Tijdens het bezoek van zeventig astronauten aan Nederland was de blik geregeld gericht op onze thuisplaneet. Geopolitiek en aardse problemen verstrengelen zich ook lang na de Koude Oorlog nog altijd nadrukkelijk met onze verkenning van de ruimte.
Het is ergens tijdens de overweldigende parade van betoverende beelden van onze planeet vanuit de ruimte dat de woorden van Apollo 9-astronaut Rusty Schweickart (88) plots landen. ‘Ik dacht ineens: ben ik ik? Of ben ik ons allemaal?’, zei Schweickart eerder die week tijdens een interview op het astronautencongres ASE Planetary Congres 2024 in Noordwijk en later nog eens, op het podium van de Ziggo Dome, voorafgaand aan de ‘grootste Nederlandse filmpremière ooit’ van André Kuipers zijn regiedebuut Beyond: Ode to the Earth.
Maar pas wanneer de zevenduizend verzamelde ruimtevaartliefhebbers de film bekijken, wordt invoelbaar wat hij met die ietwat esoterisch aandoende woorden bedoelt.
De aarde van boven zien, met die kwetsbare, dunne laag atmosfeer erboven, hangend in het donker van de kosmos, is een transcendente ervaring. Toen Schweickart tijdens zijn ruimtewandeling als onderdeel van de missie Apollo 9, nu ruim een halve eeuw geleden, vijf minuutjes niets te doen had, besloot hij daarom eens echt te kijken naar zijn thuisplaneet. Hij werd bevangen door een nietig gevoel. ‘Ik dacht: wat heb ik nou helemaal gedaan om dit uitzicht te verdienen? En ineens realiseerde ik me: ik ben hier niet voor mezelf, ik ben hier als een vertegenwoordiger van de gehele mensheid. Ik ben niet ik, ik ben óns.’
Over de auteur
George van Hal is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over sterrenkunde, natuurkunde en ruimtevaart.
Het is een anekdote die Schweickart steevast in interviews en bij publieksoptredens herhaalt, zoals astronauten na hun ruimtevlucht altijd hun beste anekdotes blijven herhalen, voor alles van schoolklassen tot propvolle concertzalen.
‘Astronauten zijn de ambassadeurs voor de planeet aarde’, zegt Harm van de Wetering van de Nederlandse ruimtevaartorganisatie NSO (Netherlands Space Office) tijdens de openingsceremonie van het congres, in een zaal waar een maquette van het internationale ruimtestation aan het plafond bungelt en waar achter het podium raketten en ruimtecapsules zichtbaar zijn. Het congres is dan ook bij Estec in Noordwijk, het technologiecentrum van de Europese ruimtevaartorganisatie Esa. ‘Slechts astronauten, popsterren en sommige voetbalteams kunnen een heel stadion vullen.’
Het spectaculairst van deze congresweek zijn namelijk de bezoekers: zo’n zeventig astronauten, van veteranen uit het Apollo- en Space Shuttle-tijdperk, tot mensen die pas dit jaar zijn teruggekeerd uit de ruimte. Niet eerder waren zóveel van hen binnen onze landsgrenzen, al was er ruim dertig jaar terug al eens een congres in Groningen met tientallen ruimtevaarders, toen nog georganiseerd door de inmiddels overleden Nederlandse astronaut Wubbo Ockels.
Schweickart voelt al sinds zijn missie de verantwoordelijkheid die de status van astronaut hem geeft, zegt hij. ‘Ik wil het grote plaatje delen. We leven in een historisch moment wat betreft de evolutie van het leven op aarde. De mensheid maakt op dit moment een kosmische geboorte mee’, zegt hij.
‘Vlak voor de geboorte begint een kind te veel van de moeder te vragen. Net zo begint de mensheid nu te veel van de aarde te vragen: we hebben klimaatproblemen, geopolitieke problemen, en we gaan gebukt onder doorgeslagen individualisme. Maar wanneer we de ruimte in gaan, herkennen we dat we allemaal mannen en vrouwen van de aarde zijn, ondanks onze politieke verschillen. We leren daardoor meer van de aarde te houden, zoals een kind ook pas na de geboorte van zijn moeder gaat houden.’
Toch schuurt dat sentiment tijdens het congres ook geregeld, vooral wanneer de Russische kosmonauten ter sprake komen, de leden van de astronautenvereniging die door de oorlog in Oekraïne niet naar Nederland mochten komen.
‘We hebben als vereniging bezwaar gemaakt tegen het uitsluiten van onze Russische collega’s’, zegt Schweickart, die in de jaren tachtig de ASE (Association of Space Explorers) juist had helpen oprichten om zulke aardse politieke tegenstellingen te overstijgen.
Op de conferentie in Noordwijk lukt dat toch nog deels. Want waar de Russen afwezig zijn, zijn de Chinezen er wel. Zo geven Yang Liwei, de eerste Chinees in de ruimte, en Tang Hongbo, lid van de eerste bemanning naar het Chinese ruimtestation Tiangong, lezingen over de Chinese ruimtevaart. Het zijn streng geregisseerde verhalen, de astronauten in het Chinees, hun tolken in het Engels.
De tolken lezen alles van een blaadje, en voor spontaniteit is geen ruimte: wanneer Hongbo ogenschijnlijk een grapje maakt, laat zijn tolk een vertaling achterwege. Na afloop is, in tegenstelling tot alle andere lezingen die week, geen ruimte voor vragen uit de zaal. De aanwezige pers mag de Chinezen niet interviewen.
Toch: de échte waarde van dit soort bezoeken zit hem vooral in de momenten waarop ze elkaar achter de schermen treffen, zeggen leden van de vereniging. Zoals die keer dat drie Amerikaanse astronauten achter hun Chinese collega’s in de rij voor de lunch opduiken. ‘Mooie lezingen, heren, dank’, openen de Amerikanen beleefd. ‘Thank you’, antwoordt Hongbo, zonder tussenkomst van zijn tolk. Kort daarna begint heel voorzichtig de verbroedering. ‘Man, ruimtewandelingen – wat zijn die leuk hè?’, zegt een van de Amerikanen. ‘Heel erg leuk! Ruimtewandelen is geweldig’, laat Hongbo weten, glimlach om de mond.
‘Mijn meest diepzinnige ervaring tijdens dit congres vond plaats op de openingsavond’, zegt Victor Glover, die al eens zes maanden op het ISS verbleef en door Nasa is geselecteerd voor de toekomstige ruimtemissie Artemis 2, waarbij astronauten voor het eerst sinds het Apollo-tijdperk een rondje om de maan zullen vliegen.
Aan het eind van die avond neemt ASE-voorzitter Reinhold Ewald het woord, vertelt Glover. ‘Hij eindigt zijn speech met een traditionele Russische toost’, zegt Glover. ‘En terwijl de hele zaal ‘hoera, hoera, hoera’ roept, denk ik aan onze Russische vrienden, de kosmonauten die niet aanwezig konden zijn. We volgen deze Russische traditie, en als marineofficier in het Amerikaanse leger zijn tradities heel belangrijk voor mij. Normaliter zouden we dit moment met zijn allen vieren, maar ze zijn er niet, en in zekere zin zijn de Russen op dit moment ook mijn vijand. Toch miste ik ze.’ Het roept, wil hij maar zeggen, complexe emoties op.
Vervolgens keek Glover opzij en zag daar de Chinese delegatie. ‘Ik zag hoe Yang Liwei zijn glas hief. Toen Reinhold aan zijn toost begon, zat zijn tolk naast Liwei – maar zij hoefde het hem niet uit te leggen en hij deed meteen mee: hoera, hoera, hoera! Dat raakte me recht in het hart. De relaties die we met elkaar opbouwen achter de schermen, de invloed die deze gemeenschap kan hebben, zéker op momenten dat onze regeringen misschien niet eens meer willen dat we een gemeenschap vormen – dát is het belang van deze club.’
Toch zijn het juist de verschillen tussen de landen waaruit de astronauten afkomstig zijn, het politieke gesteggel op aarde en de economische concurrentie tussen mensen onderling die tot op de dag van vandaag het vuurtje onder de menselijke raketmotoren het stevigst oppoken.
Denk maar aan de nieuwe maanrace, tussen de Chinezen en Russen enerzijds, en onder meer de Amerikanen en Europeanen anderzijds, die een echo is van de ruimterace in het Apollo-tijdperk, de race die Schweickart in de jaren zestig naar de ruimte bracht.
Want vergis je niet: Schweickarts vredelievende verhalen, zijn dromen van een verenigde mensheid, werden gedreven door de Koude Oorlog. Toen Schweickharts collega Neil Armstrong de maan bereikte, ‘in vrede voor de gehele mensheid’, zoals Apollo 11 het omschreef, zag men dat in de voormalige Sovjet-Unie vermoedelijk heel anders.
Dat illustreert een opmerkelijke tegenstelling tussen de boodschap van de ruimtevaart en de achterliggende motivaties. Volgens Glover moet je dat anders bekijken. ‘Het is grappig dat je het over een tegenstelling hebt. Dat zie ik eigenlijk niet zo’, zegt hij. ‘Ik zie ruimtevaart juist als onderdeel van een wereldwijde politieke realiteit waarvan we ons als mensen nooit los kunnen maken.
‘Het is natuurlijk niet alsof alle aardse problemen verdwijnen wanneer we alle politici de ruimte in sturen. Ze zouden daarna immers terugkeren naar aarde, naar dezelfde aarde die we met zijn allen hebben gebouwd, en zouden weer deel zijn van dezelfde systemen die al deze conflicten veroorzaken en in stand houden’, zegt hij.
‘Maar wat ze wél zouden krijgen, is perspectief. En het mooie is: daarvoor hoef je als politicus, zakenman, zorgverlener, technicus, enzovoorts, niet zelf naar de ruimte. Die ervaring kunnen wij met hen delen. Ik ben enorm dankbaar dat ik een verandering in mijn carrière heb gemaakt waarbij ik niet langer tegen mensen hoef te vechten. Ik vecht alleen nog tegen de fysica, wanneer we mensen het universum in stuwen. Dat is onze geboorte in de kosmos, zoals Rusty Schweickart zou zeggen. En daar mag ik, daar mag iedereen, deel van uitmaken.’
Het was 1982, midden in de Koude Oorlog en nog voor de internationale samenwerking op ruimtestation ISS, dat Apollo 9-astronaut Rusty Schweickart naar Moskou ging. Hij had van Russische kosmonauten gehoord dat ze open zouden staan voor de oprichting van een gezamenlijke vakvereniging.
Al snel bleek dat de kosmonauten eerst officiële toestemming moesten krijgen vanuit de Russische overheid. ‘De persoon die dat kon geven, was de woordvoerder van president Brezjnev, Leonid Zamjatin. Ik had een gesprek met hem, hij sprak perfect Engels, maar we kwamen maar niet verder’, zegt Schweickart. ‘Toen zei ik: ken je monopolie? Waarop hij vroeg: het bordspel?’
In dat spel bepalen de regels de uitkomst, niet de spelers, antwoordde Schweickart. ‘Wat ik voorstel is om die regels te veranderen, zei ik tegen hem. Ik geloof echt dat diegenen van ons die in de ruimte zijn geweest de planeet op een andere manier zien. Dat wij daarom kunnen helpen om de regels aan te passen.’ Een uur later, in het hotel, kreeg hij een telefoontje van een tussenpersoon. De Sovjets waren akkoord.
In eigen land werd de oprichting van astronautenvereniging ASE Schweickart niet in dank afgenomen. ‘Ik werd geweigerd voor banen in Washington. Maar die verantwoordelijkheid, het overbrengen van het gevoel dat ik had buiten mijn ruimteschip, toen ik onze planeet zag: dat vond ik uiteindelijk veel belangrijker.’
‘Ik lees in de media vaak het woord ruimtetoeristen voor mensen die met bedrijven de ruimte in vliegen’, zegt de Spaans-Amerikaanse astronaut Michael López-Alegría, vicedirecteur van ruimtevaartbedrijf Axiom Space tijdens het congres in Noordwijk. Zijn bedrijf heeft onder meer drie commerciële missies naar het internationaal ruimtestation ISS gelanceerd. ‘Aan die term heb ik een hekel. Deze mensen zijn vaak net zo goed voorbereid en getraind als astronauten van overheidsorganisaties.’
‘Ik denk dat ‘commerciële astronaut’ inmiddels erkend is als officiële term’, zegt Jared Isaacman, miljardair en commandant van de commerciële ruimtemissie Polaris Dawn. In september bereikte hij, samen met bemanningsleden Anna Menon, Sarah Gillis en Scott Poteet, nog de grootste afstand van de aarde sinds het Apollo-tijdperk, nu is op Poteet na de gehele bemanning in Noordwijk. ‘Maar ik vind ook dat we ons niet moeten blindstaren op de naamgeving. Of je nu in een propellervliegtuig vliegt, of in een F22-straaljager: als je achter de stuurknuppel zit, heet je een piloot. Zo moet het met astronauten ook zijn.’
In de toekomst zullen commerciële partijen zoals SpaceX en overheidsinstanties zoals Nasa samenwerken om bijvoorbeeld Mars te bereiken, zegt Menon, die net als Gillis in dienst is bij SpaceX, dat de expliciete doelstelling hanteert om van de mensheid ‘een multiplanetaire soort’ te maken.
En ja: dat is de investering heus waard, zegt ze, in antwoord op de meestgehoorde kritiek: dat die dure tripjes naar de kosmos niets meer dan egotrips zijn, onnodig frivool en duur, zeker gezien alle problemen die de mensheid op de grond heeft. ‘We moeten natuurlijk ons meeste geld blijven steken in het verbeteren van de situatie op aarde. Maar die situatie wordt ook beter door vooruitgang in de ruimte.’
De Amerikaanse astronaut Victor Glover weet, als persoon van kleur, dat de realiteit rommelig is. Dat mooie en inspirerende gebeurtenissen op opmerkelijke wijze verstrengeld kunnen raken met menselijke dieptepunten. Daarom nam hij tijdens zijn verblijf aan boord van het ISS in 2020 en 2021 een schilderij mee van George Floyd, de zwarte man die in 2020 door politieagenten werd vermoord.
‘In mijn land hebben we hoge idealen. De Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en grondwet staan vol prachtige woorden. Tegelijk laat de 244-jarige geschiedenis van de VS zien dat we die woorden niet altijd waarmaken’, zegt Glover.
‘Maar dat betekent niet dat je je idealen dan bij het grofvuil moet zetten. Het betekent dat je probeert om het beter te doen. Ik trainde als astronaut toen George Floyd werd vermoord in het volle zicht van het grote publiek, en toen Ahmaud Arbery werd vermoord in het volle zicht van het grote publiek. Ondertussen bereidde ik me voor om mijn land, om de gehele mensheid, te vertegenwoordigen aan boord van het ruimtestation’, zegt hij. En dat schuurde.
Hij besloot vanaf het ruimtestation contact te leggen met andere zwarte astronauten. ‘Ik hoefde hun niets uit te leggen over mijn gevoelens. Ze konden me aanmoedigen’, zegt hij. Het hielp hem alles op een rij te zetten.
Ze besloten elkaar als groep – ze noemen zichzelf de ‘afronauts’ – te blijven opzoeken, om samen anderen te inspireren. ‘Tegelijk wil ik er niet te veel nadruk op leggen. Het gaat heus niet alleen om zwarte astronauten en de ervaringen van deze ene groep. Ruimtevaart gaat om de menselijke ervaring. Hoe meer we elkaar en onze achtergronden begrijpen, hoe eerder we over alle scheidslijnen heen kunnen kijken.’
Glover weet dat het daarbij uitmaakt welke woorden je gebruikt. ‘Je vraagt me nu naar diversiteit, maar ik weet: als ik dat woord gebruik, ben ik de helft van het publiek kwijt. Daarom heb ik het liever over excelleren. Niemand heeft een hekel aan dat woord. We moeten laten zien dat we kunnen uitblinken, dat we onszelf kunnen overtreffen, dat we béter worden wanneer iedereen meedoet’, zegt hij.
‘Diversiteit is slechts het gereedschap. Het gaat om competentie, om vertrouwen, om communicatie, om inzet. Natuurlijk: ik breng mijn huidskleur mee. En mijn vrouwelijke collega’s hun gender. Prima als iemand het niet over diversiteit wil hebben – dat respecteer ik. Ik pak het liever tactisch aan. Het belangrijkste dat ik kan doen om diversiteit, gelijkheid en inclusie te steunen is nederig te blijven, hongerig te blijven, en om te leren, te luisteren en uiteindelijk waar mogelijk te leiden in het belang van de missie, van onze prestaties, van onze veiligheid. Door te excelleren. Want niemand in deze industrie kijkt daar op neer.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant