Decennialang waren Volkskrant-columnisten missionarissen van het goede fatsoen. Ze vertelden u ’s ochtends bij de koffie wat ons soort mensen moest vinden van Wim Koks commissariaat bij Shell, opdat u de rest van de dag vol overgave kon verkondigen hoe schandalig dat eigenlijk was. Helaas is die tijd voorbij en moet u het anno 2024 met mij doen, iemand die tijdens zijn vakantie hoofdzakelijk heeft nagedacht over de vraag of ‘flapdrol’ wel of geen goede omschrijving is voor Marjolein Faber.
We waren in een land waar nooit iemand aan Nederland denkt en toen ons gesprek in de bar na een half uur stil dreigde te vallen, vroegen onze tafelgenoten uit beleefdheid hoe het eigenlijk ging in dat ooit zo tolerante poppenlandje aan de Noordzee.
Over de auteur
Jarl van der Ploeg is journalist en columnist voor de Volkskrant. Hij werkte eerder als correspondent in Italië. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Even overwoog ik om de diepte in te gaan door uit te leggen dat ook bij ons een hevige strijd woedt tussen de democratie en het populisme; dat de belangrijkste politicus van het land zelfs de burgemeester van Amsterdam wil deporteren omdat ze een demonstratie toestond die hem inhoudelijk niet zinde; dat hij, ondanks een waarschuwing van 15 duizend wetenschappers, ‘de Klimaatwet, het Klimaatakkoord en alle andere klimaatmaatregelen direct door de shredder’ wil halen, en dat hij bovendien zo’n pesthekel aan buitenlanders heeft dat hij momenteel probeert het parlement buitenspel te zetten zodat hij er zoveel mogelijk het land uit kan flikkeren.
Maar omdat het al laat was, en omdat zo’n opsomming suggereert dat Wilders ook daadwerkelijk iets voor elkaar krijgt, terwijl hij in de praktijk vooral van het lullen is in plaats van het poetsen – geen daden, maar woorden, zeg maar – besloot ik de door hem bij elkaar geraapte ministersploeg wat kernachtiger samen te vatten.
Het eerste woord dat zich bij mij opdrong (randdebielen) bleek alleen ongeschikt, omdat ik a) geen idee had hoe ik dat in het Engels moest vertalen en b) geen zin had in een ellenlange discussie over het verschil tussen extreme- en radicale randdebielen. Ook ‘oetlullen’ leek mij onvertaalbaar, maar gelukkig kwam toen de flapdrol dus al vrij snel mijn hoofd binnen zeilen, ik vermoed omdat ik in het vliegtuig nog een podcast over Femke Wiersma en het mestoverschot had geluisterd.
Dankzij een zeer onderhoudend artikel in de NRC uit 2009 (aanleiding: Jan Marijnissen die minister Koenders tot driemaal toe uitmaakte voor flapdrol), weet ik bovendien vrij veel over de flapdrol. Bijvoorbeeld dat een van de eerste vermeldingen dateert uit 1906, toen het verscheen in een Bargoens zakwoordenboek genaamd De Boeventaal, bedoeld voor politieagenten die de ‘geheimtaalwoorden’ van criminelen wilden ontcijferen. Het boek was een succes. Zo kreeg de ietwat beschonken veekoopman Pieter H. uit Sneek niet lang daarna al een proces verbaal aan zijn broek omdat hij een frikkerige agent toebeet: ‘Jij doet mij toch niks, flapdrol’.
Temeer de agent in kwestie in mijn fantasie de gedaante van Marjolein Faber had aangenomen, leek de term mij perfect. En dus zei ik vol overgave tegen mijn tafelgenoten: ‘We are currently ruled by a government of flap turds’.
Een paar dagen later las ik in het vliegtuig terug over het blauwtje dat diezelfde Faber had gelopen bij de EU-top in Luxemburg, waar de door haar zo gewenste Nederlandse opt-out op het asielbeleid niet eens op de agenda bleek te staan. Ik dacht wederom aan Pieter H. uit Sneek en zijn wat mij betreft gevleugelde woorden: ‘Jij doet mij toch niets, flapdrol.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant