Home

Honderd jaar Belgische stripgeschiedenis is weer permanent te bewonderen in Brussel

Het Stripmuseum in Brussel had al tien jaar lang geen permanente tentoonstelling meer die was gewijd aan de nationale stripcultuur. Curator Daniel Couvreur heeft daar met Een eeuw van Belgische strips weer verandering in gebracht.

De tempel voor het Belgische beeldverhaal, het Stripmuseum in Brussel, is jarig. 35 jaar geleden werd het geopend door koning Boudewijn, want bij onze zuiderburen is de strip een kunstvorm die heel serieus wordt genomen. Vele miljoenen albums zijn er verkocht van Lucky Luke, Kuifje, De Smurfen, Guust Flater en Jommeke, om maar een paar succesnummers uit de onuitputtelijke stroom van titels te noemen.

Aanvankelijk bevatte het museum een permanente tentoonstelling die was gewijd aan de nationale stripcultuur, maar die is tien jaar geleden opgedoekt, wat al snel voelde als een gemis. Gestoken in een splinternieuw jasje is er nu opnieuw zo’n eregalerij, met dank aan curator Daniel Couvreur, die een paar jaar de tijd heeft gekregen om zijn concept aan te slijpen. Een eeuw van Belgische strips is op 4 oktober ten doop gehouden.

Striperfgoed

Het is donker als je de tentoonstelling binnengaat. Langs de zwarte wanden zwemt en krult een geanimeerde zeeslang die de bezoeker enkele zalen zal blijven volgen: een metafoor voor de immer dynamische Belgische strip. In een smalle vitrine ligt de bril van E.P. Jacobs, de schepper van Blake & Mortimer, uitgelicht als een vondst uit een prehistorisch graf. Toepasselijk, voor wie zijn avonturenstrips kent.

Even verderop twee vitrines die een balans proberen te vinden tussen het striperfgoed van de culturen die samen België vormen. Wie gebruikte als eerste tekstballonnen, is de vraag die hier wordt gesteld. De Brusselaar Hergé, roepen de kenners dan, in 1929, in Le Petit Vingtième. Maar drie jaar later past ook de Vlaming Pink (pseudoniem van Eugeen Hermans) tekstballonnen toe, in Suske en Blackske. In de vitrines worden de beroemde Hergé en de veel minder bekende Pink zij aan zij gepresenteerd.

In de zalen daarna zijn de grote helden van de Belgische strip bijeengebracht, zoals Franquin (Guust Flater), Willy Vandersteen (Suske en Wiske) en andere toppers, stuk voor stuk mannen. Een bordje aan de muur vertelt de bezoeker dat in hun schaduw ook twee vrouwelijke tekenaars actief waren, namelijk Suzanne André en Tonet Timmermans. Een kleine rehabilitatie. Gelukkig zijn in het tijdperk van de graphic novel veel vrouwen doorgebroken, die aan het eind van de tentoonstelling aandacht krijgen, met name Judith van Istendael en Dominique Goblet.

Experimenteel laboratorium

Maar eerst voert de route nog langs De Schatkamer, waar zeldzame, originele pagina’s worden getoond – nooit langer dan zes maanden, om ze tegen overmatige belichting te beschermen. De evolutie van commerciële striptitels die met honderdduizenden exemplaren over de toonbank gingen naar de marginale maar artistiek hoogwaardige beeldverhalen die nu de boventoon voeren, krijgt overtuigend gestalte in het laatste deel van Een eeuw van Belgische strips.

Curator Couvreur noemt de Belgische stripscene ‘een experimenteel laboratorium’ en toont in de Zaal van het Gevoel de hedendaagse generatie artiesten ‘die nieuwe manieren vindt om verhalen te vertellen’. Vanwege het enorme reservoir aan talenten had hij een luxeprobleem, want Couvreur kon er maar 34 kwijt, op verticale en smalle stroken. Vlaamse sterren als Kamagurka & Herr Seele, Brecht Evens en Olivier Schrauwen komen er met zo’n enkele strook een beetje bekaaid vanaf.

Een eeuw Belgische strips, te bezoeken in het Stripmuseum, Brussel, dinsdag t/m zondag geopend van 10.00 tot 18.00 uur.

Veel Franstalige bezoekers in het museum

De bezoekersaantallen van het Stripmuseum zijn fors, maar conjunctuurgevoelig. Halverwege het vorige decennium kwamen er 216 duizend liefhebbers, een cijfer dat na de terroristische aanslagen in Brussel instortte. Vervolgens stegen ze naar een recordhoogte van 263 duizend, tot de coronacrisis zorgde voor een nieuwe dip: slechts 83 duizend bezoekers in 2020.

Daarna konden de statistieken alleen maar weer omhoog, al zorgden de Olympische Spelen afgelopen zomer voor een lichte daling. Verreweg de meeste gasten komen namelijk uit Frankrijk, zozeer zelfs dat adjunct-directeur Tine Anthoni zegt dat het Stripmuseum soms wel een buitenwijk van Parijs lijkt.

Er is een tijd geweest dat slechts 11 procent van de bezoekers Belg was, al is dat aandeel met gerichte marketingcampagnes gestegen naar 27 procent. Dat er minder Vlamingen naar het museum komen dan Franstaligen, zie je terug in de museumwinkel waar kasten vol stripboeken worden verkocht: ze zijn voor het overgrote deel Franstalig.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next