Als ‘mbo-stad van Nederland’ spreekt Utrecht zich uit tegen de selectiemaatschappij in het onderwijs, waarin hbo en universiteit het ideaal zijn en alles om vaardigheden als taal en rekenen draait. Wethouder Dennis de Vries en roc-bestuurder Johan Spronk vertellen wat zij willen veranderen.
De Utrechtse wethouder van onder meer Wonen en Volkshuisvesting, Jeugd en Jeugdzorg en mbo rolt zijn broekspijp omhoog. Op zijn kuit prijkt een met inkt vastgelegde replica van de Domtoren, voorzien van de tekst ‘Utreg’. Dennis de Vries (40), niet vies van een tatoeage meer of minder, heeft zijn laatste pronkstuk laten zetten in een pop-up-tattooshop onder de Dom, om te vieren dat de befaamde stadstoren na een grondige renovatie eindelijk uit de steigers is.
‘Ik voel nog een tatoeage aankomen’, grijnst Johan Spronk (52), na bestudering van de kuit van de wethouder. De bestuursvoorzitter van ROC Midden Nederland stelt voor om de naam van een van Nederlands grootste mbo-instellingen op borsthoogte bij De Vries te laten vereeuwigen.
Over de auteur
Mark Misérus en Irene de Zwaan zijn nieuwsverslaggevers van de Volkskrant, met als specialisme onderwijs.
De chemie tussen de twee is voelbaar tijdens het gesprek, dat plaatsvindt op de Tech Campus in Nieuwegein, waar opleidingen als hout- en metaalbewerking zijn gevestigd. ‘Jaloersmakend wat deze studenten kunnen’, roepen De Vries en Spronk bijna gelijktijdig uit, als ze de lokalen met imposante apparaten passeren.
Hun bewondering is niet gespeeld. Ze zijn de aanjagers van de missie die Utrecht zich ten doel heeft gesteld, als de zelfverklaarde mbo-stad van Nederland. De kraamkamer van stukadoors, verpleegkundigen, kinderopvangpersoneel en elektriciens moet in status gelijk worden aan het hbo en het wetenschappelijk onderwijs.
Maandag lanceerden de mbo-instellingen in de regio Utrecht een campagne om zich gezamenlijk uit te spreken tegen de huidige selectiemaatschappij. Op Utrecht Centraal kunnen reizigers op een levensgrote petitie een lintje prikken, als ze vinden dat talent en vaardigheden centraal moeten staan in het onderwijs, ongeacht het opleidingsniveau. Binnenkort gaat er een zogeheten position paper naar onder meer de Tweede Kamer en is er een podcastserie te beluisteren: Het beste voor je kind.
De titel is exemplarisch voor de boodschap die het tweetal wil uitdragen. De Vries en Spronk pleiten, kort gezegd, voor een schoolsysteem waarin kinderen niet alleen worden beoordeeld op cognitieve vaardigheden als taal en rekenen, maar ook op talenten die niet direct meetbaar zijn. Creativiteit bijvoorbeeld, of technische aanleg.
Hun boodschap sluit aan bij het recentelijk gepresenteerde regeerprogramma, waarin staat dat er moet worden afgerekend met ‘de opwaartse druk in de samenleving’. Het kabinet streeft naar ‘een onderwijsstelsel dat ervoor zorgt dat alle jongeren op een opleiding terechtkomen die het beste past bij hun talenten’. Hoger is niet altijd beter, luidt het credo.
Toch wordt dit in de praktijk vaak wel zo gezien en ervaren, zowel door leerlingen en hun ouders als door docenten en werkgevers. ‘Vanaf groep 1 wordt er al getoetst en vergeleken’, zegt roc-bestuurder Spronk, die eerder in het speciaal onderwijs en op de Radboud Universiteit in Nijmegen werkzaam was. ‘Inclusief termen als hoger en lager en beter of slechter. Je wordt dus al vroeg in een groepje geduwd, terwijl onderwijs juist de motor voor sociale cohesie is. We willen dat kinderen met elkaar opgroeien zonder die constante vergelijking.’
Wethouder De Vries, refererend aan de tijd dat hij in het Utrechtse basisonderwijs werkte: ‘Als het richting vmbo gaat, dan is het rood. Gaat het richting havo/vwo, dan is het groen. We zijn allemaal onderdeel van die selectiemaatschappij.’
Dat kinderen op het juiste niveau terechtkomen, is belangrijk. Dan is het toch logisch dat ze al vroeg worden getoetst?
Spronk: ‘Het gaat niet om het juiste niveau, maar om wat passend is bij een kind. Nu leggen we alles langs de lat van cognitie. Terwijl creativiteit of sociale competenties ook heel waardevol zijn. Als een leerling goed kan tekenen, zou het mooi zijn als hij daar ook de credits voor krijgt. Dan blinkt zo’n kind ook ergens in uit.’
Misschien is daar wel minder aandacht voor omdat deze competenties minder goed meetbaar zijn?
De Vries: ‘Dat maakt niet eens zoveel uit. Ik zou willen pleiten voor meer praktijkgerichte vakken in het funderend onderwijs, zodat leerlingen in aanraking komen met vaardigheden die we nu niet meten. Het gaat erom dat zo’n kind zich gezien en gewaardeerd voelt.’
De wethouder begint over zijn twee zoons, die totaal verschillend zijn. De een past goed binnen het schoolse systeem. Hij heeft ‘cognitief talent’, mag de meester helpen, zit in allerlei ‘plusgroepjes’ voor kinderen die meer uitdaging nodig hebben. Thuis kondigde hij al trots aan dat hij ‘slim’ is.
Zijn oudste zoon krijgt op school aanvullende begeleiding. Hij krijgt extra werk mee naar huis, om het allemaal te kunnen bijbenen. ‘Terwijl hij heel creatief en ondernemend van geest is. Alleen wordt daar binnen het huidige systeem niet naar gekeken, dus hij komt met een heel ander beeld over zichzelf thuis dan zijn broertje.’
Sinds dit jaar zijn basisscholen verplicht om groep 8-leerlingen voor hun overgang naar de middelbare school een zo hoog mogelijk schooladvies te geven (‘kansrijk adviseren’). Als gevolg hiervan gaan veel minder leerlingen naar het vmbo-praktijkonderwijs, een teken dat ouders er nog altijd voor knokken dat hun kind naar de havo gaat in plaats van naar het vmbo.
De Vries: ‘Ik heb op zich niks tegen prestatie. Ik heb zelf op hoog niveau gejudood. En in het mbo hebben we Skills The Finals (waarin duizenden meubelmakers, hoveniers en doktersassistenten tegen elkaar strijden, red.). Geweldig toch, die vakgekken? Alleen het mankement in onze huidige samenleving is dat we één talent boven al die andere talenten laten prevaleren.’
Begrijpt u dat ouders willen dat hun kind naar het hbo of de universiteit gaat en later goed verdient?
De Vries: ‘Natuurlijk snap ik dat. Net zoals ik van docenten snap dat ze hierin meegaan, omdat ze nu eenmaal onderdeel zijn van het schoolse systeem. Ze worden afgerekend op de resultaten van hun leerlingen op begrijpend lezen en rekenen. En note to ourselves: daar hebben wij zelf ook wat aan te doen.
‘In de vacatures van de gemeente staat bijvoorbeeld vaak als vereiste: hbo of wo werk- en denkniveau. Iemand met een mbo-diploma denkt dan: dat is niet voor mij. En hoewel dat niet de gedachte van zo’n vacature is, zoals een collega me verzekerde, zie ik die effecten wel in de praktijk terug. Hoe hoger ik in de toren kom waarin ik werk, hoe meer mensen op mij lijken. Plat gezegd: wit, meestal man, hbo- of wo-opgeleid.’
Toen De Vries ruim tweeënhalf jaar geleden begon als wethouder, waren er binnen de gemeente amper stageplekken voor mbo-studenten. Hij stelde voor om twee mbo-studenten in zijn team te laten meelopen. Dat ging niet vanzelf, zegt hij, terwijl hij zijn woordvoerder aankijkt of hij er iets over mag zeggen. Ze knikt hem bemoedigend toe. ‘Nou, het was zogenaamd allemaal moeilijk te organiseren. En wie gaat het dan begeleiden? Ik zei: desnoods doe ik het zelf.
‘Uiteindelijk is het me gelukt. Maar toen we een vacature wilden plaatsen zonder werk- en denkniveau op hbo of wo, was het: ‘computer says no’. Je moest in dat systeem een opleidingsrichting invullen. Vervolgens kreeg ik ook nog een discussie met collega’s over het functiehuis. Want wat nu als we mensen zouden aannemen met een mbo-diploma? Past zoiets wel in ons functiehuis?’
Spronk: ‘Ik wil nog even terugkomen op jullie vorige vraag. Ik ben zelf ook vader. Ik snap ergens ook dat ouders willen dat hun kind die hbo- of wo-opleiding doet, want dan kan het een hoger inkomen krijgen. Maar die ouders wil ik meegeven dat het ook gaat over geluk, plezier en welbevinden. We zien dat veel studenten uitvallen in het hbo en wo. Deze studenten hadden misschien wel veel lekkerder in hun vel gezeten op het mbo.’
Hoe krijg je scholen en ouders zover om dat idee te accepteren?
Spronk: ‘Dat is een zaak van de lange adem, dat weten wij ook wel. Maar je moet ergens beginnen. Dus zijn we in Utrecht twee, drie jaar geleden gestopt met het gebruik van termen als hoger en lager onderwijs. Tegenwoordig kunnen ook mbo-studenten meedoen aan de introductieweek, net zoals ze kunnen sporten bij studentensportcentrum Olympos.’
Die aanpak lijkt te werken: in tegenstelling tot andere mbo-instellingen, die kampen met teruglopende leerlingenaantallen, heeft ROC Midden Nederland 4 procent meer aanmeldingen dan vorig jaar. Dit komt ook doordat er elk jaar meer leerlingen instromen vanuit de havo (met en zonder diploma).
Het zit nu eenmaal in onze samenleving ingebakken dat het mbo, hbo en wo verschillend worden gewaardeerd, vervolgt Spronk. Dit leidt volgens hem tot segregatie, die soms pijnlijk zichtbaar is. Denk aan bepaalde zorgverzekeraars die zich in hun marketinguitingen expliciet richten op hogeropgeleiden. Spronk: ‘En in het kader van Leven Lang Ontwikkelen bieden organisaties hun academisch geschoolde werknemers wel scholingsbudgetten aan, maar de schoonmaker niet.’
Nog zo’n voorbeeld uit de praktijk: twee jaar geleden weigerde de eigenaar van het Utrechtse feestcafé De Kneus mbo-studenten binnen te laten – een van hen stapte met haar verhaal naar de media. De gebeurtenis raakte De Vries persoonlijk, geeft hij toe.
Als talentvolle judoka uit Alphen aan den Rijn (De Vries haalde de nationale top) doorliep hij het mbo – sportopleiding Cios in Haarlem – en ondervond hij de klassenverschillen tussen de studieniveaus.
Dat je als mbo-student geen recht had op een ov-jaarkaart bijvoorbeeld, en als hbo- en wo-student wel. ‘Van Alphen aan den Rijn naar Haarlem elke dag met de bus en de trein, dan heb je het over een paar duizend euro per jaar. Dat is ontzettend veel geld voor een student.’
Hoewel hij als ‘stapelaar’ het hbo doorliep en uiteindelijk ook een masteropleiding afrondde, is hij niet vergeten waar hij vandaan komt. En dus nodigde hij de eigenaar van De Kneus uit voor een gesprek op het stadhuis. ‘Toevallig was ik de verantwoordelijk wethouder, maar het ging natuurlijk om de studenten.’
Hoe verliep het gesprek met de kroegbaas?
‘Hij zei: ik zag geen studentenkaart, daarom heb ik die studenten niet binnengelaten.’
Discrimineerde hij mbo’ers?
‘Ik vind het moeilijk om over dit individuele geval te oordelen. Wat ik wel durf te zeggen is dat het nog steeds gebeurt. Ik hoor nog steeds geluiden uit de stad van mbo-studenten die geweigerd worden bij bepaalde uitgaansgelegenheden.’
Welke gedachte zit daarachter?
‘Dat is moeilijk te zeggen, want weet dat maar eens precies aan te wijzen. Die studenten zeggen dat het door hun opleidingsrichting komt.’
Zijn de mbo-studenten zelf ook bezig met het gebrek aan waardering waar jullie je zo voor inzetten?
Spronk: ‘Steeds minder, gelukkig. En dat komt ook doordat er meer havisten in het mbo instromen, op landelijk niveau. In drie jaar tijd is die groep meer dan verdubbeld. We kunnen niet zonder deze vakmensen. Ze leveren een directe bijdrage aan de samenleving.
‘Het Beauty College in Overvecht (wijk in Utrecht, red.) deelt bijvoorbeeld rond de kerstdagen vouchers uit bij de voedselbank, omdat ze willen dat die mensen er dan ook mooi geknipt en verzorgd bij zitten. Die studenten voelen dan aan alle kanten: ik kan iets betekenen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant