Advocaat van de duivel spelen hoort bij het repertoire van de interviewer en de tv-interviewer in het bijzonder. Zeker wanneer een politicus wordt bevraagd. Klassiek voorbeeld: wanneer een linkse politicus hogere uitkeringen komt bepleiten, vraagt de interviewer of werken niet te onaantrekkelijk wordt. Komt een rechtse politicus lagere uitkeringen bepleiten, dan vraagt de interviewer of er niet te veel mensen onder de armoedegrens zakken. U kent dit wel.
Het was altijd al dubieus hoeveel je hiervan als kijker wijzer wordt. Welwillend kun je zeggen dat de politicus zo wordt aangespoord om zijn sterkste betoog te houden.
Alleen, wat gebeurt er in dit tijdperk vol desinformatie en met antirechtsstatelijke bewegingen aan de macht? Bij Buitenhof zat CDA-fractievoorzitter Bontenbal. Hij zei dat het kabinet door een morele bodem zakte met het plan van minister Faber om borden neer te zetten bij asielzoekerscentra waarop de tekst zal staan: ‘Hier wordt gewerkt aan uw terugkeer’.
Over de auteur
Kustaw Bessems is columnist van de Volkskrant. Hij was 12 jaar journalist voor de Volkskrant en werkt nu als adviseur voor overheden en maatschappelijke organisaties.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
‘Aan de andere kant’, zei presentator Pieter Jan Hagens – het klonk alsof die advocaat van de duivel in aantocht was! ‘Dit is de verkiezingsuitslag, dit is wat de mensen willen. Migratie belangrijk punt. PVV 37 zetels. U, sorry, vijf.’ Vervolgens begon de brave Bontenbal uit te leggen wat hij dacht dat ‘de mensen willen’. Maar het ongerijmde zit hierin: dat hoge zetelaantal ís niet ‘de andere kant’ van wat de CDA-leider had betoogd.
De ‘andere kant’ zou een redenering zijn op grond waarvan Fabers borden wenselijk en moreel aanvaardbaar blijken. Hagens had dan bijvoorbeeld moeten zeggen: ‘Aan de andere kant zorgen die borden er wél voor dat asielzoekers zich minder welkom voelen en dat is belangrijker dan de schoffering van vluchtelingen.’
Waarom zegt hij dat niet?
Ik denk een worsteling te zien met de neutraliteit die veel mediamensen graag uitstralen. Veruit de meesten weten dat zoiets als die treiterborden in strijd is met de menselijke waardigheid. Dat het buiten de orde is. Onverdedigbaar. Maar het knellende keurslijf van de quasineutraliteit dwingt nu eenmaal tot een tegenwerping en dan is het hoge zetelaantal de vluchtheuvel.
Je moet aan één zo’n moment van Hagens in een liveprogramma niet te veel betekenis toekennen. Maar het is niet uniek. Op X gaan bijvoorbeeld verscheidene fragmenten rond van collega Sven Kockelmann, die kritiek op dit kabinet of op de PVV beantwoordt door parmantig naar zetelaantallen te verwijzen. Laatst nog: Jesse Klaver van GroenLinks-PvdA pleitte voor een wet die partijen verplicht tot interne ledendemocratie. Kockelmann riposteerde: ‘En wat als kiezers zeggen: daar gaat onze Geert over en we staan op meer dan veertig zetels?’
Tv is nog altijd dominant in beeldvorming. Ook omdat snippers van programma’s online worden verspreid. Het maakt dus verschil wanneer inhoudelijke, morele of zelfs rechtsstatelijke argumenten op tv worden gesmoord in de vaststelling ‘veel mensen willen iets nu eenmaal’. Het voedt de toch al opkomende en zorgwekkende opvatting dat elk bezwaar tegen een veel gedeelde wens ondemocratisch is.
Terwijl een democratie alleen democratie blijft wanneer de rechtsstaat minderheden beschermt tegen de de meerderheid. Zodat minderheden ook de kans behouden om met inachtneming van de waarheid en door het aandragen van argumenten kiezers te overtuigen. Doen alsof iemands recht van spreken afhangt van zijn populariteit, dát is in de kern ondemocratisch.
Dus zijn de basisbeginselen van de democratische rechtsstaat maar een mening? Of zijn ze uitgangspunt voor elk debat? Is dat laatste het geval, wat is dan de consequentie voor de vragen die je stelt? Of de duiding die je geeft?
Dankzij een recensie in NRC stuitte ik op een recente aflevering van de talkshow Bar Laat. Besproken werden de uitlatingen van PVV-staatssecretaris Chris Jansen, die net had verkondigd dat hij nog altijd achter Geert Wilders’ strafbare oproep ‘minder Marokkanen’ staat. Aan tafel zei politiek journalist Elodie Verweij: ‘Toen ik het zag, dacht ik: ja jeetje, medium handig van hem.’
Nu heb ik me altijd verzet tegen politieke ‘handigheid’ als criterium – het is een stokpaardje van me –, maar hier krijgt het toch een nieuwe dimensie. Wanneer een lid van het kabinet een strafbare oproep tot het ‘verminderen’ van een bevolkingsgroep ondersteunt, is de aloude vraag hoe ‘handig’ dat is dan werkelijk nog de meest geëigende?
Zo krijgen al die traditionele vragen een andere lading nu de rechtsstaat in het geding is. Zoals: waarom duurt het zo lang voordat er maatregelen worden getroffen? Of: kunnen ze in de coalitie nog door één deur? Vragen die opjutten en de rijen doen sluiten in een tijd dat een pas op de plaats en open discussie harder nodig zijn.
En eigenlijk was dat altijd al zo. ‘Gaat dit niet te snel?’, was bij heel veel overheidsplannen een betere en in feite meer kritische vraag geweest dan: wanneer is het eindelijk af? In plaats van ‘krijgt u dit door de Kamer?’ zou het interessant zijn om dingen te horen als: ‘waar heeft u dit idee op gebaseerd?’ (Vaak namelijk op beeldvorming.) En ‘met welke direct betrokkenen heeft u hieraan gewerkt?’ (Vaak geen.) De vraag ‘wat heeft u geleerd?’ zou soms meer opleveren dan ‘heeft u gefaald?’
En de vraag die ik het meest mis, in plaats van ‘hoe gaat u dit oplossen?’, is: ‘moet u zich hier wel mee bemoeien?’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant