Home

Waarom kiezen we massaal voor een interieur dat niets zegt over onszelf?

Zwarte stalen deuren, een visgraatvloer en beige meubels. Vaak zegt een interieur niets over de persoonlijkheid van de bewoners. Als huisinrichting een vorm van zelfexpressie kan zijn, waarom zou je dan kiezen voor generiek?

Er is een spelletje dat je vrijwel alleen in Nederland kunt spelen. Het heet ‘naar binnen kijken en fantaseren wie er woont’, en ik doe het graag tijdens avondwandelingen door de stad.

Nergens ter wereld maken mensen zo weinig gebruik van gordijnen, rolluiken en vitrage als hier. Dat schijnt iets te maken te hebben met onze calvinistische inborst (‘Wij gedragen ons netjes en hebben daarom niets te verbergen’) en een in de 17de eeuw gecultiveerde pronkzucht (‘Kijk eens wat ik in huis heb staan’).

De ‘gordijnen open’-cultuur komt volgens promotieonderzoek uit 2006 ook voort uit een verlangen naar verbinding met de buitenwereld. Alleen in Nederland kunnen zulke tegengestelde beweegredenen samenkomen in één traditie. Maar wat laten Nederlanders van zichzelf zien door die gordijnen open te laten?

Ik kan dit betalen

Ik gluur stiekem naar binnen en zie uitpuilende boekenkasten, door spotjes extra verlicht. Wonen hier toegewijde lezers, driftige bibliofielen of gewoon dikdoeners? Soms hangt er een racefiets midden in de woonkamer. Waarom hangen mensen die aan de muur? Is het een soort mannelijke lokroep: ‘Attentie, hier woont geen vrouw, want die zou dit nooit toestaan?’ Of geeft de fiets aan de muur een waarschuwing af: ‘In dit huis draait alles om mijn hobby’s’?

Steeds vaker geven woonkamers geen enkele hint over de bewoners. Dit zijn de gehekelde interieurs met vis- of walvisgraatvloeren, Scandinavisch ogende meubels en een hagelwit of juist een zwart keukenblok. Aan de muur hangt een tijdloze poster, zoals Blauw Naakt II van Matisse. Wie zijn deze mensen, die geld en moeite hebben gestoken in een generiek interieur? Als huisinrichting een vorm van zelfexpressie kan zijn, waarom besluiten sommige mensen dan dat ze met de chic­ste materialen liever niets méér over zichzelf zeggen dan: ik kan dit betalen?

Ontdoen van persoonlijke details

Eerder dit jaar schreef Volkskrant-verslaggever Gidi Heesakkers een vermakelijk stuk over een oprukkend beroep: vastgoedstylisten. Die maken huizen ‘verkoopklaar’ door ze te ontdoen van persoonlijke details en te decoreren met spullen die het gevoel van een luxe hotel uitstralen: beige en grijze meubels, zandkleurige sierkussens op een opgemaakt bed. En een flacon Aesop-zeep op het aanrecht blijkt onmisbaar voor de verkoop van je huis.

In het stuk wordt verwezen naar de Amerikaanse journalist Kyle Chayka, auteur van Filterworld – How Algorithms Flattened Culture. Volgens Chayka (eerder geïnterviewd door deze krant) rukt door dwingende algoritmen van bedrijven als Foursquare en Pinterest overal dezelfde inrichting op, van koffietentjes en gedeelde werkruimten tot woonkamers.

‘Airspace’, noemt Chayka de soort generieke, steriele plekken, die door een geglobaliseerde ‘internetsmaak’ niet gebonden lijken aan geografische grenzen (het woord ‘Air’ is een knipoog naar Airbnb).

Het streven naar ‘Airspace’ is begrijpelijk als het om de verkoop van je huis gaat: je wilt mensen niet afschrikken met een vitrinekast vol pierrotclowns of Oost-Nigeriaanse dodenmaskers aan de muur. Maar waarom zou je kiezen voor een identiteitsloos interieur in je eigen huis?

Millennial aesthetic

Sociale media lijken daarbij een katalysator voor zowel verscheidenheid als eenheidsworst. Er is onder een nieuwe generatie TikTok- en Instagramgebruikers meer aandacht voor woondesign dan ooit. Tegelijkertijd wordt vormgeving door algoritmen steeds eenduidiger.

Zo domineerde lange tijd de zogenoemde ‘millennial aesthetic’. Die stijl laat zich omschrijven als: roze muren, zachte meubels en terrazzotegels op de vloer. De stijl ging zo overheersen dat New York Magazine-journalist Molly Fischer zich in 2020 beklaagde over ‘de tirannie van terrazzo’.

Sindsdien is er een tegenreactie merkbaar, met name op TikTok, waar in razend tempo de ene ‘microwoontrend’ de andere opvolgt. Van ‘Scandi maximalism’ (een combinatie van Scandinavische meubels en knalkleuren) tot ‘Cottagecore’ (pasteltinten, Laura Ashley-behang en veel zelfgebakken potten). Ze lijken te beloven dat er voor íédereen een unieke stijl is, maar volgens critici wakkert al die ‘TikTok-esthetiek’ vooral de koopwoede aan.

Persoonlijkheid laat zich niet stylen of aanschaffen, het sluipt als het goed is met de jaren een wooninterieur binnen.

Focus op persoonlijke objecten

In het boek How to Live With Objects (2022) moedigen Monica Khemsurov en Jill Singer, oprichters van het invloedrijke Amerikaanse designplatform Sight Unseen, de lezer dan ook aan het idee van een ‘perfect ingericht interieur’ los te laten. De focus moet liggen op objecten die persoonlijke herinneringen of associaties oproepen. Zie die vazen, kussens of tafels als de stilzwijgende medebewoners die jouw huis karakter geven.

Sommige ontwerpers gaan nog een stap verder en claimen dat je inrichting kan leiden tot zelfontplooiing. Volgens de Oostenrijkse interieurontwerper en youtuber Ana Marcu zou elk item in je huis ‘een baken moeten zijn dat naar je ideale zelf leidt’. Dat ideale zelf kun je volgens haar ‘activeren’ door in je huis zoveel mogelijk elementen te verzamelen die doen denken aan plekken waarin jij je het meest op je gemak hebt gevoeld.

Maar alle ambities over zelfrealisatie ten spijt, wordt er massaal gekozen voor een interieur dat niets zegt over een specifiek ‘zelf’. Jeroen van Zwetselaar, eigenaar van een interieur- en architectuurbureau met dezelfde naam dat opereert in het hoge segment, herkent de toenemende eenvormigheid in interieurland.

‘Ik hoor collega’s weleens afkeurend praten over die visgraatvloer en zwarte stalen schuifdeuren, dat is ook tenenkrommend. Terwijl zij soms hetzelfde doen, door terug te vallen op de populaire combinatie van wabi-sabi (Japanse eenvoud, red.) en Scandinavisch design, of de vergelijkbare trend Japandi, allemaal ook terug te zien op Funda. Ik begrijp dat zo’n herkenbare stijl houvast kan geven, maar ik kan er soms een beetje jeukerig van worden.’

Meer eigenheid graag

Volgens Van Zwetselaar, en met hem de ontwerpers die in deze designspecial aan het woord komen, mag (woon-)design wel wat meer eigenheid uitstralen. ‘Ik wil dat huizen zijn aangepast aan de levens van de mensen die er wonen, en dat hun persoonlijkheid tot uiting komt. Bij mij hangt er bijvoorbeeld een grote surfplank aan de muur, om mezelf te herinneren aan wat voor mij belangrijk is.

‘Bij een andere klant heb ik een viool met twee spijkertjes aan de muur gehangen, omdat hij veel vaker wil spelen, maar daar in de snelheid van zijn leven niet altijd aan toekwam. Je moet de flow, de beweging en de dromen van echte mensen zien te vangen in de inrichting.’

Irene Cieraad, onderzoeker aan de TU Delft en auteur van het boek Honderd jaar wonen in Nederland , brengt graag wat relativering aan. Nederlandse woonhuizen zijn nooit erg uniek ingericht geweest, ze gelooft ook niet echt in ‘persoonlijke interieurs’, dat streven vindt de onderzoeker zelfs een beetje snobistisch: ‘Alles wat uit de winkel komt, is in principe onpersoonlijk’, stelt Cieraad droogjes. ‘Wat je op je meubels projecteert, is dan weer wel persoonlijk.’

Maar wat Nederlandse interieurs van oudsher wel doen, zegt Cieraad, is een inkijkje geven in de maatschappelijke positie van de kostwinnende bewoner. ‘Men sprak in de vorige eeuw van arbeidershuizen en middenstandsinrichtingen. En soms kopieerde de arbeidersklasse een bepaalde stijl van de elite’, zegt Cieraad.

‘De rijk gestoffeerde 19de-eeuwse interieurs van de elite, met kroonluchters, spiegels en veel verguldsel, werden alom bewonderd. In de 20ste eeuw zag je een goedkope vertaling in het Jordaan-interieur met klatergoud en nepantiek. De bewoners voelden zich zo een koning in hun paleisjes op driehoog.’

Stijlhervormers

Volgens Cieraad is de Nederlandse woongeschiedenis doorspekt met cultuurstrijd. Als voorbeeld geeft ze de ‘stijlhervormers’, een groep kunstenaars en ontwerpers uit de eerste helft van de vorige eeuw, die zich verzetten tegen de ‘Oud-Hollandse’ inrichting, op dat moment heel populair.

Cieraad: ‘Die inrichting zat vol verwijzingen naar de 17de eeuw, en bestond uit zware eikenhouten meubels met bolpoten, hindelooperstoelen met biezen en Perzische tapijtjes op tafel. Een vol huis spullen, dat was voor arbeiders het luxegevoel.’

Maar de stijlhervormers vonden dit interieur niet ‘eerlijk’. Volgens hen moesten tafel- en stoelpoten vierkant zijn, klatergoud was uit den boze. En al die tapijtjes en dikke gordijnen waren niet hygiënisch, die stonden bol van de huismijt.

Stichting Goed Wonen

Cieraad: ‘Het ‘strakke wonen’ werd populair onder een elite van nieuwe rijken, die geen erfstukken bezaten en zich juist wilden profileren met eenvoud. Stichting Goed Wonen werd opgericht, met als doel de massa ertoe aan te zetten te kiezen voor moderne, eerlijke meubels.’

Stichting Goed Wonen organiseerde stichtelijke tentoonstellingen. Bekend en berucht is de zogenoemde ‘melkflestest’, zegt Cieraad. ‘Die moest overal in huis kunnen staan, zonder te vloeken met de omgeving.’ Als mensen de behoefte voelden om melk over te gieten in een tierelantijnig kannetje, dan was hun interieur niet industrieel en kaal genoeg.’

Overigens liet de arbeidersklasse zich helemaal niet vertellen hoe ze hun huis moesten inrichten en ook de families met ‘oud geld’ taalden niet naar ‘strak en sober’.

Uiteindelijk werd Ikea de grote gelijkmaker in de Nederlandse huishoudens, en werden huizen eentoniger door een toename aan sociale gelijkheid. Zelf leest Cieraad tegenwoordig het een en ander af over de bewoners aan de boeken in de kast: ‘Die geven toch een beetje een inkijk in de ziel.’

Bookshelf wealth

Daarmee sluit de antropoloog onbewust aan bij een veelbesproken woonhype van 2024: ‘Bookshelf wealth’. Volgens deze trend moet je de muren van je huis volhangen met kunst en persoonlijke herinneringen, en vul je de (inbouw-)kasten met zorgvuldig gecureerde boeken.

‘Bookshelf wealth’ beschrijft in soms wat omslachtige Gen-Z-taal feitelijk een huis waar mensen wonen, met voorkeuren. Mensen die weleens een souvenir hebben gekocht en die boeken lezen. ‘Is dit de meest authentieke trend van 2024?’, kopte de Amerikaanse Vogue begin dit jaar. Het blad bejubelde de trend als ‘de tegenkracht van een groeiend online bestaan’.

Natuurlijk valt ook op ‘Bookshelf wealth’ van alles af te dingen. Je moet alsnog behoorlijk bemiddeld zijn om al die kunst en boeken te kunnen kopen. En lang niet iedereen heeft van die chique inbouwkasten die doen denken aan de filminterieurs van Nancy Meyers (The Holiday, Something’s Gotta Give).

Is dit niet een nieuwe versie van ‘quiet luxury’, het subtiel pronken met geld en status? Literatuurliefhebbers ergerden zich ondertussen weer aan de ‘gecultiveerde’ boekencollecties. Een echte lezer maakt geen selectie van mooie boeken en maalt er al helemaal niet om hoe ze zijn uitgestald.

Maar in de ‘Bookshelf wealth’-trend kun je ook een bemoedigende hang ontwaren naar naar woonkamers die uitstralen: het is hier géén luxe hotel, hier wonen echte mensen, die wel eens een boek lezen.

Persoonlijk hoop ik dat de ‘Bookshelf wealth’ zich verspreidt over ons land, al is het maar omdat kunst aan de muur en volle boekenkasten een statement zijn naar een kabinet dat de belasting op kunst wil verhogen. En omdat inrichting je leven wel degelijk een beetje kan veranderen, al is het maar in je eigen hoofd.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next