‘Kun jij even een column over mij schrijven?’, roept mevrouw Talman (90) vanuit de badkamer. Ze grinnikt. ‘Dan kan mijn zoon in de krant lezen hoe het met mij gaat.’
‘Nou, hoe gaat het met u?’, vraag ik, terwijl ik het bed opmaak. Ik heb mevrouw Talman net uit bed en in de rolstoel geholpen. Het ochtendritueel gaat hier altijd hetzelfde; ik weet precies wat ik moet doen terwijl zij zich wast bij de wastafel.
Ik leg een rode sprei over het bed, met twee sierkussens erop en een gebloemde loper aan het voeteneind. De po-stoel, die ’s nachts bij het bed staat en die ze haar ijscowagen noemt vanwege het gerinkel van de metalen ondersteek als ik hem door de kamer rijd, moet ik legen en in de badkamer parkeren. De spulletjes op het nachtkastje ruim ik op: haar bril en telefoon op het tafeltje naast de bank, het blikje pepermunt en pakje zakdoeken gaan in de bovenste lade van de kast, en het lege glas op het aanrecht. Medicijnen controleren en klaarzetten. Gordijnen open.
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Mevrouw Talman antwoordt niet. Ik loop naar de badkamer en kijk om de hoek van de deur. Ze zit ernstig voor zich uit te kijken. Tsja, hoe gaat het eigenlijk? Ik denk dat ze niet weet waar ze moet beginnen: bij de pijn in haar gewrichten, de vermoeidheid, of ze zou alle dingen kunnen opsommen die ze eerst nog wel kon en nu niet meer, en hoe daar telkens weer iets nieuws bij komt. Maar dan ontspant haar gezicht en gaat ze verder met waar ze mee bezig was.
‘Ach’, zegt ze, en ze dompelt het washandje onder water en knijpt het uit. ‘Ik heb de oorlog meegemaakt.’
‘Waarom zegt u dat?’
‘Nou, als je al weet dat je de meest erbarmelijke omstandigheden kunt doorstaan, maak je je minder zorgen. Ik heb me bijvoorbeeld nog nooit druk gemaakt over eten; ik heb tenslotte de Hongerwinter overleefd.’
‘Wat at u tijdens de Hongerwinter?’
‘Dat weet ik niet eens meer. Niet veel, in elk geval. Er kwam soms een man bij ons thuis om stiekem naar de Engelse radio te luisteren. Hij was heel dik. Hongeroedeem.’
Mevrouw Talman groeide op in Rotterdam. Ze was 6 toen haar vader haar moeder opbelde om te waarschuwen dat de stad gebombardeerd zou worden. ‘Je moet weten dat veel mensen toen nog geen telefoon hadden, maar wij wel, omdat mijn vader bij de telefooncentrale werkte.’
Haar moeder waarschuwde de buurt, stopte alle belangrijke papieren in een broodtrommel en vluchtte met de kinderen de stad uit, in de auto van de buurman. ‘Ik zie mijn moeder nog zitten in de auto, met die broodtrommel op schoot. De meeste mensen hadden toen nog geen auto, maar de buurman was vertegenwoordiger. Dat zegt jou misschien niets, maar toen was dat een goede baan. En je moet ook begrijpen dat er toen nog geen autowegen waren.’ En dan, kregelig: ‘God, ik moet werkelijk alles uitleggen, omdat alles toen anders was.’
Ze reden naar Capelle aan den IJssel, waar mevrouw Talmans tante woonde. ‘Nu is dat een heel grote plaats, maar toen stelde het nog niets voor. Het was een klein dorp.’
Mevrouw Talmans tante keek verbaasd op van een dampende emmer toen het gezin het erf opreed. Het fornuis stond in de tuin; ze was bezig met de grote schoonmaak. ‘Het was voorjaar, snap je?’
Later die dag kwam mevrouw Talmans vader ook naar Capelle aan den IJssel. ’s Avonds had haar tante het hele huis vol familie uit Rotterdam.
Na het bombardement ging mevrouw Talmans vader terug naar de stad om polshoogte te nemen. Gelukkig stond hun huis er nog. ‘Maar hij heeft verschrikkelijk gehuild om alles wat hij daar toen heeft gezien. Ik mocht niet zien dat hij huilde, maar dat hebben ze me later verteld.’
‘O, ik weet het weer. Suikerbieten. We aten de hele winter suikerbieten. Volgens mij raspten we die, en mijn moeder trok er een soort stroop van. Hoe scoort dat op de schijf van vijf?’ Ze grinnikt en kijkt me via de spiegel triomfantelijk aan. ‘En toch 90 jaar geworden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns