozen voor dit beroep omdat ik iets terugkrijg. Zo nobel is het niet.’
Hoe belandde je in de ouderenzorg, werk dat, zoals je schrijft, ‘in de hiërarchie van zorgberoepen’ helemaal onderaan bungelt?
‘Ik begon aan de opleiding verpleegkunde met het idee dat ik in het ziekenhuis zou gaan werken, zoals de meeste studenten. De ouderenzorg is niet populair, ik denk omdat je mensen niet beter kunt maken. Mensen denken dat het werken in een ziekenhuis complexer is, uitdagender, dan het werken met demente ouderen. Dat is een misvatting.’
Het is moeilijker dan mensen denken?
‘Veel moeilijker. Het is moeilijk om aansluiting te vinden bij patiënten, omdat mensen met dementie vaak niet weten waar ze zijn, wat tot onrust leidt. Je moet woorden kiezen die aansluiten bij de belevingswereld van de patiënt. Ik heb geschreven over een verpleeghuispatiënt die altijd dacht dat hij op een conferentie was. Hij was vroeger vaak naar conferenties gegaan voor zijn werk, dus hij dacht: mijn vrouw is er niet en ik blijf hier slapen, dan moet het wel een conferentie zijn. Dan kun je tachtig keer herhalen dat hij niet op een conferentie is, maar daar schiet je niks mee op. Dus ik zeg dan dingen als: ‘Ik ga nu de andere gasten even verzamelen.’ En als hij vroeg om een kladblok en een pen, gaf ik hem die.
‘Mensen denken dat je door dementie langzaam je herinneringen verliest tot je alles bent vergeten, maar dementie betekent meestal ook dat je steeds minder goed logisch kunt nadenken. Diezelfde meneer vroeg weleens aan mij om iets voor hem te kopiëren. En dat was dan een theedoek, bijvoorbeeld.’
Is het zwaar werk, of ervaar je dat niet zo?
‘Als ik vertel over mijn werk, zeggen mensen dat ze zelf later nooit naar een verpleeghuis willen. Geef mij maar een spuitje als ik 80 ben, zeggen ze. Of: o, wat goed van jou, dat je dat werk doet. Het idee achter dat soort reacties is dat ouderen niet nuttig zijn, er niet meer bij horen, en dat het zorgen voor ouderen vooral zwaar is. Ja, het is complex werk, en het is fysiek zwaar omdat je de hele dag in beweging bent. Tijdens de coronacrisis werkte ik zo hard en veel dat ik een sixpack had.
‘Laatst hadden we pauze en toen lag er een krant waarin een artikel stond over een pizzabezorger die was aangerand door twee vrouwen. Die wilden de pizzabezorger verleiden, hadden zich sexy aangekleed en de bezorger bij aankomst in z’n kruis gegrepen. Hij bleek 17 te zijn. Hij was vreselijk aangeslagen, kon daarna weken niet werken en heeft aangifte gedaan. Nou, mijn vrouwelijke collega zei, toen we het erover hadden: als wij elke keer dat we hier tijdens het werk worden aangerand weken niet kunnen werken, werkt er nooit meer iemand. Toen dacht ik: ja, het is wel een bizarre baan.’
Word je vaak aangerand?
‘Mijn vrouwelijke collega’s hebben daar meer last van. Het is weleens gebeurd, een tik voor mijn billen, een rare grap. Meestal vraag ik me dan af of die vrouwen die dat doen blaasontsteking hebben. Als ouderen zich opeens seksueel ontremd gaan gedragen, kan dat komen door een delier, en een delier wordt vaak veroorzaakt door een blaasontsteking. In zo’n geval pak ik de urinestick erbij, en verdomd, vaak is het blaasontsteking.
‘Ik heb in de thuiszorg een keer een man moeten wassen die van top tot teen in het gips zat, ik moest ook zijn penis wassen, en toen kreeg hij een erectie. Hij schaamde zich, dus ik zei iets van: nou ja, wees blij dat-ie het nog doet. Daarna merkte ik dat hij opmerkingen ging maken. Hij zei: ‘Ik zou het niet erg vinden als iemand iets bij mij zou doen wat niet mag.’ En toen, tijdens het wassen, zei hij dat hij het lekker vond wat ik deed. Dat was vervelend. De volgende keer heb ik hem op een plastic tuinstoel onder de douche gezet, en gezegd: ‘U gaat vandaag uzelf wassen. Dat is voor uw zelfredzaamheid.’’
Welke eigenschappen heb je nodig om dit werk goed te kunnen doen?
‘Ten eerste moet je heel goed kunnen kijken. Je moet aanvoelen wat je moet doen. Geduld is belangrijk. Ik ben iemand die zich niet snel ergert. Over het algemeen, want nu zit ik in een beetje een sombere periode. Dat zeg ik niet omdat het erg is, ik vind het normaal, het hoort bij het leven. Sterker nog: ik vind dat soms ook nuttig, omdat ik tijdens sombere perioden eerder geneigd ben ergernissen uit te spreken. Ik weet nog dat ik jou vorig jaar ontmoette op een borrel op de redactie van de Volkskrant. Je kwam op me af en zei: ‘Ik wil je graag interviewen, ik zit te wachten op je nieuwe roman.’ En je keek me aan op een manier van, hoe zal ik het zeggen... Nogal fanatiek, vond ik.’
Haha, oké.
‘En ik dacht: o god, ik weet niet wat zij denkt dat ik te vertellen heb, maar ik ben heel normaal. Ik heb een heel normale baan. Ik weet niet of dat wat zij denkt dat in mij zit, er ook zit. En toen dacht ik: zou zij weleens naar iemand toe gaan en dan terugkomen met helemaal niks? Het is heel erg, maar dat zat ik te denken. Maar nu voel ik me wat somberder, en dan kan het me minder schelen. Ik denk nu: ik heb het huis opgeruimd, de ramen gelapt, ik heb Italiaanse koekjes gekocht, maar dit interview was wel jóúw idee. Jij bent verantwoordelijk.’
Eigenlijk zit je er dan dus relaxter in, doordat je in een sombere periode zit.
‘Het is niet dat ik niet van plan ben m’n best te doen, hoor. Het is niet dat ik totaal onverschillig ben en vind dat iedereen het maar moet uitzoeken. Ik zie alleen helderder dat ik niet overal verantwoordelijk voor ben. In sombere perioden kom ik beter voor mezelf op. Aan de andere kant is het niet fijn om somber te zijn. Ik zou wel willen leren hoe ik er makkelijker uit kan komen.’
Was er een aanleiding voor deze sombere periode, komt het ergens door?
‘Dat heeft meestal wel een aanloop. Tijdens de laatste stage van mijn opleiding zat ik in een kantoortje dat grensde aan het kantoor van de manager. Het muurtje was dun en je kon alles horen wat die manager zei aan de telefoon. Dat was héél deprimerend. Elke dag ging ik naar huis met de gedachte: wat verschrikkelijk, wat zijn mensen toch verschrikkelijk. Het team functioneerde niet goed, vooral door personeelstekorten en de inzet van zzp’ers die de bewoners niet kennen, waardoor de kwaliteit van de zorg keldert. De manager wilde die situatie verbeteren door de problemen af te wentelen op de vaste medewerkers. Ze zei, aan de telefoon, dingen als: ik moet het team afbreken, daarna bouw ik het weer op. Dat wilde ze doen, bijvoorbeeld, door medewerkers tegen elkaar uit te spelen. Heel naar. Ik ging gedeprimeerd de zomer in. Ik begon me af te vragen: hoe houd ik mezelf hierin staande? Kan ik dit wel?’
Toch besloot je dat je in de ouderenzorg verder wilde. Twijfel je niet meer?
‘Die sombere grondtoon is er nog. En op het werk zitten we nog steeds in een situatie met verzuim, met personeelstekorten. Vanuit de overheid wordt gezegd: we moeten meer gebruikmaken van technologie. Zo hadden wij op de afdeling een apparaat dat hielp met de medicijnen. Om 5 uur gaat er een lampje branden en dan komen de medicijnen eruit in precies de juiste dosis. Makkelijk, in theorie, maar wij hebben 24 bewoners, van wie er maar twee in staat waren om dat apparaat te gebruiken. Het kwam erop neer dat de rest ging bellen: het apparaat maakt geluid! Kortom, het had geen zin.
‘Soms zie ik aan het begin van mijn dienst de lijst met wat ik allemaal moet doen, en denk ik: dit lukt nooit. Ik heb van 7 uur tot half 11 om iedereen te wassen en aan te kleden, de medicatie te doen, de zorg, alles eromheen. Ik heb dan 30 minuten per persoon, maar sommige mensen hebben veel langer nodig. En dan gaan andere bewoners bellen: kan ik al uit bed? In de pauze zei ik tegen mijn collega’s dat ik me steeds vaker opgejaagd en gestrest voelde, en ik vroeg of ze vonden dat ik daar een keer mee naar de huisarts moest. Nou, zeiden zij, dan moeten wij óók allemaal naar de huisarts. Ik had ze niet verteld over die somberheid, trouwens.’
Je vindt het werk fantastisch, maar er is te weinig tijd om het goed te kunnen doen.
‘Mijn collega’s vinden dat ik het te goed wil doen. Ik wil dat iemand op z’n gemak is, en dat kan niet, zeggen zij. Soms is iemand verdrietig, en dan moet je toch, rats, aankleden, wassen, medicijnen. Als er geen tijd is om iemand gerust te stellen, weet ik niet of ik het werk nog wel leuk vind.’
In 2022 schreef je een column over een van de oplossingen die toenmalig minister Helder had bedacht voor het tekort aan zorgpersoneel: wassen met washandjes in plaats van douchen. Je schreef dat het al lang gebeurt: ‘Verpleeghuisbewoners gaan één keer per week onder de douche. Wil je vandaag niet? Dan moet je een week wachten, want morgen is er geen tijd. Morgen is iemand anders zijn douchedag.’
‘De minister vond ook dat de norm van twee zorgverleners op acht bewoners kon worden losgelaten. Maar ik heb in verschillende verpleeghuizen gewerkt en nog nooit meegemaakt dat we met z’n tweeën op acht bewoners stonden. Eerder één op zes, soms één op tien. Dat is eng, dat mensen die erover gaan, zo ver af staan van de dagelijkse realiteit. Zorgorganisaties zeggen vaak tegen nieuwe bewoners: je hebt bij ons zélf de regie. Maar daar is geen sprake van. Niks regie, u kunt pas uit bed als ík tijd heb, en ik heb nog vier wachtenden voor u.’
Vinden de ouderen met wie jij werkt hun eigen leven de moeite waard?
‘Ja. Je verandert niet zomaar in iemand die dood wil. Er zijn mensen met dementie bij wie de laatste fase, waarin ze alleen maar op bed liggen, lang duurt. Maar er zijn ook mensen in verpleeghuizen die een grote vriendenkring hebben, die veel bezoek krijgen, die verkering hebben. Ook als je in de negentig bent gaat het leven door. Het ergste is eigenlijk dat ouderen zelf óók voelen welke ideeën er in de maatschappij over ouderen heersen, dat je niet bijdraagt aan de maatschappij. Laatst heb ik een column geschreven over een bewoner die op een uitje was geweest naar de Albert Heijn. Vond ze fantastisch. Al dat eten waarvan ze was vergeten dat het bestond! Deze mensen leven in een andere wereld en komen nauwelijks meer in aanraking met die van ons. Dat geldt voor psychiatrische patiënten ook, maar bij ouderen vind ik het vreemder, omdat we allemaal oud worden. Vaak merk ik dat ouderen zich bezwaard voelen omdat ze verzorgd moeten worden. Dat vind ik erg, want ik heb uit overtuiging gekozen voor dit werk.’
De meeste mensen kunnen zich misschien niet voorstellen dat ze ooit oud en dement zullen zijn?
‘Die mensen in het verpleeghuis kunnen het zich óók niet voorstellen, die voelen zich ook niet zo oud als ze zijn. Ik vond het zo erg hoe het tijdens de coronacrisis ging. Toen iedereen moe werd van die lockdowns, hoorde je steeds meer mensen zeggen: die mensen zijn zo oud, als ze niet nu doodgaan aan corona, gaan ze volgend jaar aan iets anders dood.’
Geagiteerd: ‘En toen schreef iemand in De Telegraaf een column waarin ouderen werden vergeleken met ‘dor hout’ dat moest worden gekapt. Eerst dacht ik: dat vinden alleen simpele mensen, die het niet snappen, maar toen begon ook Marli Huijer, een hoogleraar filosofie. Zij zei dat ze niet wist wat het doel was van de coronamaatregelen, maar ze ging wel alle media langs om te vertellen dat ze het beschermen van ouderen en ernstig zieken in elk geval geen goed doel vond. Ze stelde dat we te lang willen leven en te weinig besef hebben van een collectief belang, alsof de coronamaatregelen alleen egoïstische ouderen beschermden die nóg ouder wilden worden. Vanaf dat moment heb ik Marli Huijer als mijn aartsvijand beschouwd. Mensen zeiden: je moet haar boek lezen, voor je haar je aartsvijand noemt. Heb ik gedaan. Heeft niet geholpen.’
Wat stoorde je het meest aan wat ze zei?
‘Dat ze deed alsof ze kritische vragen stelde en een dapper tegengeluid liet horen, terwijl haar ideeën precies passen bij hoe er altijd al naar ouderen werd gekeken. Bovendien is het gewoon niet waar dat ouderen willen dat we alle medische mogelijkheden uit de kast trekken zodat ze nog ouder kunnen worden. Als ik in het verpleeghuis een willekeurig dossier open, van wie dan ook, staat er eigenlijk altijd ‘nee’ als antwoord op de vragen of iemand gereanimeerd wil worden of opgenomen wil worden in een ziekenhuis. Soms laten we iemand toch opnemen, bijvoorbeeld bij hevige pijn die met een ingreep in het ziekenhuis kan worden verholpen, maar het gebeurt niet vaak. Tijdens de coronacrisis ging er in ons hele verpleeghuis niet één bewoner naar het ziekenhuis. Op de ic lagen geen 80-plussers, daar lagen mensen onder de 70.’
Je schrijft dat je vroeger niet begreep hoe mensen in een bejaardenhuis eenzaam konden zijn. ‘Nu weet ik dat oude mensen vaak niet met elkaar kunnen opschieten. Oude mensen kunnen net zo gemeen zijn tegen elkaar als kinderen.’
‘Er is bijvoorbeeld een nieuwe meneer en die krijgt een plek aan de eettafel. Dan zeggen andere bewoners: ‘Wat doet hij hier, kan hij niet ergens anders gaan zitten?’ Dat is best erg. Ze zijn vaak bezig met wie er het grootste stukje taart krijgt, met of ze allemaal evenveel aandacht krijgen, wie krijgt het eerst koffie, dat soort dingen. Eigenlijk zoals kleine kinderen. Het is opvallend hoe weinig bewoners van elkaar kunnen hebben.’
Je eerste roman schreef je toen je studeerde aan de Schrijversvakschool. Schreef je daarvoor ook?
‘Niet echt. Niet serieus. Ik heb een transgenderachtergrond, en voor mijn transitie leefde ik erg geïsoleerd, omdat ik sociaal contact moeilijk vond. Dat werd gedurende mijn leven steeds erger, tot het moment dat ik op mijn 27ste in transitie ging en alles een stuk makkelijker werd. Ik wilde vrienden maken. Maar ik wilde ook realistisch zijn, ik dacht: misschien gaat het niet zomaar lukken. Of misschien moet ik erg wennen. Ik ben een schrijfcursus gaan doen omdat ik iets wilde leren, maar ook om mensen te ontmoeten. Die cursus ging zo goed dat ik een hele opleiding ben begonnen. Mijn docent eindredactie, Nienke van Leverink, heeft me geïntroduceerd bij Uitgeverij Pluim. Via Nienke ben ik ook bij de Volkskrant terechtgekomen. Eigenlijk heb ik mijn hele literaire carrière te danken aan Nienke.’
Hoe zag je leven eruit tijdens dat isolement? Hoe besteedde je je dagen?
‘Ik voelde me zo ongemakkelijk met mezelf, dat is moeilijk te omschrijven. Je wordt als mens meerdere keren per dag geconfronteerd met je lichaam: als je naar de wc gaat, als je onder de douche staat. En elke keer had ik een soort paniekreactie, omdat ik wist dat het niet klopte. Dat was van kinds af aan al zo, maar ik kon het aan niemand uitleggen, omdat ik niet wist wát er niet klopte. Het was alsof er een truc met me werd uitgehaald. Dat bleef maar aan de gang, en daardoor liep ik vast op allerlei gebieden in mijn leven. Wilde ik later een gezin? Ik kon geen moeder worden, want ik was geen vrouw, maar ik kon ook geen vader zijn, want ik zag er niet uit als een man. Zo waren er allerlei dingen die ik niet voor me kon zien, wat leidde tot totale onverschilligheid over de toekomst, een soort apathie. En dus ben ik maar gewoon beland in baantjes. Ik ging veiligheidskunde studeren en werkte een tijdje in de schuldhulpverlening. Het interesseerde me heel weinig, ik had nul ambitie.’
Het nadenken over de toekomst begon pas na je transitie, toen je eind twintig was.
‘Ja, daardoor voelt het ook vaak alsof ik een achterstand heb. Ik ging me pas toen voor het eerst afvragen wat ik met de rest van mijn leven zou gaan doen. Ik ben nu 38, en ik ben nog steeds aan het studeren, mijn carrière begint pas, ik woon nu net een paar jaar in een nieuwe stad. Het lijkt me leuk om tussen de 40 en de 50 te zijn, als ik mijn leven een beetje op de rit heb. Andere mensen bereiken die fase misschien al tussen de 30 en 40. Dus ik loop zeker tien jaar achter.’
Heb je die achterstand ook in je sociale leven, in relaties?
‘Ja. Ik denk dat bepaalde dingen nog niet goed lopen. En ik denk dat ik mijn transitie ook nog aan het verwerken ben. Ik moest in transitie, ik had geen keuze, het was voor mij anders niet meer vol te houden. Het wás ook bevrijdend, ik dacht: nu kan mijn leven eindelijk beginnen. Ik was gelukkig. En ik vond het heel belangrijk om aan de buitenwereld te laten zien dat het allemaal goed zou komen. Aan mijn ouders, die zich natuurlijk zorgen maakten, maar voor wie ook veel op z’n plek viel, omdat ze me zo lang ongelukkig hadden meegemaakt. Ik heb ze nauw bij het proces betrokken en ze deden het fantastisch. Al snel gingen ze me Thomas noemen. Daarnaast had ik het idee, als ik bijvoorbeeld op mijn werk was, en ook na het verschijnen van mijn eerste roman, dat ik me moest presenteren als een soort ambassadeur. Ik was voor veel mensen de enige transgender persoon die zij kenden, dus moest ik laten zien dat ik net zo functioneerde als andere mensen. Dat lees ik ook terug in de interviews die ik gaf net na mijn debuut. Ik vertel daarin vaak dat ik heel normaal ben, dat ik een heel normale baan heb, als verpleegkundige, en in een heel normale stad woon.’
Waarom?
‘Omdat ik de vooroordelen kende, wist hoe sommige mensen dachten.’
Je schreef in een column dat je, doordat je een gewoon leven hebt met een normale baan in een middelgrote stad in het midden van het land, en werkt met mensen die middelbaar zijn opgeleid, goed op de hoogte bent van hoe het ervoor staat met de transgenderemancipatie. Je schrijft: ‘In mijn bijzijn wordt vrijuit over transgenders gepraat en gegrapt omdat mensen aan mij niet zien dat ik een transgenderachtergrond heb.’
‘Vroeger, toen ik nog in dat isolement zat, speelde ik veel World of Warcraft. Dat was fijn omdat ik in het spel zelf kon kiezen hoe ik eruitzag. Ik was een mannetje, klaar. In die online gemeenschap had ik vrienden. Je kunt tijdens het spelen met elkaar chatten en soms ging het over transgender personen. Dan heb je gewoon een psychiatrische stoornis, zei iemand, dan hoor je opgenomen te worden. Ik heb dat soort opmerkingen vaak gehoord, ook toen ik net in transitie was geweest. Dat iemand vraagt: ‘Hoe kan het dat de zorgverzekering dat betaalt, het is toch jouw keuze?’ Het wordt gezien als een soort cosmetische ingreep. Mensen zijn echt slecht geïnformeerd. Na mijn transitie wilde ik dat mensen het door mij anders zouden zien. Dat is niet goed geweest, dat ik zo bezig was met hoe ik overkwam op de buitenwereld.’
Weifelt even. ‘Ehm, ik moet dit goed uitleggen. Maar er was ook een bepaald verlies dat ik moest verwerken. Nu klinkt het misschien alsof ik eerst een meisje was en dat ik dat ben verloren, maar dat bedoel ik helemaal niet, want ik was altijd al mezelf, ik ben nooit een meisje geweest. Dat is het helemaal niet. Maar door in transitie te gaan, veranderde er iets fundamenteels. Die transitie ging mij definiëren, voor de meeste mensen. Ik hoorde niet meer gewoon bij de meerderheid. Ik heb niet het gevoel dat het een keuze was, maar ik ben buiten de gebaande paden beland. Sommige keuzen die voor anderen vanzelfsprekend zijn, zijn dat voor mij niet. Dat je een relatie krijgt, dat je gaat denken aan kinderen – niet dat ik dat nou per se wil, maar het zal voor mij nooit meer iets min of meer vanzelfsprekends kunnen zijn. Snap je het als ik zeg dat het soms ook voelt als een verlies, op een bepaalde manier?’
Je zegt dat het niet goed was om steeds maar te benadrukken hoe normaal je eigenlijk was. Hoe had je het wel moeten doen?
‘Ik weet nog dat ik kort na mijn transitie een keer in de supermarkt kwam en daar iemand zag lopen met een baard in een kort rokje. Ik betrok zijn uiterlijk op mezelf, dacht: het komt door hoe jij je presenteert dat mensen ons raar vinden. Dat is natuurlijk helemaal de verkeerde gedachte, want dat we worden gediscrimineerd ligt niet aan ons. Dat is iets wat ik nu veel scherper zie.’
Heb je je normaler voorgedaan dan je bent?
‘Dat denk ik wel. En ik denk nog steeds dat het bij mij een ingesleten pad is. Ik heb in dit gesprek met jou ook al minstens drie keer gezegd dat ik heel normaal ben.’
Je schreef in een column hoe je, terwijl je op de wachtlijst stond voor transgenderzorg, zelf medicijnen op Marktplaats kocht.
‘Ik vond het veel te lang duren. Ik vind het nog steeds dom, want het is gevaarlijk om op eigen houtje testosteron te gaan nemen. Maar ik probeer niet te streng te zijn voor mezelf, want ik weet nog hoe erg ik in nood was. Ik ben dus zelf met mijn transitie begonnen. Toen ik bij de VU in de wachtkamer zat voor mijn eerste consult, zag ik er al uit als een jongen.’
Hielp het je uit de nood?
‘Ja. Het was leuk, die transitie. Ik vond het echt geweldig. Hoewel de tussenfase ook soms ingewikkeld was. Soms was ik blij omdat ik door tien mensen op een dag als man was aangesproken, en nummer elf zei dan weer ‘mevrouw’. Dat was dan een teleurstelling.’
Je schreef eerder dat je transitie iets is wat je voor je eigen gevoel achter je had gelaten. Je noemt jezelf niet transgender, maar iemand ‘met een transgenderachtergrond’. Je schrijft: ‘Voor een transgenderachtergrond is geen duidelijke taal. Dat komt ook doordat andere mensen niet vinden dat ik een gewone man ben.’
‘Ja, de taal is verwarrend. Mijn gender is nooit veranderd, ik ben altijd al een man geweest, daarom klopt het woord transgender eigenlijk niet. Ik was niet een meisje dat liever een jongen wilde zijn, ik had best een meisje willen zijn, maar niet een jongen die eruitziet als een meisje. Ik vind dat ik sinds mijn transitie een gewone man ben, daarom heb ik het over mijn transgenderachtergrond, maar de meeste mensen zijn van mening dat ik juist transgender ben geworden, doordat ik in transitie ben geweest. Zo kom je er dus nooit van los, jammer genoeg.’
Merk je sinds je transitie ook dat je anders wordt benaderd, bijvoorbeeld tijdens je werk?
‘Nou, er zijn bewoners die niet geholpen wilden worden door een man. En ze komen bij mij met hun niet-werkende elektrische apparaten. Ze denken sneller dat ik ergens verstand van heb, ook van medische toestanden. Ze vragen: blijf je hier werken of ga je na je opleiding iets anders doen? Ik denk dat het idee is dat dit werk voor een man niet voldoende is.’
Zijn er veel situaties waarin het ingewikkeld is om een transgenderachtergrond te hebben?
‘Niet veel, maar wel met daten bijvoorbeeld. Soms date ik met iemand uit het literaire milieu, dus die weten er al van. Dat is een voordeel, dan hoef ik niet dat hele gesprek weer te voeren, want ik merk dat ik er wel onzeker over ben. Misschien saboteer ik mezelf door mijn onzekerheden. Daar denk ik wel over na. Ik heb nu al heel lang geen relatie. En ik ben graag alleen. Maar ik weet zeker dat als ik een man zou ontmoeten die ik leuk vind, ik graag een relatie zou willen.’ Lacht. ‘Dan moet hij wel echt leuk zijn, anders moet ik er te veel voor opgeven.’
Denk je weleens: hoe zou mijn leven zijn gelopen als ik het eerder had gedaan?
‘Als ik eerder was begonnen met mijn transitie, was die achterstand kleiner geweest. Dan was ik een kortere periode zo ongelukkig geweest. Ik denk dat veel transgender mensen herkennen dat je een parallel leven hebt geleid, en dat je je afvraagt of het anders had gekund. Mijn moeder zegt weleens: hadden we het maar eerder geweten. Maar ze had het niet kunnen weten, want ik wist het zelf niet. Ik had wel het idee dat ik een jongen was, maar ik kende geen voorbeelden van mensen zoals ik, behalve mensen die ik in de talkshow van Jerry Springer had gezien. Dus ja, ik denk er natuurlijk weleens aan. Maar het heeft weinig zin.’
Achterin je eerste boek schreef je dat je van de opbrengsten een nieuwe badkamer wilde kopen. Is dat gelukt?
‘Het had misschien gekund, maar ik heb het nog niet gedaan. Het is veel gedoe hoor, een badkamer. Ik heb het nu op de planning voor volgend jaar.’
Ik hoorde dat je een blokhut wil.
Van der Meer pakt een maquette van 5 centimeter hoog, een felrealistisch plastic blokhutje onder een plastic stolp. ‘Kijk, zoiets. Dit is precies wat ik dan voor me zie. Van die dennenboompjes eromheen, weet je wel. Ik heb op internet al bedrijfjes gevonden die dit soort hutten prefab maken, een soort bouwpakketten. 80 vierkante meter, groter hoeft echt niet. Misschien een kleine groentekas erbij. Maar goed, ik moet het financieel nog uitrekenen.’
Kijkt weer naar de maquette: ‘Dus eh, zoiets. En dan met zo'n veranda. Echt leuk, hè?’
Ik zie je er zo zitten, met Mickey.
‘Ik dus ook.’
19 januari 1986 Geboren in Leeuwarden.
1999-2003 Mavo, Piter Jelles Leeuwarden.
2013 In transitie gegaan.
2014 Officiële naam- en geslachtswijziging.
2014-2019 Schrijversvakschool, Amsterdam.
2019 Debuutroman Welkom bij de club.
2020-heden Hbo-opleiding verpleegkunde, Hogeschool Utrecht.
2020-heden Zorgverlener in de verpleeghuiszorg en psychiatrie.
2020 Gastcolumnist voor de Volkskrant.
2021-heden Columnist voor de Volkskrant.
2024 Tweede boek Zullen we dan maar heel lang leven.
Thomas van der Meer woont met zijn hond Mickey (3) in Amersfoort.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant