Topstukken uit de bronstijd zijn vanaf deze week te zien in het Rijksmuseum van Oudheden. Waar haalden de prehistorische bewoners van de Lage Landen dat brons eigenlijk vandaan? Dat proberen archeologen te achterhalen met röntgen en laserlicht.
Op de zolder van het Rijksmuseum van Oudheden verdampt een stuk van een bronzen zwaard. Nou ja, een heel klein stukje. 10 microgram brons dat onder appelgroen laserlicht zo heet wordt dat het verdampt. Via een luchtslangetje komt het gasvormige brons – een mengsel van koper, tin en een vleugje lood – op een teflonfilter. De loodatomen die achterblijven op dat filter moeten het antwoord leveren op een nog openstaande vraag: waar komt het brons uit de bronstijd vandaan?
Want, kort gezegd: dat weten we niet.
In Nederland zijn iets meer dan 3.200 geregistreerde bronstijdvondsten, variërend van bijl tot mantelspeld en van kralenketting tot ceremonieel zwaard. De voorwerpen werden gevonden bij grote, officiële opgravingen, maar ook door individuele metaaldetectorzoekers, en ze lijken overal te liggen, van West-Friesland tot Noord-Limburg. Maar het metaal zelf komt ergens anders vandaan. Nederland heeft geen koper- en tinmijnen. Dat betekent dat het erts elders is gedolven en dat het metaal of de kant-en-klare voorwerpen op de een of andere manier hun weg hebben gevonden naar de klei bij Hoogkarspel en de Maasoevers bij Buggenum.
Over de auteur
Ernst Arbouw schrijft voor de Volkskrant over historische onderwerpen.
Achterhaal de herkomst, en je ziet als het ware de handelsroutes door prehistorisch Europa gaan, zegt Liesbeth Theunissen, specialist late prehistorie bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Met haar collega Luc Amkreutz, conservator prehistorie bij het Rijksmuseum Oudheden in Leiden, staat ze bovenaan de trap in het dienstgebouw van het museum. In een kamertje aan de andere kant van een dichte deur staat de laseropstelling van onderzoeker Stephen Merkel van de Vrije Universiteit. Uit veiligheidsoverwegingen (kleine ruimte, laserlicht, looddamp) mogen er niet te veel mensen tegelijk naar binnen, dus terwijl Merkel geduldig stukjes brons verdampt met zijn laser, staan projectleider Theunissen en Amkreutz net zo geduldig te wachten tot ze even binnen kunnen kijken.
Prehistorisch kopererts komt uit vier hoofdregio’s, zegt Theunissen: ertsmijnen bij León in Noord-Spanje, het gebied rond Mitterberg in Oostenrijk, het oostelijk deel van de Italiaanse Alpen en de Great Orme, een schiereiland van ongeveer 3 kilometer lengte bij Llandudno in Noord-Wales.
Van oudsher zijn er een aantal manieren om te duiden wat de mogelijke herkomst van het gebruikte brons is. In de eerste plaats zijn er culturele aanwijzingen. Als een voorwerp een vorm of versiering heeft die elders in Europa ook voorkomt, kan dat een aanwijzing zijn. Het Zwaard van Buggenum, een bijna puntgaaf ceremonieel zwaard dat werd opgedregd uit de Maas niet ver van Roermond, lijkt bijvoorbeeld sterk op archeologische vondsten in Zuid-Duitsland en Oostenrijk. ‘Je kunt eigenlijk wel aannemen dat het brons dan uit de omgeving Mitterberg komt’, zegt Amkreutz.
Die methode is niet waterdicht, waarschuwt hij. ‘We hebben ook voorwerpen die, als je naar vorm of versiering kijkt, mediterraan lijken. Maar als je naar de samenstelling van het brons kijkt, ligt de herkomst toch ten noorden van de Alpen.’
Een tweede onderzoeksmethode is de röntgenfluorescentiespectrometrie (XRF) waarbij, kort door de bocht, wordt gekeken naar de straling die atomen zelf uitzenden als je ze onder röntgenstraling plaatst. De golflengte van die uitgezonden straling vormt als het ware een ingrediëntenlijstje: elk element zendt net iets andere golflengtes uit, waardoor de exacte samenstelling van de bronslegering te meten valt. Die samenstelling, de mengverhouding tussen koper en tin en vooral sporenelementen als lood en bismut, zijn een aanwijzing voor de herkomst.
Belangrijk voordeel van XRF: het is non-destructief. Maar er is ook een belangrijk nadeel, legt Theunissen uit. ‘Je bekijkt alleen het oppervlak van een voorwerp. Maar na drieduizend jaar in de bodem kan de buitenkant behoorlijk verweerd zijn. Het metaal reageert met dingen in de grond waardoor het een net iets andere compositie krijgt.’ Bronzen objecten hebben bijvoorbeeld vaak ijzeratomen uit de bodem aan het oppervlak, wat de XRF-meting verstoort.
Een derde methode is simpelweg een klein gaatje boren en daarna het slijpsel analyseren in het lab. ‘Maar daarmee beschadig je de voorwerpen die je onderzoekt’, zegt Theunissen. Dat is niet wenselijk én zelden toegestaan. ‘Rijksmusea hebben formeel de opdracht om hun collectie zorgvuldig en zonder schade te beheren. Bij voorwerpen uit andere collecties hebben we wel booronderzoek gedaan, maar dat doen we dan op plaatsen waar al een ouder boorgat of andere schade zit.’
En zo kwamen archeologen bij loodablatie, waarbij wordt gekeken naar de verhouding tussen de loodisotopen die voorkomen in het bronsmengsel. Die verhouding is als het ware een vingerafdruk: elke mijnbouwregio en zelfs elke afzonderlijke mijn heeft een nét iets andere isotopenverhouding, waardoor je de oorsprong van het kopererts in theorie kunt herleiden tot één enkel gat in de grond.
Helemaal feilloos is de methode niet. Vooral in de Late Bronstijd (1100–800 v.Chr.) werden bronzen objecten samengesmolten tot nieuwe voorwerpen, waardoor de oorsprong lastig of zelfs niet te achterhalen is. ‘In de loop der tijd zie je ook dat soms extra lood werd toegevoegd om gesmolten metaal beter te kunnen gieten. Dat maakt onderzoek aan sommige vondsten wat moeilijker’, aldus Theunissen.
Onderzoek naar de herkomst van het brons helpt om prehistorische handelsnetwerken in kaart te brengen, zegt Amkreutz. ‘Dergelijke netwerken waren er ook al in de late steentijd, maar de opkomst van brons, ongeveer tweeduizend jaar voor onze jaartelling, werkte als een soort vliegwiel. De handelsroutes voor het brons vormden de levensaders van Europa.’
Dankzij het isotopenonderzoek is het ook mogelijk veranderingen in handelsnetwerken in beeld te krijgen, vertelt hij. Bronstijdvondsten zijn aan de hand van hun uiterlijk én door de context waarin ze zijn gevonden doorgaans goed te dateren. ‘Als we straks zien dat het metaal in de loop der eeuwen een andere herkomst kreeg, dan zien we dus eigenlijk hoe handelsroutes en sociale netwerken veranderden.’
De vraag is natuurlijk waartegen het brons werd verhandeld. ‘Het lijkt me bijzonder lastig om dat ooit te achterhalen. Als je een inschatting moet maken: denk aan barnsteen, vee en wol, zout, huwelijkspartners’, zegt Amkreutz.
Handelsroutes voerden duizenden jaren geleden al door heel Europa, minimaal tot aan het Midden-Oosten, zegt hij. ‘Onder de fundamenten van een tempel in Syrië vonden archeologen twee barnsteenkraaltjes uit Denemarken, terwijl in Tiel een glazen kraal is gevonden die te herleiden is naar het gebied dat nu Irak is. Op basis van dergelijke vondsten zie je dat er allerlei contacten en netwerken waren.’
Theunissen noemt als voorbeeld het Kralensnoer van Exloo, een bronstijdobject in de collectie van het Drents Museum in Assen. De veertig kralen van het halssnoer zijn gemaakt van barnsteen uit Scandinavië, brons, tin uit Cornwall en faience, een soort glaspasta afkomstig uit wat nu Engeland is.
Van de ruim 3.200 in Nederland geregistreerde bronstijdobjecten zijn er 150 geselecteerd voor het herkomstonderzoek – bijna 5 procent. Bij de selectie is onder meer gelet op de spreiding van vindplaatsen over Nederland, variatie in het soort voorwerp (‘Niet alleen maar bijlen of alleen maar zwaarden’, aldus Theunissen), en de archeologische context. ‘We wilden objecten waarvan goed beschreven is wáár ze zijn gevonden en onder wat voor omstandigheden, met eventueel andere vondsten’, legt Theunissen uit.
De resultaten van het isotopenonderzoek worden in de loop van het najaar geëvalueerd, maar een eerste uitkomst is er al, vertelt Theunissen. De Hellebaard van Roermond en de Hellebaard van Wageningen, twee vondsten uit de Vroege Bronstijd (2000-1800 v.Chr.) hebben een identieke isotopenverhouding, die overeenkomt met La Profunda (letterlijk: ‘De Diepe’), een mijn net buiten de stad León in Noord-Spanje.
‘En er zijn een paar objecten die we nu definitief kunnen verbinden aan de mijnen op de Great Orme en een paar dingen uit Mitterberg.’
Bij twee vondsten was niet voldoende lood verzameld om een betrouwbare meting te doen. ‘Een van de twee is een mantelspeld, gevonden onder het Damrak in Amsterdam bij de aanleg van de Noord-Zuidlijn. Die gaan we binnenkort opnieuw proberen.’
De tentoonstelling Bronstijd – Vuur van verandering is te zien tot en met 16 maart 2025 in het Rijksmuseum van Oudheden. Meer info: rmo.nl
Een landarbeider stuitte in 1896 in het veen bij het Overijsselse Ommerschans bij toeval op een groot bronzen zwaard. Het zwaard, dat door zijn vorm en afmeting lastig te hanteren is, en bovendien ongeslepen was, had waarschijnlijk een ceremoniële functie.
Vergelijkbare zwaarden, tegenwoordig aangeduid als Type Plougrescant-Ommerschans, zijn maar op zes plaatsen in Europa gevonden: twee in het Verenigd Koninkrijk, twee in Frankrijk, een in Jutphaas (Utrecht) en het Zwaard van Ommerschans. De zes zwaarden zijn samen te zien bij de tentoonstelling Bronstijd – Vuur van verandering, in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Bijzonder, want het is de eerste keer in meer dan drieduizend jaar dat de zwaarden weer bij elkaar zijn, vertelt conservator Luc Amkreutz.
‘De zwaarden zijn nagenoeg identiek en we gaan ervan uit dat ze ooit op één moment op één plaats zijn gemaakt. Daarna zijn ze op verschillende plaatsen in Noordwest-Europa terechtgekomen.’
Het Zwaard van Ommerschans is onderdeel van het isotopenonderzoek. Eerder onderzoek aan de zes zwaarden wees naar de kopermijnen op de Great Orme in Noord-Wales. De loodisotopen in het brons lijken nu toch te duiden op brons uit het Alpengebied.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant