Tegenover de patiënt die ik sinds een week dagelijks bezoek in het AMC was een dame komen te liggen die met licht Amsterdams accent sprak en die op een avond zeven gekookte eieren bestelde bij wijze van avondeten.
Een verpleegkundige vroeg: ‘Is dat niet een merkwaardig dieet?’
‘Nee hoor’, antwoordde de dame kwiek, ‘er is weinig wat ik verdraag, maar zeven hardgekookte eieren gaan er altijd in.’
De verpleegkundige liet het er verder bij zitten.
De volgende ochtend was de vrouw met de zeven eieren verdwenen, mijn patiënt zat in een stoel bij het raam, een verpleegkundige naast haar zei: ‘We doen een cognitieve test. Zeg mij na. Het kind liet na middernacht de hond uit in het park.’
Een merkwaardige zin. Wat is dat voor kind?
Daarna moest de patiënt sommen maken. Toen we bij 35 – 7 waren aanbeland, antwoordde de patiënt: ‘Dat gaat u niets aan.’
De verpleegkundige keek mij aan, ik keek snel uit het raam.
Daarna vroeg ze: ‘Kunt u koken?’
De patiënt: ‘Ik kan het wel, maar ik doe het nooit.’
Hiermee was de cognitieve test beëindigd.
‘Ik doe aan die flauwekul liever niet mee’, zei mijn patiënt later.
Iedereen kan patiënt worden, maar je moet er talent voor hebben. Hetzelfde geldt voor minnaar en vader. Iedereen kan het worden, de een speelt de rol met meer verve dan de ander.
Later die dag kwam een mannelijke verpleger op mij af. ‘Hoe heet u ook alweer? Iets met Schippers?’
Weer een cognitieve test. Het bezoek wordt er blijkbaar ook aan onderworpen.
Wim T. Schippers, het lag op mijn lippen. Dergelijke grappen kunnen fataal zijn.
Ik mompelde mijn naam. Met weinig overtuigingskracht maar dat mag in het ziekenhuis.
De verpleegkundige knikte goedkeurend, gaf me zelfs een schouderklopje.
Geslaagd. Zo blijft men nog even patiënt in wording.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns