‘Laat het verleden rusten’, verzuchtte haar moeder vaak. Dat was onmogelijk voor Judith de Kom; het grote onrecht dat haar vader Anton was aangedaan diende ‘rechtgezet’. Pas nadat ze dit levensdoel had bereikt, op 93-jarige leeftijd, kon ze eindelijk rusten.
‘Nu kan ik rusten’, sprak de hoogbejaarde Judith de Kom nog geen maand geleden, kort na de presentatie van haar boek Ik omhels je onafgebroken. Haar levensdoel was bereikt. Samen met haar goede vriendin, filmmaker en schrijver Ida Does, schreef ze het boek vol brieven aan haar vader en andere dierbaren. Ze kon de presentatie nog net meemaken.
Deze zondag overleed de enige dochter van de Surinaamse verzetsstrijder en antikoloniaal schrijver Anton de Kom, in bijzijn van haar naasten. Judith was de laatste van vier kinderen. Broers Ton, Cees en Ad leefden al niet meer. Ze werd 93, twee keer zo oud als haar vader werd.
Over de auteur
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant met bijzondere aandacht voor cultuur, literatuur en de Surinaamse en Caribische koloniale geschiedenis.
Hoe nadrukkelijk aanwezig de afwezige kan zijn, toont het leven van Judith de Kom. ‘Papa, je voetsporen hebben diepe afdrukken achtergelaten’, schreef ze in haar brievenboek. Een leven lang zette de dochter zich in voor erkenning van de strijd en nalatenschap van de vader. ‘Het rechtzetten van onrecht’, noemde ze het.
In 2020 werd haar vader, mede door haar levenslange strijd, opgenomen in de Nederlandse canon. Er volgden een gedenksteen in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, een krans bij de Nationale herdenking op de Dam en excuses van het kabinet voor het leed dat Anton de Kom is aangedaan: verbanning uit zijn geliefde vaderland, hem afschilderen als misdadiger en raddraaier, het meer dan honderd jaar weigeren dit te erkennen.
‘Je kunt wel zeggen dat ik jarenlang door hem geobsedeerd ben geweest’, zei ze onlangs nog in de Volkskrant.
Judith Jacoba de Kom, geboren op 16 maart 1931 in Den Haag, was het vierde kind van Anton de Kom en Petronella (Nel) Borsboom. ‘De hekkensluiter’, zoals ze zei. 13 jaar was ze toen ze haar vader voor het laatst zag. Had ze hem die ochtend van 7 augustus 1944 nog uitgezwaaid vanuit de erker, in het huis in Den Haag? Ze wist het niet meer.
Haar vader kwam nooit meer thuis. Gearresteerd vanwege verzetswerk. Ze herinnerde zich twee mannen van Hitlers Grüne Polizei die kwamen voor een huiszoeking. Een vraag aan haar moeder, bedoeld als gif. Waarom ze met ‘een nikker was getrouwd’. Haar moeders antwoord: omdat ik van hem hou en hem respecteer. ‘Mama zal willen dat jij dit weet’, schreef ze haar vader.
Vanaf die dag sliep ze naast haar moeder in bed. Ze golfde mee op haar moeders ademhaling, bang en vertwijfeld. Soms moest ze haar moeder ’s nachts vasthouden, als die gillend voor het open raam stond.
Zestien jaar zou het duren tot de stoffelijke resten van haar vader in 1960 werden gevonden in een massagraf bij concentratiekamp Sandbostel. Ironisch, vond Judith het, dat haar vader mede werd geïdentificeerd dankzij een deuk in zijn schedel, die hij opliep bij een racistische aanval in Den Haag.
Ze trouwde met Bert Allard, kreeg drie zonen: Hans, Peter en Rob. Ze maakte haar vaders eerherstel tot levensopgave. Altijd was haar vader daar, bij haar in de kamer ‘als een echo die aanhoudend fluisterde’.
Zodra zijn lichaam was gevonden, ging zij op zoek naar zijn geest. Ze moest hem begrijpen, weten wat hem dreef en wat hem gebroken had. ‘Een noodzaak’ noemde ze het vaak, ‘een tweede natuur’. Alsof ze daarmee haar ‘eigen angsten’ zou kunnen bezweren.
‘Laat het verleden rusten’, verzuchtte haar moeder vaak. Dat was nou net wat ze niet kon. Ze moest ‘voelen, omdraaien en de achterkant zien van alles wat papa en wij hadden meegemaakt’. Dus las ze wat ze vinden kon, in archieven, thuis, verzameld en bewaard. Ze zocht mensen op, in Suriname, bestudeerde de taal, de poëzie.
Ze begon lezingen te geven. Haar eerste in 1968, in Paramaribo. Het had ‘een betoverende werking’ op haar. Zo zou het blijven voelen. Alsof hij naast haar stond als ze voordroeg. Uit zijn beroemdste werk, Wij slaven van Suriname. Of het versje uit haar eigen poëziealbum dat haar vader schreef.
‘Suriname, ons vaderland!’ al in de eerste regel. Als 9-jarige snapte ze ‘er werkelijk niets van’. Had zij weer, zo’n vader. Waarom geen versjes zoals anderen schreven? ‘Tip-tap-top, de datum op z’n kop.’
Je hebt de geest van je vader overgebracht, zei dichter Shrinivási haar ooit. Hij gaf haar een lotusbloem, die ze tussen haar Surinaamse ‘schatten’ in haar seniorenappartementje in het Brabantse Mierlo bewaarde. Schilderijen, houtsnijwerk, zelfs een opgezette babykaaiman, die ze uiteindelijk weggaf. En honderden boeken, waarvan ze een groot deel schonk aan een schoolbibliotheek in Suriname.
In het boek ook een brief aan haar 9-jarige zelf: ‘Later Judith, zul je het morele leed van je vader, (...) elke dag, beetje bij beetje snappen. In de diepte voelen. (..) Judith, je hebt nog steeds een 9 in je leven. Alleen staat er nu een 3 achter. We zijn altijd samen. Compleet.’
Voor anderen was hij een icoon, voor haar en haar broers een vader die voor het slapengaan een spannend Anansi-verhaal vertelde. En altijd op het hoogtepunt stoppen. ‘Tamara m’e go moro fara.’ Morgen verder.
Voor de onthulling van de gedenksteen in de Nieuwe Kerk moest ze een eind met haar rollator lopen, de seniorentaxi kon niet dichterbij stoppen. Ze kwam binnen toen iedereen al zat. Met luid applaus werd ze ontvangen.
Haar favoriete Anansi-tori (‘verhaal’ in het Sranan) was Purperhart en de rode mier, vertelde ze Volkskrant-journalist Margriet Oostveen in 2022. Over een rode mier die een achterban organiseert en het opneemt tegen een knappe maar hoogmoedige boom. Judith de Kom werd overal ontvangen als koningin, observeerde Oostveen. Maar eigenlijk was ze de mier.
3x Judith de Kom
‘Zeven zwarte kistjes werden gedragen naar een zachte rustplaats op het Ereveld in Loenen. Iedereen leek te accepteren dat jouw resten daarin waren. Maar ik? Ik voelde de onrust van een onbestemd ongeloof nog tijden stromen. (...) Dag dag dag papa. Ik ben met je meegereisd tot het eind. Ik omhels je onafgebroken, Judith’, uit Ik omhels je onafgebroken.
‘Ik beleefde koortsachtige jaren waarin ik mensen, die jouw pad hadden gekruist, opsnorde, belde, schreef en opzocht. Ordners vol aantekeningen, krantenknipsels, adressen en telefoonnummers rusten als een schat, binnen handbereik, in mijn kleine werkkamer. Ze zijn getuigen van een mysterieuze drang om alles vast te leggen en jou daarmee dichtbij te brengen’, uit Ik omhels je onafgebroken.
‘Het is jammer dat hij dit zelf niet meer mee heeft gemaakt’, zei haar broer Ad. ‘Maar wij wel, Ad, wij wel’, antwoordde ze hem in Ik omhels je onafgebroken.‘De glorieuze slotakkoorden van onze familiegeschiedenis hebben we samen beleefd. Papa is in ere hersteld. Eindelijk, eindelijk heeft onze pijn betekenis gekregen. Het is gezien. En erkend.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant