Onze jaarlijkse reis naar plaatsen waar wij nog nooit zijn geweest, was dit keer erg ambitieus. Via Oostende en de tunnel ging het naar Eastbourne en Brighton, om vandaar verder te rijden naar Salisbury en Bath. En dan langs de kust van Wales naar Laugharne, waar nog altijd het schrijvershuisje staat van Dylan Thomas, dat uitkijkt over de idyllische rivier de Tâf. Dat was de eerste etappe. Het was heerlijk om Gaza, Oekraïne, Geert Wilders, Asha ten Broeke en Sander Schimmelpenninck geheel achter ons te laten.
Over de auteur
Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
De tweede etappe ging per ferry van Rosslare naar Bilbao, waar we werden opgewacht door aangenamer weer. Een prachtige stad ook, niet in de laatste plaats dankzij het krankzinnige Guggenheim Museum. Vandaar verder naar Guernica en naar Léon, waar een machtige kathedraal staat, om vervolgens in Santiago de Compostella het grootste wierookvat ter wereld over onze hoofden te zien zoeven. Dan naar Porto en langs de meanderende Douro, die beneden in het dal onzichtbaar bleef in de mist, waarna we afzakten naar Fatima om met eigen ogen waar te nemen hoe pelgrims schuifelend op de knieën vergeving zoeken voor hun zonden.
Dat was etappe twee. In de derde zouden wij het meest zuidelijke punt van onze reis bereiken: Gibraltar. Daar kwamen we aan op zaterdagmiddag. De aanblik van de Rots, die oprijst uit het azuurblauwe water van twee wereldzeeën, is adembenemend. Een paradijs en tevens een toevluchtsoord, waar door veel partijen hard om is gevochten. We hadden nog tijd om voor het donker met een kabelbaan de Rots te bestijgen, waar we werden ontvangen door de wilde apen, die heel wat minder wild bleken dan was aangekondigd. Eentje legde zich binnen handbereik te ruste op een nog warme muur en viel in slaap. Het schijnt dat Churchill uit propagandistische overwegingen in het geheim apen uit Marokko heeft laten overkomen, toen zij op de Rots dreigden uit te sterven.
Gibraltar is typisch Engels. Bij elk referendum stemmen de Gibraltarezen in Sovjet-meerderheden ervoor Brits te blijven. Daarom is het in Gibraltar om negen uur ’s avonds uitgestorven, terwijl men in Spanje dan aan tafel gaat en het leven pas echt begint. Zelfs de slijterijen in Gibraltar, waar men tegen vrijhandelstarieven terecht kan, waren dicht. Wandelend door de steegjes moest ik denken aan John Cleese, die heeft gezegd dat je voor een feest nooit Engelsen moet uitnodigen, want dan krijg je ‘een stapel lijken op bezoek’. Engelsen bespotten is trouwens typisch Engels.
Ook op zondag is in Gibraltar weinig te doen, maar ik zou er een van de merkwaardigste dagen uit mijn leven meemaken. Op onze reis hadden we vele kathedralen bezocht, de ene nog indrukwekkender dan de andere, zoals die in Salisbury, waar we werden ontvangen door een oorlogsveteraan in tenue die vroeg of we Frans waren. Op onze ontkenning zei hij: ‘Godzijdank. They eat snails! (slakken).’
Op zoek naar iets anders dan de christelijke cultuur, vroeg ik mij af of er in Gibraltar ook synagogen zijn. Tot mijn verrassing bleken er liefst vier synagogen nog actief, en dat op een bevolkingsaantal van ongeveer dertigduizend. Daar kan Amsterdam een puntje aan zuigen. Net als in Amsterdam zijn ook Joden in Gibraltar vervolgd, maar steeds kwamen ze terug. Dankzij de protectie van de Engelsen wisten ze zich tenslotte te handhaven op dat stukje rots. Ook de Nederlandse vloot onder gezag van Jacob van Heemskerck heeft bij de Slag om Gibraltar (1607) nog een rolletje gespeeld ten gunste van de Joden. Van Heemskerck kreeg daarbij wel een kanonskogel in zijn been en moest toen helaas sterven voor de goede saeck.
Op zondagmorgen gingen we op zoek naar de synagogen. De straten waren nog leeg, maar in een pub zaten leden van een Harley Davidson-motorclub luidruchtig te ontbijten. Verderop troffen we een huis aan met, half verborgen, een menora en een davidster op de gevel. Hier moest het zijn. We belden aan, er gebeurde niets. Terwijl we nog wat heen en weer drentelden, zwaaide aan de overkant een deur open. Een Engelsman die wilde gaan rennen, kwam naar buiten. Op onze vraag wanneer de synagoge te bezichtigen was, zei hij verbaasd: ‘Is dat een synagoge? Ik woon hier al twintig jaar, maar dat heb ik nooit geweten.’
Zijn antwoord leek mij bijzonder treffend voor de situatie van de Europese Joden.
Een kwartier later stonden we voor een andere synagoge. Nu was er wel een reactie. Een man met een keppeltje stak zijn hoofd om de deur. Hij leek mij een rabbijn van het echte soort, die niet vraagt ‘geloof jij in God?’, maar ‘ben jij Joods?’
(Wordt vervolgd)
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns