De traditionele combinatie van man-vrouw-kind is een stuk minder gangbaar dan vroeger. Toch blijft het kerngezin ons culturele ideaal. Historicus en alleenstaande moeder Lotte Houwink ten Cate vraagt zich af waarom.
Wanneer mijn 2-jarige zoon op een zomerdag in de zandbak speelt, raak ik aan de praat met een andere moeder. We dragen allebei een blauw overhemd en dezelfde schoenen. Ik vind haar leuk, ben trots op de toevallige gelijkenis, op de vrolijke kinderen. Dan verschijnt een man naast haar, koud bier in zijn handen. Op de vraag ‘Waar is je man?’ heb ik nog geen goed antwoord. Ik draai me naar mijn zoon toe.
Toen ik op mijn 30ste alleenstaande moeder werd, voldeed ik – voor het eerst, het moet gezegd – niet meer aan de norm. Na een relatie van zeven jaar zijn de vader van mijn kind en ik tijdens mijn zwangerschap uit elkaar gegaan. Onze zoon ziet zijn vader regelmatig, maar woont bij mij.
Steeds meer mensen scheiden, voeden kinderen alleen op, als co-ouders of in samengestelde gezinnen. We zoeken naar nieuwe vormen van samenleven. Er wordt weer geëxperimenteerd met non-monogamie. Nederland telt inmiddels 3,3 miljoen eenpersoonshuishoudens, 40 procent van het totale aantal huishoudens. In ongeveer 23 procent van de gezinnen staat één ouder aan het roer, in bijna alle gevallen is dat een vrouw. Het traditionele plaatje is een stuk minder gangbaar dan vroeger. Toch wordt het eenoudergezin nog steeds gezien als afwijkend, als ‘gebroken’.
‘Ik ben vruchtbaar, ik heb een kind gepland en dat staat los van de verhouding die ik met jou heb.’ Cécile Jansen werd met deze woorden, gericht aan haar bedpartner, de eerste Nederlandse vrouw die in de jaren zeventig openlijk en bewust koos om alleen kinderen te krijgen. De geboorte van haar tweede kind werd opgenomen en uitgezonden in het feministische radioprogramma Hoor haar. ‘Wie maakt eigenlijk uit dat de combinatie man-vrouw-kind het enige zaligmakende is?’, vroeg Jansen.
Sla een willekeurig kookboek open en zie: elk recept is voor vier personen. Tenzij we een etentje geven, koken we alleen voor onszelf en onze kinderen. We wonen met onze partner en 1,43 kind in privacy, in de meestvoorkomende woning van Nederland: de eengezinswoning. Liefst met een tuin.
Het beeld van een ‘succesvol’ leven blijft hetzelfde: relatie, een koophuis, kinderen. Ons verlangen naar liefde en kameraadschap, naar veiligheid en verzorging, neemt de vorm aan van het kerngezin. Het kerngezin is ons culturele ideaal, het biedt man en vrouw een vaste rol en wordt gezien als het beste thuis voor kinderen. Voor sommigen is het goed toeven in een vertrouwd verhaal.
Maar het is meer dan een verhaal. Een sociale norm heeft reële consequenties, voor wie erbinnen en voor wie erbuiten valt. Ook al leven steeds meer mensen alleenstaand, het gezin wordt door de politiek nog steeds als norm gezien en gesteund door overheidsbeleid. De koopkracht van de meeste huishoudens gaat er in 2025 iets op vooruit – maar níét die van alleenstaande ouders met een minimuminkomen. Die krijgen minder kindgebonden budget. Juist nu ook tweeverdieners het zwaarder krijgen door de inflatie en woningnood, blijft het gezamenlijk voeren van een huishouden veel voordeliger. Bovendien krijgen alleenstaanden met een kinderwens veel minder makkelijk toegang tot vruchtbaarheidstrajecten dan stellen.
Het kerngezin is geen leven naar eigen ontwerp. Het is het gevolg van economische en sociale omwentelingen. Het is ook de erfenis van een kleinburgerlijke, christelijke moraal. Wat het gezin betreft is niemand een neutrale omstander: ook wie zelf geen kind krijgt, is door een keten van gezinnen voorafgegaan. Niemand ontkomt aan de familiegeschiedenis, de jeugdherinneringen, de familiealbums in sepia, de verwachtingen waarmee je bent grootgebracht. Het bepaalt waar de meeste hetero’s een leven lang naar streven. En dat streven hebben we al in onze kindertijd geleerd.
Mijn ouders gingen uit elkaar toen ik 4 was, en ik groeide grotendeels bij mijn moeder op. Een eigen gezin, een man aan boord, zou me van mijn verleden hebben losgemaakt. Althans op papier.
Van oudsher biedt het gezinsleven vrouwen financiële zekerheid, en mannen praktische voordelen, zoals verzorging, warmte en emotionele ondersteuning. Al even tijdloos: het maatschappelijke aanzien van vrouwen blijft onlosmakelijk verbonden met privérelaties: het hebben van een (succesvolle) man en kinderen. Ook wanneer het kerngezin draait op de zorg van vrouwen biedt het hun belangrijke voordelen zoals aanzien en financiële stabiliteit. Het gezin biedt een leven dat ‘klopt’, in ieder geval van buitenaf bezien.
De discrepantie tussen verlangen en realiteit is opmerkelijk. Want het monogame gezin is zo vaak ontoereikend als het gaat om de zorg, liefde en seks die we wensen. Toch staan het huwelijk en gezinsleven onverminderd op een voetstuk, en wordt neergekeken op mensen die gewenst, ongewenst of toevalligerwijs niet aan de norm voldoen. Zoals vrouwen zonder kinderen, alleenstaande ouders, of het sterk groeiende aantal mensen zonder partner. De romantische liefde heeft een verheven status in onze cultuur, evenals het vrouwenleven als moeder. Zonder partner of kind is een leven niet compleet. Heeft een single man nog iets spannends, een alleenstaande vrouw is vooral tragisch. Hij de bachelor, en zij – denk aan de rechtse kritiek op Kamala Harris – het kattenvrouwtje.
Niet alleen het neerkijken op mensen wier leven niet volgens de norm verloopt is problematisch. Ook idealisering ontneemt zuurstof. Alleenstaand ouderschap wordt als niet wenselijk beschouwd. Soms is het financieel zelfs onmogelijk. Bovendien wordt het gezien als falen, als traumatiserend voor de kinderen. Hoe tolerant we ook denken te zijn, alleenstaand ouderschap, en zelfs co-ouderschap na een relatiebreuk, blijft gezien worden als een compromis, een klap. Dit maakt het moeilijk om niet aan jezelf te twijfelen, je te schamen, het gevoel te hebben jezelf te moeten verklaren. Wanneer er geen aantrekkelijk alternatief is voor het kerngezin, hoe vrij zijn we dan precies in het inrichten van ons leven?
‘Het allerergst vind ik dat mijn kinderen erop aangekeken worden’, schreef een alleenstaande moeder mij. Alsof niet ieder scenario waarin kinderen geliefd en gewenst zijn het best denkbare is. Ik denk aan de vrouw die ik eens ontmoette, ze had haar kind gekregen met behulp van donorzaad. Ze vertelde dat ze zelf naar Denemarken was gereden, haar ingevroren eicellen op de achterbank. Hoe voorzichtig ze gereden had, luisterend naar haar lievelingsmuziek.
Wat als alleenstaand ouderschap prima verloopt, zelfs bevrijdend is? In de jaren zeventig werd het kerngezin ter discussie gesteld als broedplaats van burgerlijkheid, uitsluiting en geweld tegen vrouwen en meisjes. Sommige feministen uit die tijd zagen geen brood meer in het kerngezin en werden moeder zonder man. De eerste groep bewust ongehuwde moeders verenigde zich begin jaren zeventig in de BOM-beweging rondom Cécile Jansen. Een deel van hen koos bewust voor een kind alleen, als expliciete afwijzing van het gezin.
Voor de goede orde: zolang er getrouwd wordt, wordt er vreemdgegaan en worden buitenechtelijke kinderen geboren. Gek genoeg zijn het altijd de vrouwen die daar de maatschappelijke ‘prijs’ voor hebben betaald. Het christendom schiep een wereld waarin een zwangerschap, wanneer die niet in de echtelijke sponde ontstond, een vrouw degradeert. Eeuwenlang was de alleenstaande moeder een gevallen vrouw, een teken van morele degeneratie. Vaak is deze demonisering verknoopt met racistische en klassendiscriminerende stereotyperingen.
De alleenstaande moeder is seksueel beschikbaar. Ze is Moeder én Hoer. Is ze verlaten, dan is ze tragisch. Heeft ze gezondigd, dan verdient ze straf. Heeft ze steun nodig, dan is ze een parasiet. De conservatieve politicus Boris Johnson, voormalig premier van Groot-Brittannië, noemde de kinderen van alleenstaande moeders ‘slecht opgevoed, onwetend, agressief en onwettig’. Johnson, die acht kinderen verwekte bij verschillende vrouwen, vond het ‘schandalig’ dat getrouwde stellen ‘moeten betalen voor de wens van alleenstaande moeders om zich onafhankelijk van mannen voort te planten’.
Wanneer alleenstaand ouderschap een negatieve invloed heeft op kinderen, komt dat in de eerste plaats door sociaaleconomische ongelijkheid. De helft van de getroffen ouders van het toeslagenschandaal is alleenstaande moeder. Volgens het Nederlands Jeugdinstituut zijn alleenstaande moeders de grootste groep met het risico op leven in armoede, en hebben zij vaker te maken met stigmatisering en een gebrek aan sociale steun.
Binnen een kerngezin kan het hels zijn: denk aan het gemopper, het afstrepen van taken en het eindeloze overleggen over avonden ‘weg’, spanningen, geruzie, liegen. En daarbuiten kán het fantastisch zijn. Zeker wanneer de omstandigheden – en die zijn grotendeels politiek bepaald – goed zijn. Het een is niet beter dan het andere, wel is het ánders. Alleenstaand ouderschap heeft bepaalde voordelen. De grote vraag voor feministen was wat er gebeurde in een gezin waarin een man niet of nauwelijks aanwezig was. Het zou, zo stelden ze, leiden tot een nieuw soort gezinsleven. En vooral: tot een vrijer moederschap.
De vrijheid die ik zelf ervaar is bij gratie van het feit dat ik geen geldproblemen heb, mijn werktijden zelf bepaal en steun krijg uit mijn omgeving. Toch word ik geregeld aangesproken: hoe zwaar, zielig, suboptimaal het vast is. In Lof van het rommelige leven beschrijft de Amerikaanse journalist en alleenstaande moeder Katie Roiphe de felle kritiek wanneer ze een tweede kind krijgt, van een andere man. ‘Jij doet totaal waar je zelf zin in hebt’, zegt een collega. Allerlei vragen worden gesteld, zoals hoe het contact tussen de vaders en haar kinderen er precies uitziet en of ze wel alimentatie betalen.
Zie het als een theaterstuk waarvan het doek nooit valt: in het gezinsleven heeft en houdt iedereen een rol. Dat ontneemt ook mannen het vermogen om het ouderschap op een eigen manier in te vullen. De Amerikaanse tweedegolffeminist Adrienne Rich maakte een onderscheid tussen de vrije moeder-kindrelatie, en het beklemmende moederschap binnen het heteronormatieve gezin.
In een beroemde passage beschrijft Rich de zomer die ze alleen met haar drie zoons – 9, 7, en 5 jaar oud – doorbracht in de natuur van Vermont. ‘Zonder een volwassen man in huis’ gooide ze alle regels en routines overboord. Rich en haar kinderen vervielen in ‘een verrukkelijk en zondig levensritme’, aten elke avond buiten, met hun handen. ‘We liepen halfnaakt rond, we bleven op om te kijken naar de vleermuizen, de sterren en de vuurvliegjes, we lazen en vertelden verhalen en sliepen een gat in de dag. Ik zag hun tengere jongenslijfjes bruin worden en we wasten ons met het water uit de tuinslang dat warm werd van het in de zon liggen. We leefden als schipbreukelingen op een moeder-en-kinderen-eiland.’ Wanneer de kinderen sliepen bleef Rich tot vroeg in de morgen zitten lezen en schrijven, zoals ze deed toen ze studeerde. Het tijdloze ‘conflict’ – hoe moeder, partner én haarzelf te zijn – verdween. Op een nacht reed Rich terug naar huis over een slingerende landweg, met links en rechts de vochtige, glimmende weerschijn van het bos, haar jongens slapend op de achterbank. ‘Ik voelde dat ik mijn leven vast in eigen handen had.’
Halverwege de jaren negentig, als kersvers gescheiden vrouw met dochters van 4 en 7, besloot mijn moeder de zomervakanties door te brengen met een eveneens gescheiden vriendin en haar kinderen. Hun levens hadden een afslag genomen die ze niet voorzien, noch gewenst hadden, maar ze zouden zich herpakken. Twee vrouwen, vijf kinderen, achter elkaar aan rijdend over de kronkelwegen van de Bourgogne, de kinderen wapperend met wc-papier uit de ramen. Grote tenten en een enorme afwas. Altijd was er op de familiecamping de aanname dat ze lesbisch waren, en consternatie wanneer dat niet zo bleek te zijn. Ze hadden avontuurtjes. Ik zie nu pas hoe mooi ze waren.
Er werd van ons genoten, maar we werden niet op de vingers gekeken. Dat gaf chaos, maar ook een groots gevoel van vrijheid. Er waren avonden waarop we vijftien kinderen mochten uitnodigen om mee te eten. Ik begrijp nu hoeveel werk het moet zijn geweest.
Waar ik minder graag aan terugdenk, zijn mijn zenuwen. Dat iets stuk zou gaan, de benzine op zou raken of het tentdoek zou gaan lekken. Wat zou er dan gebeuren? Ik wist dat mijn moeder van alles kon – op het terras citron pressé bestellen, vallende sterren tellen, ’s nachts naaktzwemmen. Maar wie zou helpen als iets misging? Of mijn grote angst: als ze zou verdwijnen?
Een fundamenteel gevoel van veiligheid heb ik als kind niet altijd gekend. Daarvoor in de plaats kreeg ik iets anders: een voorbeeld van een vrouwenleven met voltijds werk, kinderen én een eigen leven. Mijn moeder deed thuis het noodzakelijke en niet meer. Ze reisde alleen, en ging ’s avonds vaak naar concerten. Ik geloof niet dat ze zich daar ooit schuldig over voelde. Wat ze wel belangrijk vond? Goede gesprekken en dansen na het avondeten. Vriendinnen kwamen graag eten, want bij ons werd vrijuit gepraat. Over het belang van financiële zelfstandigheid, over het kunnen verwoorden van gevoelens en seksuele verlangens. Op de eettafel een kaart met haar motto: ‘In haar verlangen te reizen had ze alvast haar hoed opgezet’.
In het eenoudergezin is de intimiteit tussen ouder en kind ongeëvenaard. De Britse schilder Vanessa Bell, de zus van Virginia Woolf, woonde met haar drie kinderen van verschillende mannen, in wisselende gezinssamenstellingen, in het Londen van de vroege 20ste eeuw. Haar zoon Quentin Bell schreef over zijn kindertijd: ‘We moesten het comfort van zo geliefd zijn afwegen tegen de pijn van zo angstig aanbeden worden’.
De intimiteit is soms, wellicht, te groot. Er zijn geen ouders die samen een front vormen. In een eenoudergezin is geen autoritair blok. Hierdoor worden kinderen relatief serieuzer genomen, en worden ouders al eerder ‘echte mensen’. Mensen die weleens te laat komen, niet kunnen koken, een eigen seksleven hebben. Katie Roiphe schrijft: ‘Een deel van wat bedreigend of verontrustend lijkt aan het huishouden van de alleenstaande moeder is precies dat gevoel dat de moeder meer als een persoon kan worden gezien, dat deze kinderen getuige zijn van een strijd die ze niet zouden moeten zien, dat hun moeder al heel vroeg een gewoon, gecompliceerd persoon is, in plaats van een volwassene die deel uitmaakt van de ondoorzichtige, half-afgescheiden volwassen cultuur van het huis.’
Soms knaagt het, zoals die middag bij de zandbak. Of af en toe, wanneer ik bij bevriende gezinnen over de vloer kom. Dan kan de aanblik van een man achter het aanrecht me de adem ontnemen. ‘Ik kook, dan ruim jij op.’ Taken kunnen verdelen. De gedachte aan de avondspits, maar dan met vier handen. Het voelt als het buitenland. Aanlokkelijk, maar niet meer dan dat. In De Groene Amsterdammer schreef ik over dagen waarop onder crèchetijd mijn geliefde langskomt, mijn zoon en ik ’s middags door de stad fietsen, en ’s avonds een vriendin voor de deur staat. ‘Wat een leeg moreel plaatje!’, reageerde een lezer. Gelukkig zijn, als alleenstaande moeder, voelt als ergens mee weg te komen, alsof dat niet helemaal mag.
Op een avond stapt Katie Roiphe in een taxi. Ze laat haar kinderen met gewassen haartjes en in pyjama achter bij de oppas, en is onderweg naar een hotelbar waar ze met een man heeft afgesproken. Ze had thuis kunnen blijven, denkt ze als de taxi over de brug van Brooklyn naar Manhattan rijdt. Ze wéét dat ze het nu – in de ogen van anderen – bont maakt. Dan herinnert ze zich dat ze eens hoorde: ‘Je hebt maar één leven, als dat al zo is.’ En ze krijgt zin om dat te zeggen, tegen de keurige stellen om haar heen, die almaar bezig zijn gezonde omgevingen te scheppen, tegen die mensen die écht geloven dat het kind van een alleenstaande moeder niet compleet of niet gelukkig is wanneer het met dinosaurussen speelt: je hebt één leven.
We zijn gewend ons vast te klampen aan wat vertrouwd is. Niet per se omdat we het heerlijk vinden, of omdat het goed voor ons is. Maar omdat het bekend is. Soms ontsnappen levens aan de starre verhalen die ze gewoonlijk omvatten. En blijkt nog veel meer mogelijk, onvoorziene afslagen kunnen tot veel meer moois leiden. Dan gaan we onszelf verrassen.
Lotte Houwink ten Cate: ‘De mythe van het gezin.’ Uitgeverij Pluim; 110 pagina’s; € 18,99.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant