Gazanen staan al een jaar in de overlevingsmodus. De continue staat van hyperwaakzaamheid is vooral schadelijk voor kinderen, zegt psychotherapeut Katrin Glatz Brubakk. ‘Ze worden geacht zich te ontwikkelen, maar besteden hun energie aan het zoeken naar de dichtstbijzijnde uitgang.’
Katrin Glatz Brubakk heeft als psychotherapeut – specialisme kinderen en vrouwen – negen jaar voor Artsen zonder Grenzen in crisisgebieden gewerkt, ook met Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever. Praten over psychologische problemen, zegt ze, is daar veelal een beetje taboe. Mensen zeggen al snel iets als: ‘We zijn sterk, we zijn eraan gewend, we kunnen met het legergeweld omgaan.’ Maar nu is het ‘totaal anders’, zegt de Noorse hulpverlener telefonisch vanuit Gaza.
‘Zodra ik mezelf voorstel, beginnen mensen hun verhalen te vertellen over verlies. Ze zijn hun gezondheid kwijt. De meesten zijn hun huis kwijt. Ze zijn familie en vrienden kwijt. Ze zijn hun baan kwijt. Alles zijn ze kwijt. Al hun foto’s, al hun herinneringen. De kinderen zijn hun school kwijt. Alles wat ooit hun dagelijks leven was, is weg.
‘Dit naast de andere traumatische gebeurtenissen die ze hebben meegemaakt. Het constante gedreun boven je, dat je eraan herinnert dat je in een actieve oorlogszone bent. Het bevel krijgen naar elders te vertrekken. Een van mijn collega’s is veertien keer onder dwang geëvacueerd. Het is trauma na trauma na trauma. Dat is het grote verschil met andere rampgebieden waar ik heb gewerkt. Het is de omvang ervan, het is zó groot. Niemand blijft gespaard.
Over de auteur
Rob Vreeken is correspondent in Istanbul voor de Volkskrant. Hij schrijft over Turkije, Iran, Israël en de Palestijnse gebieden. Voorheen specialiseerde hij zich op de buitenlandredactie in mensenrechten en het Midden-Oosten.
‘Volwassenen vertellen ons dat ze extreem uitgeput zijn. Je hoeft niet lang met ze te praten voordat ze in tranen uitbarsten. Een vrouw kwam vandaag naar me toe en zei: ‘Ik heb zo veel verloren, ik leef op straat, ik heb nergens een plek om fatsoenlijk te slapen. En ik ben zo moe, ik hoop gewoon te sterven. Als ik dood ben, heb ik tenminste vrede.’
‘De kinderen uiten het niet op dezelfde manier, omdat ze de woorden niet hebben. Maar ik zie kinderen met extreme paniekaanvallen, omdat ze de trauma’s al hebben, ze leven met een verhoogde alertheid. Als er dan kleine dingen gebeuren, raken ze totaal in paniek.
‘Vandaag was er bijvoorbeeld een vader met zijn zoon in het ziekenhuis, een jongetje van 8. Hij liet het kind een paar minuten alleen om met de dokter te praten, waarna de jongen een extreme paniekaanval kreeg. Hij dacht dat hij zijn vader had verloren, hij schreeuwde alsof zijn vader dood was. Het is een mix van angst en het herbeleven van het trauma.’
Welke symptomen ziet u? Angstaanvallen, slaapproblemen, eetstoornissen?
‘In brede categorieën verdeeld: extreem gedrag, rusteloosheid, zichzelf of anderen pijn doen, paniekaanvallen. Zoals het zeer actieve kind dat de hele tijd alert is en heel snel bang is. Verder zijn er de klassieke PTSS-symptomen. Dus hoge alertheid, snel schrikken, nachtmerries, flashbacks.
‘Een andere categorie vormen degenen die instorten. Zoals een 5-jarig jongetje dat ernstig gewond raakte bij een bomaanslag. Zijn vader stierf vlak naast hem, hij was daar getuige van. Zelf verloor hij een been, het andere is gedeeltelijk verlamd. Hij slaapt tot wel twintig uur per dag. Zoals zijn moeder zei: hij ontsnapt aan de realiteit. Hij wil er niet over praten, hij kan niet omgaan met wat er is gebeurd. Het is heel moeilijk om contact met hem te krijgen. Hij lacht niet, hij speelt niet. Hij eet heel, heel weinig.’
Normaal gesproken hebben mensen een trauma door één gebeurtenis, verwerken dat en gaan – afgezien van degenen die PTSS ontwikkelen – terug naar het normale leven. Ze hebben tijd om te genezen. Maar als mensen ‘trauma op trauma op trauma’ hebben, zoals u zegt, hebben ze die mogelijkheid toch niet?
‘Er is absoluut geen tijd om te genezen. Zelfs in het Nasserziekenhuis, waar wij werken, horen we elke dag het granaatvuur. In de wachtkamer, nog maar een week geleden, waren er plotseling twee inslagen in de muur. Godzijdank werd niemand geraakt. Maar let wel, dit is de wachtkamer in het ziekenhuis. Het is dus nergens veilig, absoluut nergens.
‘Gisteravond vielen er drie of vier raketten op tenten vlak bij het ziekenhuis. Dat is in het hart van de zogenaamde humanitaire zone. De dag ervoor was er een evacuatiebevel, mensen werden opgeroepen naar dit gebied te verhuizen om veilig te zijn. En een dag later liet het Israëlische leger zijn dodelijke wapens vallen. We ervaren het telkens weer, echt nergens kunnen mensen zich veilig voelen of hun kinderen op welke manier dan ook beschermen. Elke keer worden er weer bommen gegooid in zogenaamde veilige zones.’
Dus iedereen is permanent alert?
‘Precies. Zowel kinderen als volwassenen staan al een jaar in de overlevingsmodus. De staat van hyperwaakzaamheid wordt daardoor chronisch. Dat is vooral schadelijk voor kinderen in ontwikkeling, die worden geacht hun hersenen te ontwikkelen. In plaats daarvan moeten ze al hun energie besteden aan het uitkijken naar de dichtstbijzijnde uitgang, voor het geval er een bom valt.
‘Ze zijn alert op elk geluid. Ze gebruiken dáár hun vitaliteit voor, niet voor wat een kind hoort te doen. Die 5-jarige wordt geacht nieuwsgierig te zijn naar de wereld. Hij hoort dingen te ontdekken, te leren, zich te verhouden tot anderen, zich sociale codes eigen te maken. Dat hele proces wordt vertraagd.
‘Als deze alertheid zo lang duurt, is het moeilijk om die nog uit te schakelen. Als de oorlog stopt, stopt de waakzaamheid niet meteen. Dat is op de lange termijn echt zorgwekkend. De hersenen en het lichaam hebben tijd nodig om te beseffen dat het weer veilig is, nadat je zo lang in levensgevaar bent geweest. Het lichaam heeft dat gedrag als het ware aangeleerd. Het duurt heel lang om het vertrouwen terug te krijgen dat de wereld veilig kan zijn.
‘Al die tijd hebben kinderen niet de gezonde ontwikkeling die ze zouden moeten hebben. Die wordt met jaren vertraagd. Dus wat we riskeren, is een hele generatie kinderen en adolescenten die onderontwikkelde delen van hun hersenen zullen hebben, omdat ze al hun energie hebben gestoken in overleven. Natuurlijk zijn er individuele verschillen, maar ze zijn allemaal kwetsbaar.
‘Wat op het spel staat, zijn vaardigheden zoals je gevoelens kunnen reguleren, je dag kunnen plannen, empathisch kunnen zijn, dingen kunnen leren en onthouden. Alles wat belangrijk is om een goed volwassen leven te hebben. Omdat de oorlog al zo lang doorgaat, is de schade groter dan wanneer het maar een paar maanden had geduurd.’
Wat kunt u doen? Alleen psychologische eerste hulp geven? Niets meer dan dat?
‘Dit is niet het moment om het hele trauma te verwerken, simpelweg omdat dat in deze toestand niet mogelijk is. Wat we wel kunnen doen, is ze kleine enclaves van subjectieve veiligheid geven. Zolang ze bij ons zijn, kunnen we ze het gevoel geven dat wij voor ze zorgen, dat we hen zullen steunen. Een soort psychologische vitaminepil, zo noem ik het. Een vitaminepil geneest je niet, maar geeft je een beetje kracht om het wat langer vol te houden.
‘Wat we in feite doen, is het zeer sterk geactiveerde zenuwstelsel een pauze geven. We voorkomen dat het chronisch wordt. Dat doen we door gewoon te luisteren en erover te praten, of door met kinderen te spelen. Spelen is een heel belangrijk hulpmiddel, zowel bij het verwerken van wat je hebt meegemaakt, als bij de ontwikkeling van vaardigheden die je als volwassene nodig hebt. We hebben een speelse aanpak, zodat ze de oorlog even vergeten.’
Dus het is meer voorkomen dan genezen.
‘Ja, het is preventief. Genezen is nog niet aan de orde. Wel veel luisteren. Mensen hebben een extreme behoefte om hun verhalen te vertellen. Achter letterlijk elke deur die ik open, hoor ik een nieuw verhaal. De mensen willen begrepen worden, ze willen dat iemand hun gevoelens kan delen en zegt: ja, ik begrijp dat dit heel, heel moeilijk is.’
U heeft het vooral over kinderen. Geldt wat u zegt ook voor volwassenen?
‘Kinderen zijn directer in hun ervaring. Bij hen speelt vooral het gevoel dat ze hadden toen het gebeurde. De geluiden, de angst voor de dood. Volwassenen hebben een extra last, omdat ze zich óók zorgen maken over de toekomst. Vandaag sprak ik een vader die zijn brandende huis inrende om een van zijn dochters te redden, nadat twee van zijn jongens waren gedood bij de aanval. Dus hij heeft die traumatische ervaring. Maar daarnaast maakt hij zich zorgen. Waar gaan we wonen? Wat is onze toekomst? Hoe kom ik aan geld? Hoe overleven we morgen? Elke dag zijn mensen bang om te sterven. ‘Als we maar in leven blijven’, hoor ik overal.
U had het over een veilige ruimte voor de kinderen. Is er een gebouw waar ze de bommen niet horen?
‘Nou, in het ziekenhuis hoor je in sommige kamers de beschietingen niet als ze iets verder weg zijn. Maar geen plek in Gaza is echt veilig. Het belangrijkste is dat we kalm blijven. Bij een beschieting vertellen we de kinderen dat het ver weg is, dat er geen direct gevaar is. Onze kalmte is een van onze belangrijkste hulpmiddelen.’
Hoeveel mensen in Gaza geven psychosociale zorg? Ongetwijfeld veel te weinig?
‘Ja, maar niet alleen voor de geestelijke gezondheidszorg. Er is een groot tekort aan chirurgen, met al die verwondingen. De behoeften zijn enorm. Er zijn meer dan vijfhonderd gezondheidsmedewerkers gedood. De veiligheidsprocedures van Artsen zonder Grenzen zijn heel goed. Maar je kunt op het verkeerde moment op de verkeerde plek zijn. Dat is een risico dat we bereid zijn te nemen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant