Je moet je niet aan de opdracht houden om weer zo’n gewoon verhaal te maken over Maarten Baas, vindt Maarten Baas. Kan interviewer John Schoorl niet een voorbeeld nemen aan de kunstenaar en ontwerper zelf en het eens helemaal anders doen?
Je moet je nooit precies aan de opdracht houden – ik hoor het Maarten Baas (46), internationaal gevierd kunstenaar slash ontwerper, zeggen. Het komt erop neer dat als je iets wordt gevraagd, je het subtiel maar doeltreffend moet bestrijden, en wel van binnenuit.
Als een Trojaans paard.
Spot on!, helemaal Maarten Baas.
Voorbeelden? Hem werd gevraagd of hij iets wilde maken over punk en anarchie, voor de tentoonstelling London Calling. O ja, dacht hij, dan verwachten ze dat ik iets recalcitrants bedenk: lawaaiig, zwart, rebellie. Dus wat maakte hij? Ja hoor! Een huiselijke, tuttige roze vaas. In een bijpassend promotiefilmpje liet hij een jochie slaafs strafregels schrijven: Ik zal een anarchist worden.
Nog eentje. Kledingmerk G-Star gaf hem de opdracht iets te maken van gebruikte spijkerbroeken voor de Milaan Design Week. O zo duurzaam. Hij maakte een privévliegtuig van gerecycled denim, want die zogenaamd klimaatbewuste types komen met het jetje naar Milaan. Tegen greenwashing, weet je wel. Een beetje sarren, het deed een beetje pijn, maar G-Star ging er wel in mee.
En dat geldt ook voor jou en het verhaal.
Wat bedoel je, Maarten?
Je moet je niet aan de opdracht houden om weer zo’n gewoon verhaal te maken over Maarten Baas, vindt Maarten Baas. Zo’n verhaal, deze keer in Volkskrant Magazine (in zijn woorden: die linkse kutkrant), waarin hij voor de zoveelste keer antwoordt op de vraag of hij een fascinatie heeft voor tijd en – voor de persoonlijke touch in het artikel – hoe het was om een zoon te zijn van een dominee in de provincie.
En dat je tegenover elkaar gaat zitten in zijn werkruimte in Den Bosch, met op tafel pepernoten en chocoladebrokken en een kan water. Je kunt niet niks zeggen, denkt hij dan, of hopeloos lang naar buiten staren, of in een niet-bestaande taal antwoorden, of op de grond gaan liggen. Want dat is niet de bedoeling, er moet een verhaal komen. Hij snapt hoe het zit. Er is die opdracht, het toneelstukje van verslaggever en geïnterviewde, en een pagina’s lang relaas dat eruit voortkomt.
Maar pfff, daar gaat hij weer, denkt hij weleens. Wat is je stijl?, hoort hij dan vragen. Vorige keer had je een andere stijl, hoe komt dat? Wat bedoel je ermee? Hoe kijk je naar tijd? Wat betekent tijd?
Als hij dan toch weer antwoordt, ja zo is hij ook, dan gooit hij het gas open, en krijgt de toehoorder een treinreis door zijn mentale landschap. Vertelt Baas dat hij altijd op tijd is, en dat hij is uitgerust met een innerlijke klok, maar dat tijd relatief is en vooral een kwestie is van: nu!
Ja, hij is toch de man van die wereldberoemde klokken – of beter: uur-wer-ken – uit de serie Real Time, waarin de wijzers ogenschijnlijk worden verzet door Baas zelf. Je kent ze wel, zoals die ene drie meter hoge klok die sedert 2016 is te zien in Lounge 2 in de hal van Schiphol, de Schiphol-clock. Daarin verft en verwijdert Baas, als in een performance, in real time de wijzers van de klok met een verfroller en poetsdoek, en eet een broodje en neemt een slok drinken.
Dit idee borrelde op na het zien van de clip van Bob Dylans Subterranean Homesick Blues, waarin His Bobness kartonnen bordjes met stukken teksten laat zien, in het ritme van het nummer. Zo kwam hij op het idee van: Wat als je precies één minuut doet over een minuut? En dat een uur lang. En dan zelf in een klok laat zien hoe die minuten verstrijken.
Je moet eens weten hoe vaak hij in die twintig jaar al gesproken heeft over zijn werk, in kranten, tijdschriften, websites, televisie, radio of podcasts. Als je al die woorden achter elkaar zet, dan kun je er een gekleide brug over de Maas van maken. Negentig procent van al die items zit vol met dezelfde elementen, als een soort Wikipedia at large.
Zoon van een dominee (daar is-ie weer), stormachtig begin loopbaan met verbrande designerstoelen (bewerkt met een gasbrander), die geweldige klokken (onvermijdelijk), stoelen van klei, dat het MoMA in New York zijn werk heeft verworven (toch niet niks), Designer of the Year, rapper Kanye West bezit zijn werk – ja echt! – net als Brad Pitt, de acteur.
Bla bla bla, ja, goed samengevat. Oud-Genesis-zanger Peter Gabriel trad met zijn klok op. Bla bla bla.
In zijn werkplaats in Den Bosch liggen de bla bla bla’s zelfs uitgestald, in kunststof uitgesneden.
Zal hij anders zelf een graphic novel maken in plaats van weer zo’n verhaal? Of gewoon het hele verhaal met de hand schrijven? Of hij gaat in een ruwe versie krassen, dingen zichtbaar bijschrijven, bijdehante verbeteringen aanbrengen. Of gewoon een getypt verhaal, gemaakt op een typemachine, bewerken.
Al die zinnetjes van hem, al die zinnetjes waar nu weer een verhaal van moet worden gebakken. What the fuck! Wat hij te zeggen heeft, hangt in grote letters in de werkruimte: Never believe oneliners.
Hij wil vooruit, laten we het zo zeggen, hij wil op zoek naar nieuwe manieren om zich uit te drukken. Toen Columbus de grote plas overstak, wist-ie ook niet wat hij ging vinden.
Natuurlijk: hij snapt echt wel dat hij soms wat moet vertellen over wat hij heeft gemaakt, en hoe hij daarnaar kijkt. Het is navigeren en balanceren, ja toch. De balans tussen autonomie behouden en de altijd wisselende omstandigheden.
Niet meedoen, gooi je kont tegen de krib.
Niet lafjes meehobbelen, stort je in een ongewis creatief proces.
Gok, schijt zeven kleuren stront.
Zaag aan je eigen stoelpoten.
Ha ha! Voor iemand die zegt dat hij niet in oneliners gelooft, schudt hij ze wel verdomd makkelijk uit de mouw.
***
Maarten Baas loopt door de loods waarin een doorsnede van zijn werk is uitgestald, al dan niet uitgepakt, noem het kliekjes of mislukte prototypen – en ja hoor, hij is toch gewoon beland in een gewoon verhaal over Maarten Baas. Hij heeft een baseballpet op, draagt een legerkleurig jasje en beweegt zich ietwat ongemakkelijk, alsof hij er ook allemaal niets aan kan doen dat al deze schitterende maaksels uit zijn koker komen.
Zijn maakimperium is adequaat gepositioneerd op bedrijventerrein De Rietvelden in Den Bosch, tussen distributiebedrijven, autotuners, metaalhandelaren en met zicht op het enorme terrein van de Heineken-brouwerij. Op het dak staat Baas, in rode door Baas ontworpen letters.
Vanuit een idyllisch gelegen werkboerderij kwam hij hierheen, en hij kan zich voorstellen dat hij op een dag weer verkast. Veel gemeenten willen zijn bedrijf onderdak verschaffen. Een creatieve grootheid met een gevolg aan jonge kunstenaars die zich in je gemeente vestigt, heeft een aanzuigende werking. Anders gezegd: met Baas in the hood gaat de prijs per vierkante meter subiet omhoog.
Het verhaal over Maarten Baas is een succesverhaal, je zou het bijna zeggen. Wat een geleuter, aldus het onderwerp zelf. Dat zegt hem dus geen fuck. Succes is een middel om deuren te openen, en zonder subsidie mensen aan het werk te houden, om autonoom te blijven. Op stap naar het volgende, een nieuwe samenwerking, meer is het niet.
Zijn oude docent, Teun Hocks (1947-2022), vermaard fotograaf en kunstenaar, heeft een belangrijke rol gespeeld in die attitude. Laten we dat niet vergeten. Een man tegen wie hij enorm opkeek, vooral vanwege zijn koket uitgesproken relativeringsvermogen. Ach, je moet wat te doen hebben, zo typeerde Hocks zijn werk.
Voor Baas was dat een verademing, het verloste hem van een blokkade, van het idee dat het groots moet zijn. Welnee! Hij maakt gewoon iets, en leest later in de krant wat het betekent.
Baas houdt de vaart erin in de loods, en hoeft nergens lang bij stil te staan, ook niet bij zo’n legendarische gebrande fauteuil uit 2002, hier achteloos gesitueerd. Het was zijn afstudeerproject op de Design Academy in Eindhoven, Smoke, en hij had de stoel op Marktplaats gevonden.
Ergens in de Betuwe, antikraak, met het geld dat hij had verdiend bij een bouwbedrijf, ging hij aan de slag. Twee jaar later had hij een expositie van verbrande designerstoelen bij Moss Galery in New York, toch niet de eerste de beste.
Alles bij elkaar is het hier een crazy potpourri, een curieuze uitstalling, met talloze stoelen, trappen en klokken, maar voor Baas zit er duidelijk een rode draad in. Boem! Daar gaat-ie weer: zet de opdracht naar je hand-groove. Die bepaalt zijn identiteit, om het zomaar te zeggen.
Niks hoeft perfect te zijn, hou het speels, of kinderlijk. Je moet intuïtief de grenzen verleggen, regels doorbreken, en je niet te veel laten leiden door wat je wordt opgelegd. Je moet opzoeken wat je beperkt, en dan aan de slag.
Als kind begon hij er al mee, voegt hij eraan toe, het bevragen van regels. Toen hij moest leren schrijven – zeg: de letter e. Dan was het de bedoeling dat je een vaste lijn volgde om de letter te maken. Waarom eigenlijk? Het kan toch ook anders.
Ken je trouwens het verhaal over De Wereld Draait Door en Mies Bouwman? Hij was dus gevraagd om een monument te maken over de legendarische tv-presentatrice. Maarrrrrr, hij kreeg te horen wat zo’n beetje elke kunstenaar of schrijver permanent voor de voeten wordt geworpen: er is geen budget, misschien een beetje voor het materiaal, geeft toch niet, leuke reclame voor je werk.
Dikke lul!, luidde de reactie van Maarten Baas aan de redactie onversneden, hoezo moet ik iets gratis doen? Denken jullie dat wij kunstenaars alles voor nop doen?
Toen dacht hij weer aan het Trojaans paard, en verzon een list. Hij presenteerde in het programma de letters MB, van goedkoop piepschuim, hoegenaamd voor Mies Bouwman, maar vooral voor zichzelf, die andere MB, Maarten Baas. Ook gepland: de volgende dag in NRC onthulde hij hoe er met kunstenaars en artiesten in tv-programma’s wordt omgegaan, als sluitpost van de begroting, alsof ze alles doen voor aandacht. Zo, had hij ze mooi te pakken. Haha.
We lopen door zijn loods waar zijn werknemers (er werken vijftien tot twintig mensen voor hem) bezig zijn zijn ontwerpen uit te voeren. Hij heeft weleens gezegd – eigenlijk best wel vaak – dat hij een kunstenaar is in het lichaam van een ontwerper. Stel je toch eens voor, zo stelt hij zich voor, dat je als beeldend kunstenaar zonder de beperking van bestaande items als stoel of kast of klok, in alle vrijheid je gang kunt gaan.
Zo’n klus, daar zit hij nu middenin, voor een tentoonstelling bij de Amsterdamse galerie Ron Mandos in 2025. In de werkloods hangt een gevouwen piano ondersteboven, als een uitlekkende stier in een slachterij. Voor de galerie werkt hij aan deze muziekinstrumentencyclus – maar dan anders.
Instrumenten, zo betoogt Baas, kunnen in al hun fantasievolle vormen het meest magische en ontroerende voortbrengen. Maar ze moeten wel door een deur passen. Zoals dus die piano, en daarom heeft hij de vorm aangepast.
En drie trompetten zijn zo samengeperst tot een vierkant met de afmetingen van een pakketje dat het ook door de brievenbus kan. Spelen met de beperking. Wat hij ermee wil zeggen, dat kan hij nu niet precies onder woorden brengen. Hij werkt intuïtief met een warboel van technieken en materialen. Ergens weet hij dat hij goed zit. Zijn stijl is het zich ontworstelen aan een stijl.
Alles mag!
Daarom snapt hij nooit dat die kunstwereld zich gedraagt als een advertentiebureau voor de idealen van de staat. Dat ze braaf en oplettend en goed volgen wat de subsidieregels voorschrijven. Wat? Hij maakt zijn eigen geld, met zijn eigen zaak. Hij zit niet aan het subsidie-infuus. Als je op ideologie gaat sturen, is dat per definitie tegenstrijdig aan kunst. Nederland als het taboedoorbrekend gidsland bestaat niet meer. Alles moet binnen de lijntjes!
Hij trekt er een heel vies gezicht bij.
Even over het kunstonderwijs, daar kan hij zich ook zo over opwinden. Hij had het zelf moeilijk op de Design Academy in Eindhoven, hij was niet handig, of van het ambtelijke, hij was meer van het een beetje pielen, de chaos opzoeken. Dat je sowieso wordt beoordeeld op een kunstacademie vindt hij gestoord, de braveriken krijgen een voldoende.
Hoe kun je in zo’n fragiel proces, waarin iets wordt gemaakt, wordt geprutst, gefrutseld, uiteindelijk iemand op het hakblok leggen? Eindeloze discussies over concepten drukken de rijkste bron van wijsheid, intuïtie, de kop in. Laat een jong plantje niet vertrappen. Ga gewoon aan de slag!
***
Maarten Baas zit aan een tafel met pepernoten en chocoladebrokken en een kan water in een vrijwel lege werkruimte. De digitale waterval in de hoek – een reeks beeldschermen in watervalformatie die een waterval laten zien – draagt de naam Second Nature.
Het verhaal over Maarten Baas gaat er toch helemaal van komen, we zitten inmiddels op tweederde van het stuk. Het is tijd voor het persoonlijke element, dat hoort zo in een verhaal. Je kunt niet zomaar tegendraads zijn, dat moet een een reden hebben.
Dus op naar zijn vader, want zijn vader was dus geen in zwarte pakken geklede dominee, met denkbeelden van het zware soort. Baas noemt hem liever filosoof, eentje van het vrijzinnige soort. Hij nam hem mee naar het museum, bij elke gelegenheid hoorden de kunsten bij de opvoeding. Van Duitsland naar Zeeland, naar Gelderland ging het gezin. Op zijn 12de scheidden zijn ouders, hij woonde bij zijn vader.
Als kind dacht hij dat bepaalde dingen normaal waren, zoals een gebrek aan vanzelfsprekende zaken als reinheid, rust en regelmaat. Vader was grillig, dronk te veel en was opvliegend. Achteraf, zegt Baas, viel het hebben van een gezin met vier kinderen en het uitoefenen van de betrekking als dominee, met alle verantwoordelijkheden van dien, hem zwaar. Hij kon zijn ei niet kwijt.
Als Baas zich beklaagde over de docenten op school, en dat ze hem niet begrepen, zei zijn vader: dat heb ik altijd als dominee, de toehoorders snappen nooit wat ik bedoel.
Zoonlief vond dat zijn vader over een briljante geest beschikte, die nooit de stroom volgde. Hij wilde zich niet aanpassen. De vier kinderen hoefden nooit iets. Baas moest het zelf uitzoeken. Het maakte niet uit wat hij wilde worden: ruimtevaarder of fietsenmaker, alles was goed. Vind zelf maar het wiel uit. Ontwikkel je eigen waarheid.
Maar nu gaat het weer over zijn vader, die inmiddels is overleden. Nu wil hij praten over zijn moeder, die mogen we vooral niet vergeten. Zij, onderwijzeres, was de stabiele factor in het gezin, heel zacht en zorgzaam, maar raakte na de scheiding in een psychose. Zij bewaakte in het gezin de harmonie, tegen wil en dank, versus de oerkracht van zijn vader – totdat het niet meer ging.
Ik ben een mix, zegt hij. Een mix van zijn vader en moeder; vader die op zijn eigen manier leeft, en moeder, de zachtaardige die ten onder ging in het geweld. Hij voelt dat ook als zijn missie: uitzoeken hoe hij alles in balans houdt. Hoe kan ik mijn ei kwijt, en toch niet verloren gaan in het geheel?
Of hij het als vader beter zou doen dan zijn eigen vader, dat hoeft hij zich niet af te vragen: hij en zijn vriendin hebben geen kinderen. Waarom niet? Waarom wel! Hij ziet het als een te groot project om het wel te doen. Zoals hij ook niet de Mount Everest wil beklimmen, zo wil hij ook geen kinderen. Hij wil bewegingsvrijheid hebben, anders gaat al zijn energie naar de kinderen.
Even nog terugkomend op die mix, dat hij de mix is van zijn vader en moeder. Hij durft wel te zeggen dat hij in Clay, de reeks van industriële klei gemaakte meubelen, de perfecte balans heeft gevonden van zijn achtergrond, van zijn vader en moeder. Puur, kwetsbaar en imperfect tegenover volwassen en rationeel. Daar zit hij ergens.
Hij staat op, alles is wel zo’n beetje verteld, in weer zo’n Maarten Baas-verhaal. Wij zijn in de laatste alinea beland, een journalistieke uitsmijter, ook wel een kicker genoemd, is nu op zijn plaats. We lopen het kantoor uit, de werkloods in. Net op het moment dat hij de trap af loopt...
19 februari 1978 Geboren in Arnsberg, Duitsland.
1979 Verhuist naar Burgh-Haamstede.
1996 Gaat naar de Design Academy in Eindhoven.
2002 Studeert af met Smoke, een collectie verbrande designmeubelen, en wordt daarmee internationaal bekend.
2006 Exposeert Clay op de Salone di Mobile in Milaan.
2009 Ontwerpt de serie uurwerken Real Time, waarvan er een wordt aangekocht door het Rijksmuseum.
2012 Smoke en Clay opgenomen in de lijst Klassiekers van de toekomst in de New York Times.
2017 Eerste solo-tentoonstelling in Groninger Museum.
2021 Tentoonstelling in museum Die Neue Sammlung in München.
2023 Tentoonstelling It’s about time in Museum Voorlinden in Wassenaar.
Maarten Baas werkt in Den Bosch en woont in Utrecht met zijn vriendin.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant