De Libanese Nederlanders die met een repatriëringsvlucht uit Beiroet vertrokken, hoopten na het oorlogsgeweld in een veilige haven terug te keren. Maar het Nederland dat ze kenden, bestaat niet meer. Een verblijfplaats moeten ze zelf ‘actief zoeken’.
is verslaggever van de Volkskrant. Ze schrijft over asiel, migratie en polarisatie.
Voor de familie Nessr is er een oud Nederland en een nieuw Nederland. Met het oude Nederland maakten ze eind jaren tachtig kennis, toen ze voor het eerst vanuit Libanon hier naartoe waren gevlucht. ‘Ik ken de Nederlanders als empathisch, lief, meedenkend’, zegt de oudste zoon Raef (37), die zijn jeugd doorbracht in het Groningse dorp Sauwerd, tot zijn ouders besloten te remigreren, maar later nog wel in Groningen studeerde.
Ten tijde van de Israëlisch-Libanese oorlog in 2006 verbleven ze wederom een paar maanden hier. ‘We werden goed geholpen’, zegt Hayssam (30), die net als zijn broer en ouders zowel de Libanese als de Nederlandse nationaliteit heeft. ‘Heel menselijk.’
Dus ja, toen ze twee weken geleden in Beiroet op de repatriëringsvlucht stapten, dachten ze in hetzelfde Nederland terecht te komen. Een plek waar onderdak is, een luisterend oor.
De broers willen vertellen over hun vlucht, over de rakettenregen die plotseling neerkwam op hun dorp in Zuid-Libanon. Over de enorme druk van die raketten, zo hard dat de drie weken oude baby van Raef in zijn bedje omrolde.
Tijd om spullen te pakken hadden ze niet. Ze stapten in de auto, regelrecht de file in, deden twaalf uur over een stukje dat ze normaal in veertig minuten rijden. Op 10 meter afstand van Raefs auto sloeg een raket in. ‘Dat kunnen ze niet overleefd hebben’, schreef een familielid dat ook in de file stond in de groepsapp. Zelf dacht hij ook dat het klaar was, toen hij de raket zag aankomen. ‘Het is een wonder dat we ongedeerd waren’, zegt hij.
Maar ruimte om bij trauma’s en wonderen stil te staan is er nu niet. Want ze zijn in het nieuwe Nederland, waar er nieuwe zorgen zijn. Al sinds hun aankomst, twee weken geleden op de militaire vliegbasis in Eindhoven, is hun verblijf bron van discussie.
Kort voor de vlucht werd de Libanese-Nederlanders medegedeeld dat ze zelf een onderkomen moesten regelen. De meesten vonden inderdaad zelf onderdak bij familie of vrienden, maar er zijn 38 gerepatrieerden die dat niet is gelukt. Mona Keijzer (BBB), minister van volkshuisvesting, wil eigenlijk niet voor deze groep betalen. Het is volgens haar aan dak- en thuislozen niet uit te leggen dat teruggehaalde landgenoten wél onderdak krijgen. Haar standpunt zou tot discussie hebben geleid met andere ministeries.
NRC meldde vorige week dat er ook een hoogoplopend conflict zou zijn tussen de gemeente Eindhoven en het Rijk, omdat die laatste niet meer wilde betalen voor de eerste hotelovernachtingen, zoals dat normaliter gaat. Een woordvoerder van Keijzer ontkent dat er een conflict was. Eindhoven wil niet reageren.
Maandag werden de 38 overgebleven gerepatrieerden ondergebracht op vakantieparken. Twee dagen later stonden er in de huisjes twee ambtenaren met een brief. ‘De Nederlandse overheid betaalt de huur voor deze twee weken’, stond erin. ‘Omdat deze opvang tijdelijk is, is het belangrijk dat u actief op zoek gaat naar een verblijfplaats.’
Volgens Raef en Hayssam Nessr was de opstelling van de ambtenaren hardvochtig en onbeschoft. ‘Ze vertelden dat we over anderhalve week het huisje uit moeten’, zegt Raef. ‘Toen ik vroeg waar we dan naartoe moesten, suggereerden ze de daklozenopvang. Mijn ouders wilden nog met ze in discussie, maar ik zei: laat maar. Alles wat we zeggen zal tegen ons worden gebruikt.’
Ook andere Libanese-Nederlanders hebben het idee gekregen dat ze over anderhalve week op straat staan, maar dat spreekt de woordvoerder van Keijzer tegen. Hij weet niet of de ambtenaren dat wel hebben beweerd: ‘Ik was er niet bij.’ Het ministerie gaat de komende weken in gesprek met de gemeenten waar de mensen het laatst hebben gewoond. Die moeten de begeleiding dan overnemen.
Het probleem is niet alleen de onzekerheid over een dak boven hun hoofd, zeggen de broers. Het gaat om de houding, de kilte. Raef: ‘De mensen van de gemeente Eindhoven konden ook niet veel voor ons betekenen, maar je voelde dat ze meeleefden. ‘Jullie zijn een reflectie van jullie gemeente’, zei ik tegen ze. Bij de ambtenaren die ons woensdag bezochten, was dat heel anders. Die waren een reflectie van de regering.’
‘Het is ironisch’, vervolgt hij. ‘We worden tegemoet getreden als asielzoekers, als mensen die tot last zijn – althans, zo ziet het kabinet het. Op het moment dat we om hulp vragen, wordt gezegd: nee, jullie zijn Nederlanders, jullie moeten alles zelf regelen. We zitten tussen wal en schip.’
In Libanon was het echt onveilig, benadrukken de broers. Maar hier vóélt het onveilig. ‘In psychische zin’, zegt Raef. ‘Door de vlucht schrikken we al als een autodeur dichtslaat. En dan krijg je ook nog het idee dat je met je baby op straat kan komen te staan. Soms kijken we elkaar aan en zeggen: hebben we wel de juist beslissing genomen door te gaan?’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant