‘Shit’, dacht ik toen ik de post las. In de brief over mijn patiënte stond dat ze opgenomen was. Verdorie, toch een longontsteking. Ik had haar een paar dagen geleden namelijk gezien en naar huis gestuurd.
Toen ik haar zag had ze een paar dagen koorts en flink spierpijn, maar ze was er niet superziek bij. Ze hoestte wat, maar ze was niet benauwd en toen ik haar nakeek hoorde ik geen afwijkend geluid over de longen en haar zuurstofgehalte was goed. Ik vertelde haar dat ik dacht aan een virusinfectie en dat die waarschijnlijk vanzelf over zou gaan. Een paar dagen later had mijn collega haar gezien en die had haar voor een foto naar het ziekenhuis gestuurd.
Ik baalde. Ik had ook niet duidelijk opgeschreven wat ik haar allemaal verteld had, met name niet dat ze terug moest komen als er geen verbetering optrad.
Ik geef eigenlijk altijd een soort medische disclaimer mee: loopt het anders dan u denkt, duurt het te lang, knapt het niet op? Neem dan weer contact op – dat werk. Want ja, het blijft een inschatting die we als artsen maken, zeker als huisarts met relatief weinig onderzoeksmogelijkheden. Ik weet ook niet zeker of ze al een longontsteking had toen ik haar zag. Ik denk het eigenlijk niet, want dat is er ook nog eens: het kan allemaal nog meevallen wanneer je ze als dokter ziet, maar daarna kan het natuurlijk ook nog erger worden.
‘Garantie tot de deur!’, noemde mijn collega dat wel eens. Iemand kan bijvoorbeeld gewoon griep, en geen longontsteking hebben als-ie bij je is. Maar dat is geen garantie dat er geen longontsteking bij gaat komen.
Maar ik had niet opgeschreven wat ik mijn patiënte allemaal verteld had – wanneer ze bij welke verschijnselen precies terug moest komen. Ik bezuinig, net als veel dokters, nogal eens op de verslaglegging. Liever meer tijd met de patiënt, dan tijd om mezelf elektronisch in te dekken, en een kwartier is zo om. Maar ja, dan is later betwistbaar wat je allemaal besproken hebt.
Over de auteur
Rinske van de Goor is huisarts en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Met bezwaard gemoed belde ik mijn patiënte op. Ik hoopte vooral dat ze niet te ziek was, maar was ook een beetje bang dat ze boos op me zou zijn en me nu niet meer zou vertrouwen.
Ze reageerde monter: ze knapte al wat op, en ze was zo blij met hoe de zorg georganiseerd was. Ze kon toen ze ziek was snel bij mij terecht. Ik had haar ook zo goed nagekeken en verteld wanneer ik terug moest komen. En dat had ze dus gedaan, en toen had mijn collega haar zo voortvarend ingestuurd. Ze bedankte me voor de goede zorgen.
De meeste mensen begrijpen heel goed dat er bij ons ook wel eens wat misgaat. Dat we ons best doen, een inschatting maken, maar dat dat niet altijd raak is. Als er dan iets misgaat, anders loopt, of achteraf verkeerd is ingeschat, is dat voor de meeste mensen acceptabel: kan gebeuren, maar we deden ons best.
We willen allemaal als mens gezien en gehoord worden. Niet gezien worden, doet pijn. En wanneer je allerlei medische klachten hebt en je hebt niet het gevoel dat daar goed en serieus naar gekeken wordt, kan je daar wanhopig van worden. Gezien en gehoord worden is wezenlijk: zeker door de dokter, maar ook door onze familie, op ons werk en door de overheid.
Ons belangrijkste zintuig in het leven is dan ook niet het oor, of het oog, of de neus. Ons belangrijkste zintuig is ons hart. Want een ander écht zien en horen, doe je met je hart. En nee, technisch gezien is het hart helemaal geen zintuig. Dat weet ik natuurlijk ook wel, maar dat is het punt niet, als je daarover de kniesoor gaat uithangen, heb je dan eigenlijk wel echt naar me geluisterd?
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant