Home

Ik vroeg een van de kerkgangers of er ook liberale joden zijn in Gibraltar. ‘O, nee! In deze tijd?’


We waren dus in Gibraltar, een rots die als de kop van een potvis uitsteekt in zee. En we stonden in een klein straatje voor de deur van een synagoge. In dit geval de meest actieve van de vier, die in de volksmond de Grote Synagoge wordt genoemd. Een man met een keppeltje op opende de deur en nam ons op. Op deze reis hadden we vele kerken en kathedralen bezocht en het leek erop dat we op een religieuze rondtocht bezig waren.

Voor de Nederlandse literatuur is Gibraltar slechts een voetnoot. In 1963 schreef Gerard Reve zijn beroemd geworden Brief in een fles gevonden. Hij deed dat in kamer 21 van hotel Madrid te Algeciras, het stadje dat aan de Spaanse grens ligt tegenover Gibraltar. Bij mijn weten bestaat dat hotel niet meer, maar Reves ervaring, zittend op een terras met uitzicht over de baai en kijkend ‘naar het gele lichtbaken van het vliegveld van Gibraltar, de lichtjes van de Rots, de uitzichtstorende rij lampen op de kade voor de ijsfabriek, en tenslotte omhoog, in de onbegrijpelijke ruimte, hier even griezelig als in Nederland, maar een stuk helderder’, is nog altijd even accuraat.

Zijn conclusie is ook helemaal Reve: ‘De mensen zouden knusser met elkaar moeten omgaan, hun stadswijken als dorpen bewonen, en ingetogen, zonder zucht naar weelde, moeten proberen te leven, ziedaar de hoofdlijnen van mijn door de aanblik van de Nachtzee opgeroepen Gevoelens, bij welke zich nog de overweging voegde dat, hoe machtig de Satan ook mocht zijn, hij zich eens aan God zou onderwerpen, zich met Hem verzoenen en Hem uit eigen, vrije wil en liefde zou dienen.’

Over de auteur
Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Gerards ex-vrouw Hanny Michaelis moet daar ook bij zijn geweest. In 1969 publiceerde zij de gedichtenbundel De rots van Gibraltar, waarin wij onder meer deze regels terugvinden: ‘Driehoog in de Amsterdamse/ binnenstad denk ik terug/ aan de rots van Gibraltar/ een flonkerend speldenkussen/ door de zee omhoog getild/ naar laag hangende sterren.’

Maar nu stonden wij voor de deur van de Grote Synagoge. ‘Vanavond is hier een dienst’, zei de man met het keppeltje, ‘als u hier precies om 5 voor 7 weer staat, zal ik voor u opendoen.’

Klokslag 5 voor 7 stonden we op de afgesproken plek. De deur zwaaide open. Eenmaal binnen werden we goedgekeurd door een man die ik meende te herkennen als de opperrabbijn, omdat hij een lange witte baard droeg, alsmede een zwart pak, zwarte das en zwarte hoed. Ik verontschuldigde mij dat ik geen keppeltje had en mocht mijn blauwe pet ophouden. Mijn metgezellin, die van katholieke huize is en mij op onze reis door Spanje en Portugal heeft onderwezen in het nut van ouwels, wijwater en wierookvaten, had een keurige sjaal om. Maar zij moest wel naar boven, want in de sjoel zitten vrouwen apart.

Van daaruit keek zij neer op de mannen, die luid begonnen te reciteren of te zingen, of heen en weer begonnen te lopen, terwijl sommigen in slaap leken te vallen bij al het sacrale geweld, dat in Hebreeuwse woorden tegen de muren opkroop. Ik moest ineens denken aan mijn moeder, die op een gegeven moment weigerde om nog langer met mijn vader naar de sjoel te gaan, omdat zij de afzondering van de vrouwen niet wenste te accepteren.

Later op de avond zou ik aan een van de kerkgangers vragen of er ook liberale joden zijn in Gibraltar. ‘O, nee!’, antwoordde hij verontwaardigd, ‘in deze tijd? Natuurlijk niet.’

Beneden kreeg ik een thora in handen gedrukt. Helaas ken ik geen Hebreeuws, al weet ik wel dat je die taal niet van links naar rechts, maar van rechts naar links leest. Ik deed dus maar alsof en hoopte niet betrapt te worden. Thuis heb ik wel een Nederlandse vertaling van de Thora, maar die heeft iets bijzonder kinderachtigs. Mozes heet daarin Mosje, nou, dan weet je het wel. Mijn grootvader heette ook Mozes, wat Max werd in de dagelijkse omgang en gelukkig niet Mosje.

Dat het Hebreeuws geen eenvoudige taal is om te leren, heeft ook Gerard Reve ondervonden. Volgens Hanny Michaelis, opgetekend door Nop Maas, heeft de volksschrijver aanvankelijk nog geprobeerd joods te worden, maar vond hij het op een gegeven moment ‘te veel gedoe’. Bij de katholieken hoef je alleen maar gedoopt te worden en klaar is Kees. Toch had het misschien heel anders kunnen aflopen met de Nederlandse literatuur als Reve niet in Lourdes of Fatima was blijven hangen, maar bij een synagoge in Gibraltar had aangeklopt.

Intussen was op de vloer van de synagoge een pandemonium van jewelste ontstaan. Sommigen zagen God, anderen deden – volgens mij – tussen de bedrijven door gewoon zaken. De wet van Mozes is voor velerlei uitleg vatbaar.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next