Auteur David Mitchell geeft in november een lezing over onder meer het bestaan als ‘professionele fantast’. Want wat is er mis met schrijven over wat je niet kent? ‘Geef je geest geen tijd om zichzelf aan de binnenkant te blijven krabben.’
David Mitchell stuurt zijn auto over de bochtige weggetjes van een overweldigend groen Iers landschap, langs dorpjes met namen als Innishannon en Dunderrow. De zon schijnt fel. Tussen ons in staan twee thermosflessen met kombucha, zelfgemaakt door zijn Japanse vrouw Keiko. Hij heeft een plan voor deze dag.
Ook heeft hij veel vragen, want de schrijver is een nieuwsgierig mens. ‘Rook je de schapenpoep toen je uit het vliegtuig stapte?’ Verrek, nou hij het zegt… ‘Zou je, als je het niet vervelend vindt, in een paar korte scènes kunnen beschrijven wie jij bent, alsof het de trailer van een serie is?’
En even later, als ik ben vastgelopen in de eerste scène: ‘Ben je bekend met een tamelijk obscure Britse artiest genaamd Ian Dury? En dan in het bijzonder met het nummer Reasons to be cheerful?’
Ben ik.
‘Ha, mooi! Ik moest eraan denken toen ik vanochtend de gordijnen opendeed. We kunnen het vandaag natuurlijk hebben over de dystopische hel waar de mensheid mogelijkerwijs op afstevent, maar het hóéft niet. We kunnen ook een lijst maken van redenen om opgewekt te zijn.’
Hij wijst naar de strakblauwe, wolkenloze lucht boven ons. ‘Kijk, dat is er al één. Geloof me, zoiets maak je in Ierland echt zelden mee.’
Al ruim twintig jaar woont hij hier, in een dorpje aan de zuidkust. Het is volgens de geboren Brit het gevolg van de ‘onvoorspelbaarheid van het leven’. Als jongeman heeft hij veel gereisd en onder meer acht jaar in Japan gewoond, waar hij zijn vrouw ontmoette.
‘Ik had twee boeken geschreven terwijl ik ernaast gewoon werkte, maar toen we een kind kregen, werd het de vraag of ik van het schrijverschap een gezin zou kunnen onderhouden. Dus zochten we iets betaalbaars, op een rustige plek, liefst dicht bij de zee. Toen hoorde ik van iemand dat schrijvers in Ierland geen inkomstenbelasting hoefden te betalen, net als muzikanten en paardenfokkers. En dat bleek nog te kloppen ook!
‘Het is inmiddels teruggedraaid, wat ik terecht vind; als vroedvrouwen en politieagenten belasting moeten betalen, waarom schrijvers dan niet. Maar het was fijn zolang het duurde, want het gold nog toen Wolkenatlas uitkwam. Dat is mijn grootste verkoopsucces. Het is later verfilmd in Hollywood, wat me ook een zeer vriendelijk bedrag opleverde.
Feitelijk heeft Ierland mij een artistieke vrijheid geschonken die tot op de dag van vandaag voortduurt, en daar ben ik vanzelfsprekend erg dankbaar voor.’
Het is zeker niet de enige reden om cheerful te zijn over Ierland, zegt hij. ‘Er geldt hier een ongeschreven regel: als ik nu een bekende tegenkom op een plattelandsweggetje als dit, dan mag ik gewoon de auto stilzetten, mijn raampje opendraaien en een praatje maken. Ook al blokkeer je de weg, toch heb je ongeveer dertig seconden om er rustig een eind aan te breien, voordat de persoon achter je het recht heeft om te toeteren. In zo’n land wil ik graag wonen. Er zijn genoeg landen waar mensen tegen die tijd allang een pistool hebben getrokken.’
Zo werd Ierland gaandeweg zijn thuis. ‘Het was alsof mijn lichaam dat eerder in de gaten had dan mijn geest. Eigenlijk hou ik er niet zo van om te zeggen: ik ben een echte Ier geworden. Of: ik blijf altijd een Brit. Je kunt ook allebei zijn, hybride. Het doet er gewoon niet zo toe, je hoeft niet te kiezen.
‘Maar toch was het opvallend: altijd als ik in Engeland op Heathrow aankwam, schoot ik meteen in ninja-modus. Opletten, voorzichtig, wie weet loert er gevaar! Maar op het vliegveld van Cork voelde ik juist dat ik rustig werd, dat mijn longen zich openden. De douaniers hier zeggen ‘thank you David’ als ik ze mijn Ierse paspoort laat zien – altijd, en altijd met mijn voornaam. En natuurlijk is er onmiddellijk die vertrouwde geur van schapenpoep.’
Over de malse heuvels gaat het, tot we een eeuwenoud fort bereiken, uitkijkend over de baai van Kinsale. ‘Hier neem ik graag mensen mee naartoe als ik indruk op ze wil maken’, zegt Mitchell lachend. Binnen leidt hij me naar zijn favoriete plekje tussen de ruïnes, waar we gaan zitten, kont in het gras. In de verte glinstert de Atlantische Oceaan.
De schrijver draait zijn visserspet achterstevoren, omdat hij het lullig vindt als alleen zijn gast tegen de zon in moet kijken. ‘Lijkt dit je een geschikte plek voor het meer formele gedeelte van vandaag?’
Aanleiding voor het interview is de Van der Leeuw-lezing die hij op 1 november zal houden in de Martinikerk in Groningen. Geschreven heeft hij de lezing nog niet, maar ze danst al door zijn hoofd. Over schrijven zal het gaan, en hoe het is om een ‘professionele fantast’ te zijn.
‘Het enige onderwerp waarvan ik durf te zeggen dat ik er enigszins gespecialiseerd in ben. Gek genoeg heb ik mijn gedachten erover nog nooit echt met anderen gedeeld. Dus ik vrees dat ik vandaag wat wilde ideeën op jou zal moeten uitproberen.’
Een titel is er al wel: Life in the Tower of Story – een verwijzing naar Leonard Cohens monumentale lied Tower of Song. ‘Dat nummer is een soort constante metgezel in mijn leven geweest sinds het uitkwam in 1988. Ik ontdek er nog steeds nieuwe dingen in, alsof het met de jaren met me mee verandert. ‘Hèhè’, lijkt het soms te zeggen, ‘heb je eindelijk deze betekenis in me ontsleuteld?’
‘Maar in de kern is het een zelfportret, droog en vol coheneske zelfspot, van een man die zijn inkomen, status en identiteit ontleent aan het schrijven van songs. Dit keer schrijft hij er een die dáárover gaat, een meta-song, over hoe het is om hem te zijn, om te wonen in die toren en er huur te betalen.
‘Door ‘song’ te veranderen in ‘story’ kreeg ik een mooi kader voor de lezing. Want net als Cohen kan ik onderhand wel zeggen dat ik in die toren woon, een paar verdiepingen onder de echte meesters, meestal tot mijn grote tevredenheid.’
Cohen zingt: ‘I was born like this, I had no choice.’ Geldt dat ook voor jou als schrijver?
‘Er zijn parallelle universums denkbaar waarin ik een ander beroep had beoefend, maar er waren in mijn jeugd wel strategische redenen die mij deze kant op duwden. Ik stotter, vroeger was het erger dan nu. Daarom heb ik mezelf al vroeg aangeleerd om dingen op verschillende manieren te kunnen zeggen, puur als een manier om op het schoolplein te overleven. Ik moest zorgen dat ik bepaalde woorden kon vermijden.
‘Stel, ik wilde zeggen: ‘That’s a matter of opinion’, dan wist ik dat ik aan die ‘p’ zou blijven haken. Dus had ik ‘dat is subjectief’ paraat.’
Lachend: ‘Of het verstandig is om als 11-jarige op een tamelijk ruige school het woord ‘subjectief’ te gebruiken, dat is weer een tweede. Punt is: ik deed dit soort dingen honderd keer per minuut. Het nadeel ervan was dat ik altijd op mijn hoede was, maar het leverde me wel een grote woordenschat op, en ook een grote liefde voor woorden. En nu is het een belangrijk deel van mijn werk om precies – precíés – het juiste woord te vinden, om de lezer mee te kunnen nemen naar een bepaald tijdperk of een bepaalde sociale klasse.’
Dus stotteren heeft je geholpen toen je begon met schrijven?
‘Absoluut. Aan de andere kant: niet alle stotteraars worden natuurlijk romanschrijvers. Eens kijken, waarmee heeft mijn jeugd me nog meer uitgerust? Ik heb altijd een sterke behoefte gehad om bepaalde fenomenen en gevoelens te benoemen die ik ervaarde maar nooit eerder in woorden uitgedrukt had gezien. En nog steeds. Het geeft me een geweldig gevoel als dat lukt. Dan heb ik weer een maand mijn huur betaald in de Tower of Story.’
In die toren schiep David Mitchell een even uniek als wonderlijk oeuvre, waarin de enige constante lijkt te zijn dat er geen constante is. Zijn laatste boek Utopia Avenue (waarin Leonard Cohen trouwens ook een rolletje speelt) gaat over de muziekscene van het ‘swinging London’ van de sixties – die hij zelf niet meemaakte.
‘De Niet Verhoorde Gebeden van Jacob de Zoet speelt zich af in de 18de eeuw, deels in Nederland en deels in Japan. In Wolkenatlas bond hij vijf verschillende verhalen aaneen, beginnend in 1850 en eindigend in een verre toekomst. Schijnbaar moeiteloos schakelt hij tussen genres en tijdperken, en hanteert hij verschillende taalregisters. Het beroemde schrijversadagium ‘write what you know’ is duidelijk niet aan hem besteed.
‘Haha, dat klopt. Het grappige van zulke aforismen is dat het tegenovergestelde ervan vaak net zo goed kan gelden. Wat is er mis met schrijven over dat wat je van nature niet weet? Voor Jacob de Zoet heb ik een half jaar in Nederland gewoond om research te doen, voor Utopia Avenue nam ik piano- en gitaarles, zodat ik niet iets doms zou schrijven over het bespelen van een instrument.
‘Het uitgangspunt is het boek waar ik aan werk, maar ondertussen vergaar ik kennis. Dat is toch iets geweldigs? Volgens mij is het een van de beste remedies tegen de zwaarte van het leven: leer iets. Geef je geest geen tijd om zichzelf steeds maar aan de binnenkant te blijven krabben, maar zet hem aan het werk.’
Daar moet je een nieuwsgierig mens voor zijn. Ben jij dat altijd geweest?
‘Zoals een irritante puber zou zeggen: duh! Wat ik trouwens een bijzonder interessant en economisch woord vind. Drie letters, en je drukt er zoveel mee uit. Maar goed, in mijn ervaring is nieuwsgierigheid niet iets wat je verwerft, maar iets dat je niet kunt uitroeien. Dus: ja.’
Waarom hij zoveel plezier ontleent aan het verzinnen van verhalen weet hij zelf ook niet. ‘Ik kan daar alleen maar veel te rationele verklaringen voor bedenken. De meeste mensen zijn niet zo goed in het ontvangen en verwerken van feiten. Wetenschappers hebben zichzelf daarin getraind, en goddank, want daar danken we allemaal ons leven aan. Laten we alsjeblieft niet neerkijken op feiten, ze hebben het de laatste tijd al moeilijk genoeg. Maar waar we op aanslaan zijn verhalen.
‘Kijk naar hoe reclame werkt, kijk naar goede doelen. Nooit krijg je feiten opgelepeld over de abominabele staat van het Belarussische zorgsysteem of de dalende graanproductie in de Hoorn van Afrika. Wat je te zien krijgt, is een kind, liefst met grote ogen, in een medische context of op de vlucht. Dat werkt. Demagogen weten het ook, helaas. Donald Trump komt niet met cijfers, want de cijfers zijn niet zijn vrienden. Dus komt hij met honden en katten. Als je mensen wilt beïnvloeden, go for the story.’
Hij kauwt even op zijn eigen antwoord. ‘Ik hoop dat dit niet al te cynisch klinkt, maar in zekere zin doe ik natuurlijk net zoiets. Schrijvers en wetenschappers wonen in hetzelfde bos, maar ze behoren niet tot dezelfde stam. Ik kan niet zonder feiten als ik een geloofwaardige wereld wil creëren, maar om een connectie met de lezer te maken heb ik verhalen nodig. En gevoelens.’
Een van de wapens die hij daarbij hanteert is de ‘iwath’ – een zelfbedacht woord dat een samentrekking is van ‘I was there’. ‘Een iwath kan van alles zijn; een anekdote, een ervaring, een herinnering, een feit dat je niet op Wikipedia kunt vinden. Het gaat erom dat het iets is dat je niet kunt verzinnen. Je moet erbij zijn geweest, je moet het hebben meegemaakt.’
Grijnzend: ‘De geur van schapenpoep op het vliegveld van Cork: dat is een iwath. Er zijn niet veel vliegvelden waar het vee zo dicht bij de landingsbaan staat. Als de lezer het toevallig weet, denkt ie: ja, inderdaad! Maar ook als je nog nooit hier bent geweest, voelt zoiets authentiek aan en krijg je de indruk: die man weet waar hij het over heeft.
‘Het draagt bij aan de suspension of disbelief – de bereidheid van de lezer om te blijven geloven in een verhaal waarvan hij of zij wéét dat het fictief is. Omdat het echt vóélt. Hier is een typisch Holllandse iwath, uit de winter die ik bij jullie heb doorgebracht: ik fietste van Wassenaar naar Leiden, door de polder, en er stak een sneeuwstorm op. Ik had een goede winterjas, met nauwsluitend elastiek bij de polsen, en tóch slaagde een sneeuwvlok erin om binnen te dringen, heel langzaam hoog in mijn mouw te kruipen en daar te smelten in mijn oksel. Nou, niemand zal ooit uit zichzelf denken: hoe zou dat zijn? Je móét het ervaren hebben.’
Elke scène heeft drie iwaths nodig, zegt hij. ‘Met name in historische fictie. Stop je er meer in, dan lijkt het alsof je te hard je best doet. Met drie geef je lezers precies genoeg brandstof, of gereedschap, om ze te laten vergeten dat wat ze lezen niet echt is.’
Je klinkt heel stellig ineens.
‘Het is inderdaad een persoonlijke stelregel die ik zelfs op tv nog hartstochtelijk zou verdedigen – als er tenminste ergens een programma zou bestaan waarin je dat kon doen. Voor feitelijke research hoef je tegenwoordig je deur niet uit, ik had niet in Nederland hoeven te wonen om te leren over de VOC. Maar wél om iwaths te verzamelen. Hoe valt het licht in jullie kerken, hoe ruikt jullie regen?
‘Het is een fantastische dag als ik een iwath identificeer en in woorden weet te vangen. Waarom ik er zo’n kick van krijg, weet ik niet precies. Wel dat het me enorm helpt om mijn verblijf in de Tower of Story nog wat langer te rekken.’
Heb je nog meer van zulke stelregels?
‘Niet echt. Alleen een paar met een hoog duh!-gehalte. Wees niet saai, wees niet pretentieus, maak geen stomme fouten. Voer geen magnetron op in een jarenveertighuishouden. Wat je in zo’n huishouden weer wel kan doen, is een frase gebruiken als ‘I wouldn’t do that for toffee’ – een archaïsche uitdrukking die allang is uitgestorven. Stop dat in een verhaal, en: meer brandstof, meer gereedschap.’
Een opvallend aspect van jouw oeuvre is dat je vaak personages uit vorige boeken laat terugkeren. Zit daar een gedachte achter? Zie je een breder verband in je werk?
‘Het eerlijke antwoord is: ik weet het niet. Ook in mijn nieuwe boek zullen weer oude personages terugkeren. Er is bijna geen ‘waarom’, en in elk geval geen masterplan. Soms, vaak als ik aan het wandelen ben, vraag ik me opeens af: wat zou er gebeuren als die ene persoon opduikt in de scène waar ik nu aan werk? Wat zou hij of zij zeggen of doen? Hoe verhoudt hij zich tot de anderen? En als het dan werkt, dan voel ik een scheut van pure vreugde.’
Omdat je van de personages bent gaan houden?
‘Soms. Het zijn niet altijd aardige mensen hè. Ik hou ervan om verbanden te zien tussen zaken waarvan ik niet besefte dat ze verbonden waren. Bruggen slaan, tunnels graven. Misschien moet je het zien als, eh, Lego. Als mijn versie van iets bouwen, iets máken.
‘Natuurlijk heb ik het over niet-bestaande mensen, dus ik beweer niet dat dit ertoe doet in het grote geheel der dingen. Maar in mijn wereld is het belangrijk. Het houdt alles wat ik heb geschreven enigszins bijeen, zorgt ervoor dat mijn boeken nooit weeskinderen worden. Want ze hebben elkaar.’
De zon is gezakt en zet de baai in lichterlaaie. De thermosflessen met kombucha zijn leeg. ‘We zouden hier natuurlijk nog uren kunnen doorpraten’, zegt Mitchell, hartelijk en voorkomend als hij is, ‘maar ik stel voor dat we ook de inwendige mens wat aandacht geven. Toevallig ken ik hier verderop een restaurantje waar ze kakelverse Sint Jacobsschelpen serveren. En ik garandeer je: that’s a reason to be cheerful.’
De 42ste Van der Leeuwlezing door David Mitchell heeft als titel Life in the Tower of Story. Mitchell buigt zich over de vraag hoe en waarom fictie werkt. Coreferent is Ionica Smeets, hoogleraar wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Leiden en columnist van de Volkskrant. Mitchell spreekt de lezing uit op 1 november in de Martinikerk in Groningen. Gratis kaarten zijn te bestellen via vanderleeuwlezing.nl.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant