Home

Daar was mijn verwilderd kijkende zoon, met zwarte vegen op zijn gezicht en rechtopstaand haar

Onder een stralend zonnetje zat ik op een terras in Nice met een voortreffelijke schaal zeebanket voor mijn neus, toen de telefoon ging. Mijn zoon, alleen thuis, dat wil zeggen, met de katten. ‘Jahaa, ik verschoon elke dag hun waterbakje. Jahaa, ik schep twee keer per dag de klonten uit de kattenbak. Jahaa, ik heb het nummer van de dierenarts. Jezus, mama. Gá nou maar.’

En nu belde hij dus, mijn zoon. Hij is 20, maar raadpleegt mij elke dag over wat hij nu weer eens zal eten; als ik niet thuis ben, dan maar telefonisch. Hij staat daarbij steevast voor de open, goedgevulde ijskast, maar lijdt aan wat Nora Ephron ooit omschreef als ‘het verblindende effect van het ijskastlichtje op het mannelijke netvlies’ waardoor mannen daar nooit iets kunnen vinden (lees: ze zijn te lui om zélf goed te kijken).

Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

Ik nam met rollende ogen de telefoon op, en wilde hem juist, 1.000 kilometer verderop, toesnauwen: ‘De kaas ligt rechts bovenin, er is ook nog soep, in dat kleine pannetje onderin, en in de groentela ligt...’

‘Mama’, riep mijn zoon paniekerig. ‘Kijk!’ ik keek op mijn schermpje en zag mijn keuken, gehuld in dichte rook. Ik hoorde het brandalarm krijsen. En daar was mijn verwilderd kijkende zoon, met zwarte vegen op zijn gezicht en rechtopstaand haar. De ovendeur stond open, en braakte rookpluimen uit.

‘Ik heb het geblust!’ riep mijn zoon. ‘Maar het was zo eng! Ik wilde een pizza opwarmen, en toen ging het brandalarm af, maar ja, dat kutding gaat zo vaak af, en dan is er nooit wat, dus eerst dacht ik... maar toen zag ik de rook, en ik draaide meteen het gas uit, maar dat hielp niet...’ Hij hoestte.

‘En toen sloegen de vlammen uit de oven en ik wilde nét 112 bellen, maar toen bedacht ik dat er op zolder een brandblusser stond, van een sinterklaassurprise, jaren geleden... en toen moest ik helemaal naar zolder en terug, door die dichte rook... doodeng! Ik heb gerend voor mijn leven!’

Ik prees zijn dapperheid, vroeg hem of de katten erg geschrokken waren (‘Het boeide ze totaal niet.’) maande hem alle ramen en deuren tegen elkaar open te zetten en dacht, inwendig jammerend, aan mijn trouwe, kostbare oven, mijn trots, mijn weelde... Wat zou er van hem over zijn? Anderzijds: mijn kind leefde nog, de katten ook, en de keuken was nog intact, zij het zwartgeblakerd.

(In diezelfde keuken staat trouwens ook een brandblusser. Gewoon, in het kastje pal naast de oven. Maar weet zo’n jongen veel? Hij kan de káás niet eens vinden.)

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next