Waarom zou je stekelig worden omdat iemand een tekort heeft? Die vraag spookt door mijn hoofd na het lezen van het nieuwe boek van Marieke Groen: Het verhaal van mijn schaarste. Daarin schrijft ze over vier verschillende tekorten in haar leven: armoede, ziekte, honger en eenzaamheid. Haar verhaal is persoonlijk, maar legt tegelijkertijd bloot hoe onze samenleving omgaat met mensen die worstelen met schaarste in hun leven.
Over de auteur
Ibtihal Jadib is rechter-plaatsvervanger, schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Groen begint haar verhaal met het onderwerp armoede. Na jarenlang financieel watertrappelen, komt ze op het punt dat ze al haar mogelijkheden (en zichzelf) heeft uitgeput. Ze meldt zich bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) voor een bijstandsuitkering. Over die ervaring schrijft ze: ‘Contact met de DWI verloopt zonder uitzondering moeizaam en op een onaangename manier. Word ik niet afgeblaft of betuttelend toegesproken aan de telefoon, dan is de toon wel wantrouwig, vol nauwelijks verhulde afkeer, alsof ik word beschuldigd van iets waarvan ik niet weet dat ik het heb gedaan.’
Na elk telefoontje voelt ze zich klein en slecht. Zodra ze een brief ziet van de gemeente krijgt ze een knoop in haar maag, ze probeert het contact met de DWI tot een minimum te beperken. Na een halfjaar in de bijstand is Groen ervan doordrongen dat de uitkeringsgerechtigde het laagste van het laagste is: ‘Er mag alles tegen hem worden gezegd, alles van hem worden geëist en je weet dat hij alles zal accepteren, zo bang is hij om gekort te worden op zijn uitkering, iets waar in elke brief mee wordt gedreigd’.
Minister Van Hijum (Sociale Zaken) heeft onlangs een wetsvoorstel aangekondigd met daarin het ‘recht op een vergissing’. Dat moet een knop omzetten bij ambtenaren en uitkeringsinstanties, die bij een fout niet meteen kwade opzet hoeven te veronderstellen. Wantrouwen moet niet meer de norm zijn bij de benadering van mensen.
Zodra we spreken over een schenkende overheid en ontvangende burgers richt het gesprek zich op fraude. Hierdoor verschuiven twee fundamentele vragen naar de achtergrond. De eerste gaat over de verwarring tussen vorm en inhoud. Hoe streng een wet ook moge zijn, nergens is een bepaling te vinden die voorschrijft dat burgers afgeblaft of vernederd mogen worden wanneer zij (mogelijk) iets verkeerd hebben gedaan. We moeten ons daarom vooral de vraag stellen waarom fatsoenlijke bejegening geen vanzelfsprekendheid is.
De tweede vraag die op de voorgrond zou moeten staan is simpel: wat is er aan de hand? Marieke Groen beschrijft in haar boek verschillende oorzaken van haar armoede, en geen daarvan had te maken met lui, stom of dom zijn. Integendeel, de schrijfster is een capabele, intelligente vrouw die veel meer zou hebben gehad aan een onderzoekende overheid. Een overheid die geïnteresseerd is in het zoeken naar een oplossing voor de burger in nood die zelf óók veel liever de eigen broek ophoudt.
Net als zoveel anderen kreeg Groen van huis uit een verkeerde plattegrond mee waarmee ze haar weg in het leven moest zien te vinden. Ze werd grootgebracht door een stel ouders waarvan je je alleen maar kunt afvragen wat hen in vredesnaam bezield heeft. Dat is een kwestie van dikke pech. Toch is het normaal om je te schamen voor alles wat je tekortkomt. We zitten als collectief niet te wachten op mensen die de boel ophouden. Dat laatste is het enige echte gebrek waarvoor schaamte op zijn plek is.
Source: Volkskrant