In haar achtste boek Waar – Over de kunst van het (niet) weten blijft schrijver en politicoloog Wytske Versteeg dicht op de actualiteit. Tegelijk schuwt ze het persoonlijke niet. ‘Bij een complex onderwerp als waarheid is iedereen altijd aan het zoeken en ik wilde juist dat zoekproces laten zien.’
Wat heeft de 19de-eeuwse, zeer verhitte discussie over het bestaan van spoken te maken met het huidige maatschappelijke debat? Of het leiderschap van de Inuit met dat van Donald Trump? In Waar – Over de kunst van het (niet) weten tast schrijver en politicoloog Wytske Versteeg (1983) de grenzen van onze kennis af in essays over… nou ja, bijna alles.
Na een essaybundel over de gevolgen van seksueel misbruik (Verdwijnpunt) en een roman over migratie (Het gouden uur) zit haar achtste boek opnieuw dicht op de actualiteit, met analyses van populistisch leiderschap en de positie van wetenschap in een verdeelde maatschappij. Daarbij trekt Versteeg óók steeds een lijn naar het verleden, van de oudheid tot vorig jaar. ‘Dat heb ik heel bewust gedaan’, vertelt ze in het café van boekhandel Scheltema in Amsterdam. ‘Zolang je het bij de onderwerpen van nu houdt, zullen mensen denken: dit weet ik al, en zo denk ik erover. Door iets meer uit te zoomen, hoop ik dat mensen niet meteen terugvallen op hun vaste kaders.’
Over de auteur
Emilia Menkveld is literair recensent en eindredacteur van de Volkskrant.
Neem het debat over spoken. Inhoudelijk staat dit ver van ons af, schrijft Versteeg in Waar, maar de vorm ervan lijkt sprekend op discussies van nu. ‘Ook hier zijn sceptici en gelovigen elkaars spiegelbeeld, gebruiken ze dezelfde taal, hameren beiden even luid op de noodzaak voor feiten en bewijzen. Het is een gekmakende dans.’ Bij zo’n confrontatie hebben we de lastige taak, aldus Versteeg, om er ondanks alles ‘toch van uit te blijven gaan dat de ander niet liegt en niet irrationeel is, dat haar ervaring kan bestaan in een geest die even redelijk is als de jouwe, dat haar wereld niet minder werkelijk is dan die van jou’.
Je schrijft dat een boek over waarheid min of meer over de hele wereld gaat. Het lijkt me niet makkelijk om die in zo’n tweehonderd pagina’s te vatten.
‘Nee, dat was behoorlijk worstelen. Vaak vroegen mensen aan me: o, wordt het dan een encyclopedie? Het boek is ooit begonnen met mijn proefschrift en ik had makkelijk kunnen blijven hangen in een zakelijke stijl, maar ik merkte dat dit voor mij niet werkte, dat ik mezelf daarin als verteller niet vertrouwde. Want hoe weet ik zeker dat ik niet lieg? Bij een complex onderwerp als waarheid is iedereen altijd aan het zoeken en ik wilde juist dat zoekproces laten zien.’
Het is een heel persoonlijk boek geworden: we lezen hoe je twijfelt of jouw stem als schrijver wel iets waard is, hoe het nemen van een jonge hond je leven beïnvloedt. Waarom heb je daarvoor gekozen?
‘Mijn denken over dit onderwerp is gevormd door wat ik onderweg tegenkwam. Ik vond het belangrijk om die gevoelswerkelijkheid mee te nemen in het schrijven. Ik heb wel gedacht: er zijn genoeg mensen die een hekel hebben aan honden, die zitten echt niet te wachten op passages over mijn hond. Toch vond ik het nuttig om daarover te vertellen.
‘Om dat woeste beest op te voeden tot een fatsoenlijke hond, moest ik me in een heel andere werkelijkheid verplaatsen. Ik moest hem leren kennen om hem te kunnen sturen, maar daardoor zag ik de omgeving die ik dacht te kennen plotseling op een nieuwe manier: door zijn ogen. Zo beïnvloedt onze waarneming de werkelijkheid altijd.’
In Waar heb je het liever over ‘waarheid’ dan over ‘de waarheid’. Hoezo?
‘Het is zo’n ingewikkeld begrip. Heb je het over dé waarheid, als vaststaand feit, dan kom je al snel terecht in de taal van totalitaire ideologieën of radicale geloofsovertuigingen. Terwijl waarheid altijd meerdere lagen heeft.
‘Kijk alleen al naar deze supersimpele situatie: wij zitten hier tegenover elkaar aan tafel, maar het is niet zo dat wij alleen kennis en feiten uitwisselen. Ik ben moe en ik weet dat ik daardoor de neiging heb om abstract te gaan praten. Dat zal jouw ervaring van dit gesprek beïnvloeden. Zo werken er altijd allerlei lagen door elkaar heen. Bij elke interactie maakt het uit: wie is de mens die een waarheid deelt, en hoe betrouwbaar vind ik die persoon?
‘Ook als schrijver ben ik me bewust van dit proces: ik vertel een verhaal, maar wat de lezer daar in zijn hoofd van maakt – daar zitten nog honderd vertaalslagen in. Geef je drie mensen hetzelfde boek, dan is de kans groot dat ze alle drie toch een ander verhaal, met een andere moraal hebben gelezen.’
In september stond in de Volkskrant een essay van schrijver Kasper C. Jansen over waarheidsverwaarlozing onder de kop: ‘Juist journalisten horen consequent op de waarheid te hameren.’ Eens?
‘Voor een deel. Als de feiten duidelijk zijn en er wetenschappelijke consensus bestaat – zoals in het geval van klimaatverandering, of de werking van vaccinaties – moeten nieuwsmedia niet schrijven: de een vindt dit, de ander dat. Daarmee werk je cynisme in de hand. Als het ene net zo goed waar kan zijn als het andere, dan hoef je ook niet meer je best te doen om dingen te begrijpen.
‘In het stuk werd ook een artikel aangehaald dat over iemands belevingswereld ging. Dat vind ik een ander verhaal: de journalist wil inzicht bieden in een mening waarmee veel lezers van de krant het waarschijnlijk niet eens zullen zijn. Dat lijkt me juist heel goed, om te laten zien hoe zo’n mening kan ontstaan.’
Het risico is dat je aperte onwaarheden te veel ruimte geeft.
‘Ja, dat risico bestaat. Maar het is ook de moeite waard om het complexe verhaal te vertellen. Niet: de een vindt dit, de ander dat. Maar: zo ingewikkeld ligt deze kwestie dus.’
Je noemt het bijna een wonder dat mensen nog weleens van mening veranderen.
‘Ja, omdat er zo veel is dat daartegenin werkt. Bijvoorbeeld dat mensen geneigd zijn om alle informatie uit te filteren die niet aansluit bij wat ze al vinden. Of dat vrijwel niemand in staat is echt te luisteren naar een ander als je je zelf niet gehoord voelt. Echt van mening veranderen is meestal een langdurig proces, en dat maakt het ook interessant. Zelfs wanneer je na afloop van een discussie denkt: dit sloeg nergens op, kan er toch iets in werking zijn gezet.
‘Veel hangt af van de manier waarop je zulke gesprekken voert. Je hoeft niet helemaal met de ander mee te gaan, maar als ik tegen jou zeg: ‘Je bent nou eenmaal een wappie’, dan kun je voorspellen dat jij ook niet meer wilt horen wat ik verder te zeggen heb. Als ik vraag: ‘Hoe ben je tot deze mening gekomen?’, dan krijg ik een verhaal te horen. Ik zeg niet dat je daarmee alles oplost, maar het geeft zo’n gesprek wel meer nuance.’
De gedeelde waarheid tussen mensen beschrijf je als ‘een steen die stevig genoeg is om samen op te staan, maar tegelijkertijd de vrijheid om in die steen te blijven kerven’. Wat bedoel je daar precies mee?
‘Ik heb de metafoor een paar keer uit het boek gehaald, omdat ik er best veel bij moest uitleggen, maar hij bleek toch zinnig voor mijn verhaal. Ik bedoel ermee dat we een gedeelde grond nodig hebben om samen te leven: het werkt niet als je elkaar de hele tijd alleen maar betwijfelt. Maar het werkt ook niet als iedereen het alleen maar met elkaar eens is, als je in dé waarheid zit opgesloten.’
Dat laatste zou je kunnen zeggen van totalitaire staten, waar de overheid dicteert wat waar is. Ook in Nederland is er best wat reden tot zorg over onze omgang met de waarheid, schrijft Versteeg in Waar; de ervaringen van burgers liggen vaak mijlenver uiteen. ‘Maar tegelijkertijd wijst nogal wat onderzoek uit dat we lang niet zo gepolariseerd zijn als we zelf vaak denken. En dat er ‘feitenvrije politici’ zijn, betekent nog niet dat het label ‘post-truth’ de hele samenleving samenvat.’
Toch hebben liegende politici veel invloed. Hoe verklaar je hun succes?
‘Dat is een gradueel proces. Binnen het gevestigde systeem is de norm: een politicus liegt niet. Dus als hij wel liegt, zal hij dat proberen te ontkennen. Maar wanneer het vertrouwen in dat systeem zelf afbrokkelt, als mensen zich niet gehoord voelen en het systeem zelf als een leugen gaan ervaren, dan wordt open en schaamteloos liegen juist heel effectief. Dat krijgt dan de aantrekkingskracht van authenticiteit – alsof iemand durft te zeggen dat de keizer geen kleren draagt – met alle gevaarlijke gevolgen van dien.
‘Als je kijkt naar wat het kabinet de asielcrisis noemt, is het heel duidelijk dat je die in de cijfers niet terugziet: er is een opvangcrisis, maar dat is iets anders. Dus gaat het nu over de ervaren asielcrisis, maar dan is de vraag: wiens ervaring neem je serieus en wat betekent het om een ervaring serieus te nemen? Want het voorgenomen beleid zal die ervaring alleen versterken en daarmee ook de invloed van een te simpel verhaal.’
En als je het vergelijkt met de VS? Heeft de leugen daar nog meer terrein gewonnen?
‘Ik vrees van wel. Tegelijkertijd is ook daar het percentage desinformatie nog steeds maar een heel klein deel van het totale informatiedieet, terwijl je dat niet zou denken. Die desinformatie heeft wel degelijk invloed, maar het is niet zo dat de meeste Amerikanen niet meer om waarheid geven.
‘Ik hoop dat Kamala Harris de verkiezingen wint. Als Donald Trump opnieuw president wordt, komt Amerika wel heel dicht bij een totalitaire staat. Hij is zo gewend dat de werkelijkheid voor hem meegeeft en is daar al zo lang door allerlei mensen in gevoed, dat niets hem meer in de weg staat.’
In zo’n geval overwoekeren woorden de werkelijkheid, schrijf je: ‘Als een vaststaand verhaal keer op keer wordt herhaald en als dat wat we denken te weten volledig losgezongen raakt van de wereld om ons heen.’ Waarom noem je dat een ‘geheugenprobleem’?
‘Het is bekend dat we allemaal voor een belangrijk deel in onze eigen verbeelding leven, dat onze waarneming erg vertekend is. Als drie mensen dezelfde gebeurtenis hebben meegemaakt, kan hun herinnering daaraan toch sterk uiteenlopen. Voor het geheugen van een samenleving geldt dat al helemaal.
‘Om te kunnen samenleven, is het belangrijk op bepaalde punten vast te stellen wat er precies is gebeurd. Gebeurt dat niet, dan heeft zo’n samenleving een collectief geheugenprobleem. In totalitaire staten wordt het verleden zelfs voortdurend aangepast aan wat de machthebbers uitkomt, zonder dat iemand ervan opkijkt: mensen worden weggeretoucheerd van foto’s – je kent de voorbeelden. In het digitale tijdperk is dat nog makkelijker dan voorheen. Daarom zijn archieven ook zo belangrijk; wanneer je niet bijhoudt hoe mensen naar bepaalde dingen kijken, is het makkelijk om te denken: dit vonden we altijd al.
‘De vraag is hoe we ons eigen perspectief kunnen blijven corrigeren, als samenleving en als individu. Hoe kunnen we openstaan voor kennis die we misschien minder makkelijk accepteren? Kennis die onze kijk op de dingen mogelijk kan bijstellen?’
Wat is jouw antwoord op die vragen?
‘Ik probeer me zo open mogelijk op te stellen, een open oor te zijn. De ondertitel van mijn boek is ‘de kunst van het (niet) weten’. Niet weten kan betekenen: niet willen weten, niet geïnteresseerd zijn – eigenlijk een vorm van cynisme. Voor mij is niet weten juist een staat van onbevangenheid, blijven zoeken naar wat er te ontdekken valt, me niet laten belemmeren door wat ik dénk te weten. Het is niet dat me dat altijd lukt: als ik haast heb, gaat het al mis. Dan zie en hoor ik niets van wat er om me heen gebeurt.
‘Als schrijver probeer ik zo bewust mogelijk in de wereld te zijn. Ik schrijf nooit van 9 tot 5, of met een vast ritme, maar werk het liefst tussen andere bezigheden door. Zo probeer ik steeds open te blijven staan voor verhalen die niet makkelijk worden verteld, stemmen die niet snel worden gehoord. Zodra het makkelijk wordt om een verhaal te vertellen word ik wantrouwig, ook over mijn eigen schrijven: makkelijke verhalen hoor je toch al overal.’
In dit boek, en eerder in Verdwijnpunt, vertel je dat je eigen onzekerheid je lang in de weg heeft gezeten. Hier is twijfel juist iets positiefs geworden.
‘Ja, dat is zo. Mijn leven zou een stuk makkelijker zijn met minder twijfel, maar ik denk dat je uiteindelijk meer opmerkt als het lukt om te blijven aarzelen.’
Moet iedereen deze houding nastreven?
‘Ik besef goed dat ik als schrijver in dit opzicht een makkelijke positie heb. Er zijn allerlei mensen met banen waarin geen ruimte is om al deze nuances steeds te laten meewegen, terwijl ze wel snel beslissingen moeten nemen. Ik ben geen huisarts die dagelijks met een groot aantal patiënten wordt geconfronteerd.’
Je eindigt je boek met een oproep aan de lezer: ‘Het hangt van jou af.’ Wat verwacht je daarvan?
‘Ik ben niet verbaasd als daar weinig mee gebeurt, maar het is wel een serieuze oproep. Naar mijn idee is het ook een heel dubbele oproep: om ons heen zijn er enorme krachten aan het werk waarover je als individu niets te zeggen hebt, maar wat al die individuen samen doen, maakt wel veel uit.
‘Je ziet bijvoorbeeld de taal verharden en ik geloof echt dat iedereen daarin een individuele verantwoordelijkheid heeft. Als iemand zegt: ‘Het is natuurlijk gewoon zo dat…’, dan vind ik dat je je daartegen moet verzetten. Niets is ‘gewoon’ zo.’
Wytske Versteeg (1983) publiceerde vijf romans en drie non-fictieboeken. In 2018 promoveerde ze op een proefschrift over de manier waarop we onderhandelen over wat waar is, wat telt als echte kennis en wat als onzin terzijde kan worden geschoven. Dat was een van de startpunten voor Waar – Over de kunst van het (niet) weten.
Voor haar romandebuut De wezenlozen kreeg Versteeg in 2012 de Vrouw Debuutprijs Proza. Een jaar later volgde de BNG Literatuurprijs voor de roman Boy en in 2019 de Frans Kellendonkprijs voor al haar werk als romanschrijver en essayist. Haar vorige essaybundel Verdwijnpunt – een ‘persoonlijke zoektocht langs de verschillende facetten van pijn’ – werd met grote lof ontvangen.
Wytske Versteeg: Waar – Over de kunst van het (niet) weten. Querido; 232 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant