Een meerderheid in de Tweede Kamer legt zich neer bij Wilders’ alleenheerschappij in de PVV. Dat gaat wat al te makkelijk.
Geert Wilders was er al bij op het Binnenhof, in 2002, toen de net opgerichte Lijst Pim Fortuyn na de moord op de partijleider werd gekaapt door zichzelf. Dat wil zeggen: door vele tamelijk willekeurige passanten die met hun lidmaatschapskaart in de hand het recht claimden op bestuursfuncties, vertegenwoordigende baantjes en onbeperkte spreektijd op ledenbijeenkomsten. Voor het vacante partijvoorzitterschap meldden zich op zeker moment meer dan dertig kandidaten – met chaotische taferelen tot gevolg, uitmondend in het besluit om de congressen voortaan maar geheim te houden.
Die aandrang moet meer partijleiders in de loop der jaren hebben bekropen. Ledendemocratie is soms een molensteen om de nek. Acht jaar na de oprichting stemde een meerderheid van de D66-leden al voor opheffing van de eigen partij (alleen de vereiste twee derde meerderheid werd tot opluchting van het hoofdbestuur niet gehaald). ‘Een congres is een monster’, mocht Hans van Mierlo daarna graag zeggen. Diederik Samsom schrikt nog weleens wakker van alle keren dat hij door de PvdA-leden ter verantwoording werd geroepen voor het beleid van het tweede kabinet-Rutte (2012-2017). Zijn verre voorganger Joop den Uyl moest lijdzaam toezien hoe de partijraad zich luidruchtig bemoeide met de kabinetsformatie van 1977 en daarmee niet bepaald bijdroeg aan het succes.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Geen wonder dus dat Geert Wilders twintig jaar geleden nog wel even speelde met het idee van het toelaten van leden in zijn PVV, maar daar uiteindelijk toch van afzag. Dat kostte hem in de loop der jaren vele miljoenen aan subsidie, maar dat nadeel weegt voor hem niet op tegen het voordeel van de rust van de alleenheerschappij.
De rest van het Binnenhof nam die houding ter kennisgeving aan zolang Wilders in de oppositie zat. Dat een flink deel van de oppositie, aangevoerd door D66, er nu opeens wél op aandringt om in de nieuwe Wet op de politieke partijen in elk geval ‘minimale materiële vereisten aan de interne partijdemocratie’ af te dwingen, kan dan ook niet los worden gezien van zijn nieuwe positie.
Iedereen ziet immers wat er gebeurt: sinds mei is een belangrijk deel van het landsbestuur in handen van een man die met niemand overlegt, die ‘zijn’ ministers aan een touwtje heeft, die zelfs voor een groot deel van zijn fractie onbereikbaar is, naar wiens gedachten de coalitiepartners vaak alleen maar kunnen raden, die beslissingen neemt op basis van de peilingen en die met zijn achterban slechts communiceert in eenrichtingsverkeer via zijn X-account.
In geen enkele andere partij zou zoiets worden geaccepteerd. En terecht, want tegenover de nadelen van de ledendemocratie staan de vele voordelen. Georganiseerde tegenspraak is een fundamentele voorwaarde voor elke politieke organisatie om vitaal te blijven. Intern debat scherpt de ideeën, behoedt partijleiders voor blikvernauwende zelfgenoegzaamheid en werkt als een dam tegen al te onverhoedse beslissingen. Een gezonde parlementaire democratie kan niet zonder.
Dat uitgerekend Wilders’ regeringspartners, die nu dagelijks te maken hebben met zijn ongecorrigeerde wispelturigheid, deze week tegen de democratiseringvoorstellen van de oppositie stemden, is dan ook tamelijk onbegrijpelijk en alleen te verklaren uit angst voor die wispelturigheid.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant