De wielrenner Tadej Pogacar wint te vaak en te veel en te gemakkelijk. Zaterdag won hij de Ronde van Lombardije. Dat was geen verrassing, het zou een sensatie zijn geweest als Pogacar die koers níét had gewonnen. Zijn grote concurrent in dit soort wedstrijden, de Belg Remco Evenepoel (geen ‘koekenbakker’), werd tweede. Hij was door Pogacar in minder dan 50 kilometer op ruim drie minuten gereden.
Over de auteur
Bert Wagendorp is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Pogacar won eerder Strade Bianche, LBL, Giro, Tour en hij werd wereldkampioen. Gelukkig is hij zo sociaal om een hoop wedstrijden te laten lopen, anders had hij die ook gewonnen. Hij heeft namelijk de onhebbelijke gewoonte de wedstrijden waaraan hij deelneemt te winnen. Om het nog een beetje spannend te houden gaat Pogacar soms zo ver opzettelijk iets doms te doen, zoals in zijn eentje aanvallen op honderd kilometer van de finish. Ook dat helpt niet, hij wint toch.
Meer kan Pogacar niet doen om de anderen ook een kans te geven. Hij zou natuurlijk op een extra zware fiets kunnen gaan rijden, of met versleten banden waardoor hij steeds lek rijdt. Hij zou van start kunnen gaan met een gruwelijke kater. Behalve dat hij ook dan zou winnen, zou het ook van arrogantie getuigen. Het is voor zijn tegenstanders al erg genoeg dat ze hem nooit zien hijgen, ook al loopt de weg met 16 procent omhoog. Aan de finish is Pogacar zo solidair om te zeggen dat hij helemaal kapot is, maar hij is geen groot acteur en je kunt altijd duidelijk zien dat hij er zo fris als een hoentje bij staat.
Vroeger kon je iemand als Pogacar tenminste verdenken van doping. Bij Eddy Merckx, met wie Pogacar altijd wordt vergeleken, was dat het geval – ook omdat hij weleens werd betrapt. De overmacht van sommige atleten is groter dan we kunnen verdragen. De verdachtmaking is een manier om absurde verschillen in kracht te verklaren en daarmee binnen het domein van het begrijpelijke te trekken.
Maar Pogacar gebruikt waarschijnlijk geen dope. Er is tenminste niets dat daarop wijst – behalve dat hij met overmacht wint. Maar er zijn nog geen ploeggenoten geweest die hebben verklaard dingen te hebben gezien die het daglicht niet konden verdragen (zoals bij Armstrong het geval was). Hoewel je daarmee een prijswinnende scoop zou kunnen scoren, is er nog geen serieuze journalist geweest die à la David Walsh de jacht op Pogacar heeft geopend. Er bestaan voor zover ik weet geen medische documenten waaruit zou blijken dat er iets vreemds aan de hand is met Pogacar – bij Armstrong waren die er wel.
Er zijn alleen de watts waarmee Pogacar tegen de bergen opraast en die geen normaal mens kan evenaren noch verklaren. Hij is een uitzonderlijk talent en hij beschikt over ongekende fysieke kenmerken. Hij is een freak of nature voor wie andere fysieke wetten gelden.
Sommige mensen hebben genoeg van Pogacars suprematie. Ze vinden het saai en eentonig worden. Toch doet Pogacar weinig anders dan wat hij volgens de wetten van de topsport móet doen: proberen te winnen. Dat dat zo vaak lukt, valt hem niet te verwijten. Ik ben wel benieuwd hoe lang hij het volhoudt. Er komt zeker een eind aan: de veelwinnaar begint het zelf op zeker moment ook saai te vinden en verliest zijn motivatie – of hij wordt eindelijk verslagen, meestal door de tijd.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns