Bij de herdenking van de terreuraanval van Hamas, maandag op de Dam in Amsterdam, kwam het tot botsingen met Pro-Palestijnse tegendemonstranten. Het leidt tot felle kritiek op burgemeester Femke Halsema, die de tegendemonstratie toestond. Handelde zij juist? Vier vragen.
De confrontaties tussen bezoekers van de 7-oktoberherdenking en de pro-Palestijnse tegendemonstranten ontstonden doordat de eersten de laatsten op het Damrak moesten passeren onderweg naar hun herdenking. Waarom moest die tegendemonstratie zo in de buurt zijn?
Halsema was niet verplicht het Damrak als plek voor de demonstratie aan te wijzen, maar was wel gebonden aan de Dam. Dat volgt uit Europese jurisprudentie, zegt Jan Brouwer, als hoogleraar recht en samenleving verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Burgemeesters zitten bij dit soort tegendemonstratie als het ware gevangen in Europese jurisprudentie. Een tegenprotest moet namelijk binnen zicht- en gehoorafstand zijn van de oorspronkelijke betoging. Tegendemonstranten hebben met hun actie een doel: gehoord worden door de eerste groep. Het Europese recht faciliteert dat.’
Over de auteur
Maartje Geels is nieuwsverslaggever van de Volkskrant.
Velen vonden een tegendemonstratie ongepast. Had burgemeester Halsema de demonstratie ook kunnen verbieden?
De gang van zaken maandag doet denken aan de opening van het Holocaustmuseum, afgelopen maart in Amsterdam. Pro-Palestijnse betogers protesteerden toen tegen de aanwezigheid van de Israëlische president Herzog. Ook toen kwam Halsema onder vuur te liggen omdat mensen meenden dat ze dat protest had moeten verbieden.
Brouwer ziet in die betoging ook een vorm van tegenprotest. Dergelijke demonstraties zijn niet nieuw: ‘Dit gebeurt al decennia, al zagen we het voorheen meestal bij extreemrechts. Demonstreert extreemrechts, dan komt dan komt het antifacistisch actiecomité steevast opdagen. Dat is hoe een democratie hoort te functioneren en het is niet aan de lokale politiek zich daarmee te bemoeien.’
Sterker nog, voegt Brouwer toe, de Grondwet en de Wet openbare manifestaties verbieden het de burgemeester zich met de inhoud van de demonstraties te bemoeien. Vinden er strafbare feiten plaats, dan is het aan het Openbaar Ministerie om in actie te komen.
Brouwer bekritiseerde Halsema dit voorjaar dan ook toen ze op een ander moment wél een demonstratie verbood: tijdens de Dodenherdenking op de Dam. Ze deed dat naar eigen zeggen om te voorkomen dat er door een eventueel protest onrust zou ontstaan onder de menigte op de Dam.
Aan wat voor regels zijn tegendemonstraties wel gebonden?
De oorspronkelijke groep demonstranten moet de kans krijgen vrij en veilig te betogen. Tegendemonstranten zijn dan ook verplicht op de aangewezen locatie te blijven. Verplaatsen ze zich toch, dan moeten de autoriteiten ingrijpen. Dat gebeurde maandag: de politie arresteerde uiteindelijk 320 pro-Palestijnse betogers.
Brouwer: ‘Het zijn dilemma’s: er zijn bij zulke demonstraties vaak enorm veel mensen op de been. Dreigen er ongeregeldheden, dan is de wet simpel: beëindig het. Maar praktisch gezien is dat lastig: luisteren demonstranten wel? En als ze dat niet doen, wat moeten de autoriteiten dan? Ik kan niet anders zeggen dan dat Halsema zich tot dusver heel rechtsstatelijk opstelt: ze handelt steeds volgens de wet. Dat valt te prijzen.’
Hij vervolgt: ‘Het is jammer dat demonstranten misbruik maken van hun demonstratievrijheid. Die bestaat bij de gratie van tolerantie: van de overheid, maar ook van de demonstranten zelf. Je moet ook respect houden voor het standpunt van de eerste groep betogers.’
Aan het Binnenhof klinkt de roep aan om het demonstratierecht in te perken. Kan dat?
Absoluut niet, stelt Brouwer resoluut. In de Wet openbare manifestaties is onder meer vastgelegd dat wie wil betogen, daar geen toestemming voor nodig heeft. En die wet valt niet zomaar te wijzigen. Boven de Nederlandse wetgeving hangen Europese regels, die volgen uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Brouwer: ‘De kern van het demonstratierecht is het beschermen van minderheidsstandpunten. Die kunnen onwelgevallig zijn voor de politiek, maar het is bijzonder nuttig, dat minderheden wel deze mogelijkheid hebben. Activisten worden in het begin vaak gezien als brengers van een onplezierige boodschap, de praktijk leert dat daar later vaak anders op wordt teruggekeken. De Greenpeace-acties van de jaren tachtig werden bijna als terreur gezien. Daar denken we nu echt anders over.’
‘Ik ben verplicht de rechtsstaat te handhaven’, reageerde burgemeester Femke Halsema dinsdagavond bij NPO-talkshow Eva. Zij bestreed de lezing dat het maandag uit de hand liep. Wel erkende ze dat er rondom de Dam ‘akelige incidenten’ hebben plaatsgevonden.
‘De manifestatie op de Dam moest ongehinderd doorgaan en dat is gebeurd. De betoging heeft twee uur geduurd en er is een stilte gehouden.’ De tegendemonstraties hebben betogers op de Dam volgens Halsema niet gehoord.
De Pro-Palestijnse demonstranten hadden volgens de burgemeester ook op het plein willen staan. ‘Dat was voor mij onaanvaardbaar: de manifestatie moest met respect en in stilte plaatsvinden.’ Volgens de burgemeester werd in samenspraak met politiespecialisten gekozen voor het Damrak, als locatie voor de tegendemonstratie: ‘Alle plekken in het centrum worden nagegaan en dit was de minst risicovolle plek.’
Over de tegendemonstratie zelf stelde Halsema deze ‘niet smaakvol’ te vinden. ‘Maar dan kan ik mensen nog niet hun rechten ontnemen. Ik kan dit wel vinden, maar zo’n demonstratie niet verbieden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant