Home

‘Ons eerste huis in Canada was een verbouwd kippenhok’

Nel Diepeveen is 100 jaar. Hoe kijkt zij aan tegen de eeuw die achter haar ligt, en waarom emigreerde ze ruim 70 jaar geleden met haar jonge gezin naar Canada?

Neeltje Diepeveen woont in het Canadese Surrey, in Elim Village – een fraai aangelegd ‘dorp’ voor ouderen met vrijstaande woningen en woontorens met appartementen en kamers. Alle vormen van zorg, van ambulant tot intensief, zijn er voorhanden, evenals vermaak, wellness- en sportfaciliteiten, geestelijke steun, een apotheek, winkel, restaurant en kerkzaal. De 100-jarige Neeltje emigreerde in 1953 met haar jonge gezin naar Canada en heet sindsdien ‘Nel’. Al 22 jaar woont ze in Elim Village, eerst zelfstandig, met haar man en sinds kort in het gebouw waar intensieve zorg wordt verleend. Ze spreekt Engels met een zwaar Nederlands accent en is de harde g-klank niet verleerd, blijkt als ze de naam van haar geboortedorp uitspreekt: Scheveningen. Haar dochter Elisabeth is op de fiets – een zeldzaam verschijnsel in het stadsverkeer in Canada – naar haar moeder gekomen om bij het interview aanwezig te zijn, wat op een gevoelig moment heel goed van pas blijkt te komen.

In wat voor omstandigheden bent u opgegroeid?

‘In een erg arm gezin in Scheveningen. Mijn vader was visser. Tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte hij lange tijd vermist. Na zijn terugkeer ben ik geboren, als nakomertje, mijn moeder was toen al in de veertig. Tussen mij en mijn jongste broer boven mij zat tien jaar. Mijn oudste zus had al een baby voordat ik werd geboren.

‘Er gingen verschillende verhalen rond over de vermissing van mijn vader. Een was dat hij met de bemanning van de vissersboot gevangen was genomen door de Engelsen omdat ze in Engelse wateren aan het vissen waren. In Engeland zouden ze zijn opgesloten in een kamp. Na zijn thuiskomst besloot mijn vader te stoppen met vissen, hij had te veel collega’s zien verdrinken. Hij bleef aan wal en ging vis verkopen, in de haven en op straat, met een kar getrokken door eerst een hond en later een fiets. Op de veiling kocht hij vooral harinkies en schol.

‘Dankzij het inkomen van mijn twee oudere zussen en twee broers konden we verhuizen naar een grotere woning in een nieuwe wijk in Loosduinen, een buurt met veel grote katholieke gezinnen. Mijn vader begon er een viswinkel aan huis. Op straat werd ik uitgescholden – Holland staat bekend om zijn scheldwoorden. De kinderen op straat noemden mij ‘schollekop’ en ‘schellevis’. Ik stonk naar vis, zeiden ze, en had weinig vrienden en vriendinnen.’

Hoe was dat voor u?

‘Als kind voel je je dan genegeerd, verwaarloosd en alleen. Ik was een jaar of 7 toen ik iets bedacht waarmee ik vrienden hoopte te maken. Het viel mij op dat kinderen gek waren op ijs. Uit de kassa van onze winkel pikte ik geld en kocht daarvan ijsjes om uit te delen. Die middag had ik veel vrienden. De ijsverkoper vond het vreemd, zo’n klein meisje met zo veel geld en lichtte mijn ouders in. Dat was dus eens en nooit weer.

‘Mijn vader stierf toen ik 8 jaar was aan een infectie in zijn nek, penicilline was er in die tijd nog niet. De hele familie ging naar hem toe in het ziekenhuis, ik mocht niet mee en werd alleen achtergelaten in huis.’

Hoe redde uw moeder zich na het overlijden van uw vader?

‘Zij hield altijd van een grapje, maar na zijn dood werd ze stil en neerslachtig. Ze nam de viswinkel over, maar de verkoop ging niet goed. We kregen geld van de regering. Mijn moeder ging huishoudelijk werk doen in andere gezinnen. Als ik thuiskwam uit school was ze er vaak niet, de huissleutel lag altijd verstopt tussen het raamkozijn en het horretje, zodat ik erin kon. De huur van onze woning werd onbetaalbaar, dus verhuisden we naar een kleinere woning, waar moeder in de woonkamer van alles verkocht: dropjes, theezakjes, koffie. Het was een tijd van bittere armoe. Mijn schoenen waren te klein omdat er geen geld was voor nieuwe. Kleren waren tweedehands, afdankertjes van een rijk gezin waar een zus als dienstmeisje werkte.’

Wat deed u besluiten naar Canada te emigreren?

‘Op de jeugdclub van de katholieke kerk had ik voor de oorlog uitbrak Dirk leren kennen. Hij was 16, bijna 17 toen de Duitse bezetter in januari 1945 een nieuwe oproep deed voor verplichte tewerkstelling in Duitsland; nu moesten zelfs jongens van 17 jaar die kant op. Dirk wilde niet. Iemand bood hem aan zijn geboortedatum in zijn persoonsbewijs te veranderen, zodat hij een jaar jonger leek. Met zijn vervalste identiteitskaart op zak vertrok Dirk per trein naar familie op een boerderij in het noorden van het land. Onderweg controleerde een Duitse soldaat zijn persoonsbewijs en zag dat ermee geknoeid was. Dirk werd opgepakt en kwam in Kamp Amersfoort terecht. Broodmager keerde hij bijna drie maanden later, in maart 1945, terug.

‘Vijf jaar na de oorlog trouwden we. Met onze twee kleine kinderen woonden we in een veel te kleine woning. Er was geen zicht op verbetering de komende jaren, want de woningnood was groot in Nederland. Emigreren was voor ons daarom geen moeilijke beslissing. In de jaren vijftig zag je overal advertenties over Canada en je hoorde radiospotjes met oproepen er te gaan wonen en werken omdat daar genoeg huizen en banen waren. Dirk wilde vooral weg om zijn ervaringen in Kamp Amersfoort achter zich te laten. Daar heeft hij zo geleden. Mijn man had last van ptss (posttraumatisch stresssyndroom, red.). Hij moest vaak huilen en werd elke nacht schreeuwend wakker.

‘We waren de enigen van beide families die emigreerden. In 1953 vertrokken we met onze twee kleine kinderen, de oudste was een jaar en de jongste vijf maanden. De overheid stimuleerde emigratie en betaalde een deel van de kosten van onze vliegtickets.’

En, wachtte in Canada inderdaad een beter leven?

‘We kwamen terecht aan de rand van Edmonton in Alberta, waar veel Nederlandse emigranten naartoe trokken. Het huis dat ons was beloofd, bleek een verbouwd kippenhok bij een voormalig boerenbedrijf, geen verbetering ten opzichte van Nederland. De wegen in Edmonton waren modderig want nog niet verhard; het kostte mij moeite erdoorheen te komen met de kinderwagen. Die eerste jaren was ik veel alleen met de kinderen, omdat mijn man als elektricien werkte aan grote projecten ver van huis en alleen in het weekend thuiskwam.’

Welke kampervaringen hoopte uw man door te emigreren achter zich laten?

‘Daar ga ik je niks over vertellen.’

(Nel Diepeveen keert haar hoofd met een snelle draai af van het bezoek en sluit haar ogen – ook de non-verbale boodschap is duidelijk.)

Haar dochter Elisabeth vertelt buiten gehoorafstand en het zicht van haar moeder in vogelvlucht welke angstdromen haar vader Nederland deed verlaten.

Na zijn arrestatie in de trein op 3 januari 1945 werd de 16-jarige Dirk in verschillende kampen gedetineerd, ruim drie weken daarvan in het beruchte Kamp Amersfoort. Het regime in dit concentratiekamp voor verzetsstrijders, communisten, Joden, zwarthandelaren en mannen die hadden gepoogd aan dwangarbeid in Duitsland te ontkomen, stond bekend als wreed; veel gevangenen werden mishandeld, getreiterd en geëxecuteerd. Ook Dirk werd geslagen. In de vrieskou moest hij hout hakken in het bos, waarbij zijn handen bevroren. Tijdens een van de vele en langdurige appels keek hij met andere gedetineerden ongewild toe hoe een medegevangene werd doodgeslagen, omdat die het niet volhield zo lang te blijven staan. Met een groep gevangenen werd de tiener in februari op een trein naar Duitsland gezet, voor dwangarbeid. Onderweg zag hij hoe mannen die wanhopig de trein uit sprongen, meteen de kogel kregen.

In een Duits kamp waar hij vervolgens werd gedetineerd, liep Dirk dysenterie op. Hij kon zijn ontlasting niet ophouden en werd gedwongen die van de grond op te eten. De doodzieke Dirk werd opgenomen in een ziekenhuis, waar een verpleegkundige hem hielp ontsnappen met vervalste papieren. Te voet liep hij ziek en moederziel alleen terug naar huis, bang de tocht niet te zullen overleven. Om zichzelf moed in te praten, zong hij steeds hetzelfde lied, over gevangenen die worden vrijgelaten.

Evenals veel andere oorlogsslachtoffers, hield ook Dirk bij terugkeer in Nederland zijn mond over wat hij had meegemaakt. Niemand toonde interesse in zijn ervaringen tijdens de detentie, zelfs zijn eigen familie niet. Achtervolgd door zijn onverwerkte traumatische ervaringen, ontstond zijn verlangen Nederland de rug toe te keren.

Maar met de emigratie naar Canada verhuisde zijn trauma mee. Dirk zou zijn leven lang – dat 95 jaar duurde – kampen met depressies, hoofdpijn en stress. Elke nacht had hij nachtmerries, overdag herbelevingen. Zijn vrouw Neeltje leed al die jaren met hem mee, ze kon zijn gruwelijke herinneringen op een gegeven moment niet meer aanhoren en de nachtmerries niet meer verdragen – en overwoog een paar keer bij hem weg te gaan. Het bleef bij een verhuizing binnenshuis, naar een andere slaapkamer. In het gezin moest Neeltje altijd de sterkste zijn – zij was de basis en regelde alles. Van de vele behandelingen die haar man in Canada kreeg, hielp uiteindelijk alleen de visuele traumatherapie EMDR, op zijn 69ste, waarna zijn nachtmerries verdwenen. Maar de flashbacks en paniekaanvallen overdag namen toe. Het is hem nooit gelukt zijn kampervaringen uit zijn gedachten te krijgen.

In december vorig jaar overleed Dirk. Voor Nel is het hoofdstuk van zijn oorlogstrauma en hoe dat hem én haar decennialang bleef achtervolgen nu verleden tijd.

Bij terugkeer in haar kamer ligt de 100-jarige op haar bed, in diepe slaap. Aan de muur boven haar hangt een portret van een blozend stel, van haar en Dirk, haar jeugdliefde die ze 73 jaar lang trouw bleef.

Neeltje (Nel) Diepeveen

geboren: 22 februari 1924 in Scheveningen

woont: in een verpleeghuis in Surrey, Canada

beroep: huisvrouw en coupeuse

familie: vier kinderen, 11 kleinkinderen, 16 achterkleinkinderen

emigratie naar Canada in 1953

weduwe sinds 2023

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next