Home

Waarom blijft het wielrennen zo gevaarlijk? Een terugblik op vier jaar verslaggeving

Het wielerseizoen op de weg eindigt zaterdag traditiegetrouw met de Ronde van Lombardije en daarmee besluit Robert Giebels vier jaar wielerverslaggeving voor de Volkskrant. ‘Mijn grote liefde voor wegwielrennen is de afgelopen jaren wel op de proef gesteld.’

Het gaat steeds maar net goed en soms gaat het helemaal fout: een wielerpeloton dat zich na een vlakke rit opmaakt voor de massasprint. Met tussen de 60 en 70 kilometer per uur zetten minstens honderd flinterdun geklede renners koers naar de oude, pittoreske binnenstad van de finishplaats. Het gemeentebestuur heeft flink betaald voor de exposure.

De camera op de motor die voor de op hol geslagen kudde uit rijdt, filmt de obstakels die op de broodfietsers liggen te wachten: hoge stoepranden, rondom rotondes hekken met uitstekende pootjes, slecht wegdek met sleuven waarin precies een wiel past, verkeersdrempels en wegversmallingen en dan, kort voor de finish, waar positioneren het verschil tussen winst en verlies bepaalt, een weg die naar beneden loopt.

Over de auteur
Robert Giebels is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft over wielrennen en Formule 1.

Een bekentenis: ik durf er niet meer naar te kijken. Althans, bijna niet. Ik houd mijn handen voor mijn ogen en kijk tussen mijn vingers door of het goed afloopt.

Bijna vier jaar mocht ik wielerverslaggever voor de Volkskrant zijn. Een geschenk dat ik dankbaar heb uitgepakt; fietsen – actief en passief – is mijn grote passie. Bovendien kun je het als sportjournalist niet beter treffen dan met wielrenners. Het zijn vrijwel zonder uitzondering toegankelijke en aangenaam bescheiden vrouwen en mannen, die houden van hun sport en goed kunnen verwoorden wat hen drijft.

Mijn grote liefde voor wegwielrennen is de afgelopen jaren wel op de proef gesteld. In bijna elke koers die ik zag, vielen meerdere renners. De internationale wielerunie UCI bevestigt dat valpartijen elk jaar talrijker worden met steeds grotere schade aan de mannen en vrouwen die naar het asfalt gaan. Jonas Vingegaard, die als tweevoudig Tourwinnaar jonge renners zou moeten inspireren, wil niet dat zijn kinderen gaan wielrennen.

Geen oog voor de renners

Hij was slachtoffer in een van de twee grote valpartijen in België en Spanje die er dit jaar uitsprongen. Vier van de zes beste renners van de wereld liepen, samen met een heleboel iets minder bekende profs, zwaar tot zeer zwaar letsel op, van schaafwonden tot klaplongen en alle botbreuken er tussenin.

In de vroege voorjaarswedstrijd Dwars door Vlaanderen ging het flink mis toen iedereen op een brede weg versnelde om vooraan te zitten voor het smalle weggetje naar rechts de Kanarieberg op. Opmerkelijk: dezelfde passage was uit de Ronde van Vlaanderen gehaald, omdat ze te gevaarlijk was.

In de Ronde van het Baskenland, begin april, hadden boomwortels het asfalt in een bocht van een snelle afdaling omhoog geduwd en van de weg een ongelijk wasbord gemaakt. De organisatie was gewaarschuwd voor het gevaar, maar deed niets: geen aanpassing van de route, geen stootkussens, geen waarschuwingsborden.

Al die ellende was er volgens mij niet geweest als de organisatoren zich hadden ingeleefd in wielrenners die willen presteren, onder druk staan en zich goed willen positioneren. Het ontbrak aan empathie en werkelijke compassie voor renners zonder wie er geen ‘Dwars’ of ‘Baskenland’ zou zijn.

Geen enkele coureur wil vallen en geen toeschouwer langs de kant van de weg of tv-kijker geniet van gekwetste sporters, hoop ik. Dus horen valpartijen niet thuis in deze sport en doet iedereen er alles aan om ze uit te bannen. Toch?

Berusting

Was het maar zo simpel. Er zijn meerdere verantwoordelijke partijen zoals wedstrijdorganisaties, de UCI en de steeds fittere renners, die op steeds beter materiaal, wetenschappelijk begeleid, elke koers steeds sneller afleggen. En er zijn in hun oortjes schreeuwende ploegleiders, die weer te maken hebben met veeleisende sponsors – vrijwel de enige bron van inkomsten voor een ploeg.

Het publiek is ook partij. Toeschouwers staan uren te wachten om het peloton te zien, horen en voelen passeren. Velen verspillen die paar mooie tellen door de renners de rug toe te keren. Ze maken een selfie of zwaaien met kartonnen borden naar de vooruitrijdende camera-motor. Ze hebben geen benul van de snelheid van de wielrenners achter zich – Sepp Kuss kreeg zo een telefoon in zijn gezicht.

Vallen en wielrennen horen nu eenmaal bij elkaar, heet het. Een gebroken sleutelbeen is toch ook een beetje een trofee, een bewijs van inwijding. Video’s van over elkaar buitelende profs, gefilmd met kleine camera’s op de fiets van een van hen, doen het goed op sociale media.

Sportzenders prijzen de komende koers aan met valpartijen in de vorige – beelden van ongelukken met renners vinden tv-kijkers onweerstaanbaar. Eurosport toont voor en na elk reclameblok een bijna-val van een renner in een afdaling – pikant gezien de drie jonge renners die recentelijk na een ongeluk in afdalingen zijn overleden.

‘Het gevaarlijkste aan onze sport zijn de renners zelf’, zei Mathieu van der Poel dit jaar voordat hij met een recordsnelheid van bijna 48 kilometer per uur gemiddeld Parijs-Roubaix zou winnen. ‘Wij nemen de risico’s. Iedereen wil op hetzelfde moment voorop zitten en dat gaat gewoon niet.’

Richard Plugge, baas van wielerploeg Visma-Lease-a-Bike-zit meer op de lijn van het olympische motto citius, altius, fortius – sneller, hoger, sterker –, het wezen van sport. ‘Je kunt renners niet verwijten dat ze vooraan willen zitten en willen winnen.’ Plugge probeert al jaren een organisatie op te tuigen om wielrennen veiliger te maken. ‘Wij moeten ze een veilige arena geven.’ Die is er nu lang niet altijd.

Met eigen ogen

Voor een wielerverslaggever is de koers het best te volgen via de tv. Dat leerde ik bij de eerste wielerwedstrijd die ik mocht verslaan. Drie plekken op het parcours had ik uitgekozen om de renners langs te zien komen. Magische momenten, maar hoe de koers verliep, wie wat waar deed en waarom: geen idee. Daarvoor had ik tv moeten kijken in de perszaal nabij de finish.

De weg naar die persruimte – vaak een gymzaal – loopt meestal over een deel van het parcours. Dat bood gelegenheid om de kwaliteit te taxeren van de weg waarover de renners enkele uren later moesten fietsen. Veel te vaak was die weg niet best of ronduit ongeschikt, of het nu in België was, in Italië, in Spanje of in Frankrijk.

Ik zag enorme gaten in het asfalt, fijn grind in scherpe bochten, kiezels die van privé-oprijlanen op de weg waren gerold, missende klinkers in klinkerwegen, niet-verwijderde hardplastic paaltjes om rijbanen te scheiden, niet-ingepakte plantenbakken en verkeersborden, schuin de weg opgeschoven dranghekken en richels die functioneerden als goedkope verkeersdrempels, onzichtbaar na een haakse bocht.

In de Tour van dit jaar sneuvelde Primoz Roglic door een betonnen wegafscheiding en kwam groenetruidrager Biniam Girmay stevig ten val op een rotonde waar ik en mijn collega’s eerder hadden gezien dat reclamehekken de weg smaller hadden gemaakt. In de tijdrit verloor Jonas Vingegaard bijna de Tour van 2022 op een kilometerslange pokdalige weg die de schokbrekers van mijn auto zeer op de proef hadden gesteld.

Alsof je uit een auto valt

Dieptepunt was Pontivy, de finishplaats van de derde etappe van de Tour van 2021 en geboorteplaats van UCI-voorzitter David Lappartient. Het eerbetoon aan hem pakte desastreus uit. In de onoverzichtelijke haakse bochten van de smalle, slechte wegen naar het stadje vielen veel renners, onder wie enkele Tourfavorieten.

Vanaf de finish in hartje Pontivy liep ik de laatste 2 kilometer terug en stelde vast dat de weg flink omhoog liep, dus straks flink omlaag voor de renners. En dat na een sprintersetappe. Minder dan een jaar daarvoor was Fabio Jakobsen bijna om het leven gekomen na een vergelijkbare aankomst.

Het ging dan ook mis. Een nauwelijks waarneembaar tikje van sprinter Caleb Ewan op het achterwiel van zijn voorganger en daar lag de Australiër met een viervoudige sleutelbeenbreuk. Dat voelt, schreef ik die dag, alsof je je met 70 kilometer per uur uit een auto laat vallen.

Staking

Elke keer dat ik de afgelopen jaren op een parcours stond heb ik me verbaasd, en eerlijk gezegd ook opgewonden, over de volstrekte desinteresse voor de veiligheid en het welbevinden van de renners die straks over zo’n hemeltergend slecht stuk asfalt vol hindernissen moesten fietsen. Alsof die profs slechts soldaten zijn in een mobiel slagveld waar valpartijen goed zijn voor de kijkcijfers. Waar geldt dat wielrennen nu eenmaal een gevaarlijke sport is.

Een dag na de ‘Slag van Pontivy’ kwam er zelfs na drie Touretappes waarbij vrijwel alle 184 deelnemers minstens een keer waren gevallen, niets terecht van een rennersprotest tegen de gebrekkige veiligheid van hun werkplek. Het peloton bleek verdeeld en ontbeerde een leider – geletruidrager Van der Poel hield zich schuil.

Deze week, drie jaar later, was er wat dit betreft een lichtpuntje. Onder aanvoering van de beste renner van de wereld, Tadej Pogacar – zaterdag huizenhoog favoriet om voor de vierde keer op rij de seizoensafsluiting Ronde van Lombardije te winnen – gingen alle renners na 60 kilometer in staking tijdens de Tre Valli Varesine ten noorden van Milaan. Extreme regenval maakte doorfietsen levensgevaarlijk, vonden ze.

Tegelijk is het veelzeggend dat iedereen toch van start is gegaan. De organisatie had daarop aangedrongen, ondanks een blik op de weersvoorspelling. Het had óók in die 60 gereden kilometers waarin de renners vrijwel niets konden zien helemaal mis kunnen gaan door losgekomen putdeksels, stelde de ploegleider van Soudal-QuickStep.

Komt het ooit goed?

Een terecht verwijt aan weer zo’n koersorganisatie die het jaarlijkse hoogtepunt koste wat het kost door wil laten gaan. Alles liever dan moeite doen om in het hoofd te kruipen van een renner die het beste zicht heeft op de gevaren die besloten zitten in het door veelal niet-renners bedachte parcours.

Komt dit ooit goed? De signalen zijn niet hoopvol. Safer, een samenwerkingsverband van ploegen, wedstrijdorganisatoren en UCI om de sport veiliger te maken, zou in 2025 onafhankelijk en met doorzettingsmacht van start gaan, maar is door interne strubbelingen nu al tandeloos gemaakt.

Zaken waarover wordt nagedacht – zoals kleding met airbags, geluid- en lichtsignalen op gevaarlijke plekken, obstakels inpakken, uitsluiting bij overtreding van veiligheidsregels – zijn goede initiatieven, maar richten zich vooral op de gevolgen van vermijdbare valpartijen, niet op het uitbannen ervan.

Daarvoor zijn parcoursen nodig die zijn uitgetekend met de blik van de renners die eroverheen moeten. Niet om, zoals de parcoursbouwer van de Tour stelt, ‘etappes intenser en nerveuzer’ te maken, maar om voor veilige arbeidsomstandigheden te zorgen voor al die sporters die we zo graag zien excelleren. Als dat lukt kan deze afzwaaiende wielerverslaggever als liefhebber hopelijk weer naar wielrennen kijken zonder de handen voor het gezicht.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next