Ik ging naar Nice om het huis van Louis Couperus te zien. Nou ja, ook de rest van Nice, natuurlijk, die ‘witte stad van weelde’ zoals Couperus haar noemde, die ‘interessante samenklontering van menschelijke ondeugd en zonde’ waar hij werkte aan Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan en De boeken der kleine zielen.
Het huis ‘Villa Jules’ was niet eenvoudig te vinden, want alle straatnamen zijn veranderd sinds Couperus er woonde (van 1900 tot 1910). Eenmaal gevonden bleek het een grote, fraaie, maar (voor Nice) weinig opvallende villa, tussen tientallen villa’s van hetzelfde type. Couperus en zijn vrouw bewoonden er een stuk of zes kamers.
Over de auteur
Schrijfster Sylvia Witteman bespreekt elke twee weken een boek dat haar is opgevallen.
De tuin waar Couperus zo op gesteld was, wordt nu grotendeels in beslag genomen door een makelaarskantoor, zo te zien uit de jaren zeventig. Als een lelijke wrat klontert het ding aan de villa. Ik moest half over het hek klimmen voor een blik op het overgeschoten plekje gras, met daarop een plastic schepje en een kinderfietsje.
Tussen het schrijven van al die verrukkelijke boeken door bracht Couperus vele uren door met flaneren langs de Promenade des Anglais, de boulevard langs de kust (waar in 2016 die gruwelijke aanslag met die vrachtwagen plaatsvond), meestal rond 11 uur ’s ochtends, ‘het elegante uur, het uur der kleurige, excentrieke toiletten (…) sommige hoeden der dames zijn als omgekeerde bloempotten en vischketels; andere zijn als een verwrongen vloermat, waarin een touffe rozen of een plumeau, of een indianenhoofdtooi tot versiering gestoken zijn.’ Kom daar nog maar eens om!
Interessant: indertijd was niet de zomer het seizoen om in Nice te verblijven (te heet en te droog) maar de winter, met zijn zachte weer en bloeiende bloemen. Vóór december vertoonde de beau monde zich daar niet, en pas in januari barstte het goede leven er echt los, met dagelijkse bezoekjes aan de fabuleuze ‘jetée’, de hyperelegante pier met het casino, in oriëntaalse stijl, en de schitterende feesten, zoals het bal van de excentrieke eeuwig ‘minauderende’ , 90-jarige Mrs Uxeley, uit Langs lijnen van geleidelijkheid in een ‘suite van 12 vertrekken’ met ‘bosschages van roode en witte en roze camelia’s’ (…) in honderden vazen en bekers en schalen (…) als een feeëntuin’.
De liefhebber weet wat er op dat bal gebeurt, maar ik verklap niks want er bestaan nog mensen die Langs lijnen van geleidelijkheid niet gelezen hebben. Een heerlijk boek, met een zeer verontrustend einde, zeker bezien door hedendaagse (vrouwen)ogen.
Couperus zelf, intussen, hield het na tien jaar en een laatste, teleurstellende, natte, donkere winter in Nice voor gezien. Hij klaagde over de opkomst van de toeristenindustrie en de teloorgang van de fameuze winterbadplaats. ‘Iedere winter wordt het minder rijk, minder elegant. Iedere winter democratizeert Nice een beetje meer. Het is niet meer de plaats der woeste elegances, der baroque, coûteuze dolheden van Russische prinsen en Amerikaanse milliardaires: het wordt langzamerhand meer en meer een stad van vreemdzame renteniers.’
Grappig hoe Couperus het woord ‘democratiseren’ pejoratief gebruikt! Trouwens, tegenwoordig zou elke toeristenstad veel liever ‘vreedzame renteniers’ trekken dan lawaaiige, dronken jongelui; al had Couperus er waarschijnlijk niet voor teruggedeinsd hun gevoos op het strand als ‘woeste elegances’ te omschrijven.
Geflaneerd wordt er nog steeds op de Promenade des Anglais, door Russen, Engelsen, Fransen, Amerikanen en Italianen, net als toen. Maar de legendarische ‘jetée’ is verdwenen: in 1942 sloopte de Wehrmacht er alle metaal uit en smolt het om tot oorlogstuig, waarna er al gauw niets meer van de pier over was.
Met je ogen dicht, in de zachte zeewind, kun je de champagnekurken nog horen knallen en het rouletteballetje horen rollen.
Ach, had ik maar een ‘hoed als een vischketel’!
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant