Al zeven jaar zitten een miljoen Rohingya vast in een vluchtelingenkamp Bangladesh. Het land kreeg ooit veel lof voor deze opvang. Nu zegt het voor het eerst: ‘Wij hebben onze limiet bereikt.’ Hoe moet het nu verder met de Rohingya?
Mohammed Soib (50) kan al dagen niet van zijn telefoon afblijven. Hij zit in kleermakerszit in de tent die hij bouwde toen hij zelf aankwam in de heuvels van Cox’s Bazar. Zijn gedachten zijn kilometers verderop; bij zijn twee broers die maar niets van zich laten horen. ‘In hun laatste bericht schreven ze: ‘We zijn hier geen minuut langer veilig.’’
‘Hier’ is in thuisland Myanmar, waar het etnisch geweld tegen de moslimminderheid Rohingya opnieuw is opgelaaid. Soib zit in een labyrint van tenten in buurland Bangladesh, waarheen hij zeven jaar geleden vluchtte. Zijn broers nemen deze week dezelfde gevaarlijke route als hij destijds. Met hun families trekken ze door de jungle naar de Myanmarese kant van de grensrivier, vanaf daar varen ze over.
Over de auteur
Iva Venneman is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over Afrika en het Mondiale Zuiden.
Deze tocht is nu riskanter dan ooit. De broers hebben niet alleen te vrezen van de twee rivaliserende legers die in Myanmar een burgeroorlog uitvechten. Hen wacht in Bangladesh ook niet meer hetzelfde warme welkom als hun broer Soib in 2017 dat kreeg. 740 duizend Rohingya vluchtten dat jaar voor het Myanmarese leger, dat met massale moord, verkrachting in de deelstaat Rakhine reageerde op aanvallen van Rohingya-opstandelingen.
De Verenigde Naties beschuldigden het leger later, in een snoeihard rapport, van ‘genocidale bedoelingen’. Nederland sloot zich aan bij een genocidezaak tegen Myanmar bij het Internationaal Gerechtshof. Het lot van de Rohingya kreeg ieders volle aandacht. En het gastvrije Bangladesh kreeg niets dan lof. Het had eerder al ruim 200 duizend Rohingya opgevangen.
Maar de Bengaalse gastvrijheid blijkt na zeven jaar maximaal opgerekt. Toen afgelopen maanden weer 18 duizend Rohingya uit Myanmar vluchtten, opnieuw met wonden die volgens hulporganisaties op oorlogsgeweld duiden, werden de eerste bootjes met vluchtelingen teruggeduwd. Degenen die wel werden doorgelaten, kregen geen registratie en geen toegang tot zorg. Zoals het Bengaalse staatshoofd concludeerde bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties: ‘Bangladesh heeft zijn limiet bereikt.’
Dat roept de vraag op hoe het verder moet met de Rohingya, het volk dat niemand wil. Waar kunnen ze naartoe, behalve naar Bangladesh? En hoe zien zij hun toekomst zelf? Aan de 670 duizend Rohingya die nog altijd in Myanmar zijn, is het niet te vragen. Daarom keert de Volkskrant terug naar Kutupalong, het grootste vluchtelingenkamp bij Cox’s Bazar. Terwijl de wereld alweer druk is met andere crises, leven een miljoen Rohingya hier nog altijd in afwachting.
Het grootste vluchtelingenkamp ter wereld (of eigenlijk: de vluchtelingenkampen, want het zijn officieel 27 afzonderlijke, aan elkaar vastgegroeide kampen) rijd je haast ongemerkt binnen, zo druk is het. De kale heuvels die zeven jaar geleden het nieuws haalden, zijn verdwenen. Dezelfde tenten, gemaakt van bamboe en lapjes gescheurd zeil, staan nog even dicht op elkaar. Maar daar tussenin zijn winkelstalletjes gebouwd. Kampbewoners kopen er hun keukengerei, groenten, kleding of qatbladeren. Anderen drinken er hun thee met melk.
Ook staan er sinds kort weer bomen op de heuvels, waar het bos destijds in allerijl werd gekapt om plaats te maken voor de Rohingya. Hun wortels moeten de terugkerende modderlawines in het regenseizoen tegengaan. De bladeren geven op deze zomerse dag haast iets vrolijks aan de verder uitzichtloze plek.
Mohammed Sumon (18) heeft net zijn wiskundeles gegeven, en kijkt zijn ochtendgroep vanuit de deurpost van zijn lokaal na. De dertig kinderen rennen weg, richting de trappen en smalle gangen, die leiden naar hun tent. Hun toekomst ligt voorlopig in Bangladesh, weet hun docent. ‘Maar waarom investeert de overheid dan niet in ze?’
Sumon ziet dat het talent en arbeidspotentieel van deze kinderen nu wordt verspild. Op de enige beklinkerde winkelstraat die door de stad van tenten kronkelt, wordt zijn punt zichtbaar. Moeders met kind staan in de rij voor een poliovaccin. De Bengaalse begraafplaats ligt vol met Rohingya. En soms rennen jonge mannen voorbij met levensgrote knapzakken; geïmproviseerde ambulances die de vele zwangere vrouwen vervoeren.
Sumon wil dus maar zeggen: wie zo veel Rohingya als Bangladesh opvangt, heeft alle artsen en verpleegkundigen nodig die het kan krijgen. ‘Dan zou het toch logisch zijn om sommige slimme Rohingya-kinderen een opleiding te geven? Dat is toch ook handig voor Bangladesh zelf?’
Maar Bangladesh is altijd duidelijk geweest toen het zijn deuren opende voor de Rohingya: wij willen ze ook niet permanent, uiteindelijk moeten ze terug. Daarom krijgen de kinderen geen formeel onderwijs. Ze moeten het hebben van kampgenoten als Sumon. Hij geeft in zijn snikhete lokaal les uit afgedankte Myanmarese boeken. Ook hij heeft vanaf zijn 11de geen bevoegde docent meer gezien.
In 2017 was het een complete chaos bij Cox’s Bazar. Dat kon ook haast niet anders. In luttele maanden staken honderdduizenden vluchtelingen de grens over. De meesten kwamen na een dagenlange tocht uitgeput en getraumatiseerd aan. Bangladesh organiseerde hun opvang zo goed en kwaad als het ging, met hulp van alle denkbare ngo’s. Het was het toonbeeld van wat in Europa ‘opvang in de regio’ heet.
Maar na zeven jaar is het kamp nog altijd ingericht als een tijdelijke plek. Zo ligt het afval lukraak langs de weg. Aan van alles is tekort; van schoon drinkwater tot voldoende sanitaire voorzieningen. Ziekten als cholera en diarree springen van tent naar tent.
Wat het voor de Rohingya nog zwaarder maakt is het ‘afzonderingsbeleid’, zegt Anthony Caswell Perez, de woordvoerder van Artsen zonder Grenzen (AzG), in zijn kantoor buiten het kamp. Rohingya mogen van de Bengaalse overheid het omheinde kamp niet uit, ook niet om te werken. ‘Ze zijn daardoor volledig afhankelijk van humanitaire hulp.’
Dit strenge regime versterkt de problemen die er al zijn, zegt Caswell Perez. Zo zijn er in Kutupalong sinds een aantal jaar gewelddadige drugsbendes actief, die verantwoordelijk worden gehouden voor moorden en kidnappingen in het kamp. Dat is op zichzelf al een probleem en een katalysator van andere problemen. ‘Mensen blijven daardoor binnen, waardoor ze bijvoorbeeld minder snel een arts bezoeken als ze ziek zijn.’
Maar doordat de Rohingya het kamp niet uit mogen, kunnen ze ook niet worden beschermd tegen deze criminaliteit. ‘Je kunt ze hooguit verplaatsen naar een ander kamp’, zegt Caswell Perez. Maar in feite maakt dat geen verschil, omdat het als één groot kamp met elkaar is verbonden. ‘Dit hele afzonderingsbeleid vloeit voort uit het idee van Bangladesh dat terugkeer de enige oplossing voor de Rohingya is.’
Maar, of Bangladesh het nu wil of niet, de terugkeer van de Rohingya naar Myanmar is voorlopig een utopie. Het overwegend boeddhistische land heeft het volk al in 1982 het burgerschap ontzegd. Myanmar ziet de Rohingya al decennialang als indringers.
Daar is nu een burgeroorlog bijgekomen met een diep cynische kant. Hetzelfde Myanmarese leger dat de Rohingya zeven jaar geleden vermoordde, dwingt hen nu om mee te vechten tegen het Arakan-Leger, een van de opstandelingenlegers in Myanmar. En het eind van die strijd is nog niet in zicht.
Caswell Perez vindt dat Bangladesh vanwege die uitzichtloosheid zou moeten nadenken over hoe het isolement van de Rohingya kan worden opgeheven. ‘Ook al is het maar voor de tijdelijkheid’, zegt hij. ‘Want doe je dat niet, dan is de situatie over zeven jaar nog precies hetzelfde als nu.’
In Kutupalong vestigen de meesten hun hoop vooral op andere landen dan Bangladesh om een politieke oplossing voor hun volk te verzinnen. In een van de winkelstraatjes in het kamp zit Moni Alom (55) in een gehavende kappersstoel voor zijn twee maandelijkse ritueel: het knippen en kleuren van zijn hoofdhaar en baard. Een handdoek met daarop de afbeelding van een Bengaalse tijger ligt over zijn schoot. De pot zwarte verf staat al voor zijn witte uitgroei klaar.
Hij benadrukt, net als de meeste kampbewoners, dat hij het liefst terug wil naar zijn geboortegrond. Doorreizen naar een ander land? Nee, dat hoeft van hem niet. Wat hij van andere landen wil, is hulp bij zijn terugkeer. ‘Ik vind dat de internationale gemeenschap de Myanmarese overheid meer onder druk moet zetten om ons een paspoort te geven.’
Mohammad Yunus zit ondertussen in zijn maag met de Rohingya in zijn land. Hij is de leider van de interim-regering die in augustus in Bangladesh aantrad, nadat de vorige regering na hevige studentenprotesten is vertrokken. Ook hij zoekt de oplossing in het buitenland. Hij vroeg de VN om werk te maken van een politieke oplossing, die het volk moet laten terugkeren naar Myanmar. Tegelijkertijd moest hij concluderen: dat heeft zijn land zelf ook al geprobeerd, maar nog geen één Rohingya keerde de afgelopen jaren terug.
Langs een smal beekje in Kutupalong hakt Mohammed Ahmed (50) met een machette door een bamboestengel. Zijn vriend spreidt de uiteinden van de stam om hem het werk makkelijker te maken. Ahmed merkt dat het gebrek aan invulling van zijn dag hem begint op te breken. De klus waarmee hij nu bezig is, het herstellen van een brug van bamboe, is bijvoorbeeld de eerste opdracht die hij in een half jaar van een ngo kreeg.
Het gebrek aan privacy valt hem ook zwaar en dat wordt alleen maar erger binnenkort. Zijn twee inwonende dochters zijn zwanger. ‘En we wonen al met z’n zessen in één tent.’
Toch denkt Ahmed liever niet over oplossingen na. Hij ziet het leven in Kutupalong als een beproeving, die deel uitmaakt van ‘Allahs plan’. ‘Het enige wat wij kunnen doen, is onze kinderen een goede islamitische opvoeding geven. Maar het is een hopeloos leeg bestaan.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant