Johan Neeskens is dood, terwijl toch vaststond dat hij minstens honderd zou worden. Ik kon ook niet geloven dat hij al 73 was. Hij bleef altijd de Neeskens van 1974, die die zondag half in de lucht hangend de bal langs Sepp Maier schoot.
Johan Neeskens, de andere Johan, niet zo’n sierlijke balletdanser, maar daarom niet minder geliefd in mijn voetbalkringen. Meer, misschien wel, omdat hij nooit opgaf en hij de indruk wekte desnoods te willen sterven voor de overwinning. Hij was Johan II, de onverzettelijke.
Hij was er opeens, op een woensdagavond in zwart-wit in 1970, een amper 19-jarige jongen die in Oranje op het middenveld stond tegen Oost-Duitsland en van wie het leek alsof hij al jaren liep te buffelen en te sleuren. Het was in de tijd dat Oranje het qua populariteit moest afleggen tegen Ajax en Feyenoord en interlands door de meeste spelers niet heel erg serieus werden genomen. Maar aan Neeskens zag je meteen dat hij er anders over dacht; hij gooide zich vol in de strijd.
Over de auteur
Bert Wagendorp is schrijver en columnist van de Volkskrant.
Hij was de ontbrekende pion die door trainer Michels werd gebruikt om de revolutionaire speelwijze van Ajax te vervolmaken. Met Neeskens werd het spel van de ploeg dynamischer; hij was bovendien de ideale bliksemafleider voor Cruijff die ook nog kon scoren. Het leidde tot de drie Europa Cups.
In 1974 was hij een van de absolute sterren van het Nederlands elftal op het WK en degene op wie de liefde van het volk zich concentreerde. Cruijff en Van Hanegem waren de betere voetballers, maar Neeskens was de verpersoonlijking van de ‘hardwerkende Nederlander’ in wie elke arbeider zich graag herkende. Het ging Neeskens niet om de schoonheid van het spel – niet in de eerste plaats althans – het ging erom de bal te veroveren en wel zo snel mogelijk. Neeskens leek het als een persoonlijke belediging op te vatten wanneer de tegenstander in balbezit was, en opende nietsontziend de jacht om aan die misstand een einde te maken. Het Nederlandse ‘totaalvoetbal’ was voor hem gemaakt, Cruijff was de dirigent, maar Neeskens de belangrijkste uitvoerder.
Hij was wel een harde maar geen vuile speler. Toen hij als jonge middenvelder een keer met Ajax tegen Feyenoord speelde en Van Hanegem hem met een elleboog een gebroken neus bezorgde, was hij geschokt: hij begreep niet dat een grote speler als Van Hanegem, met wie hij toch zo goed kon opschieten bij Oranje, zich van dergelijke intimidatiemethodes bediende.
Het verhaal ging dat Neeskens over een uitzonderlijk hoge pijngrens beschikte en inderdaad verwerkte hij aanslagen op zijn benen met opmerkelijk gemak. De verzorger haalde een spons over de kwetsuur, Neeskens trok een pijnlijk gezicht, hinkte even over het veld en vermande zich: even later gooide hij er weer een genadeloze tackle uit. Hij dankte er zijn bijnaam ‘Jantje Beton’ aan.
Neeskens was geliefd, ook vanwege zijn zachte karakter buiten het veld. Bij Barcelona, de club waarvoor hij vijf seizoenen voetbalde, waarvan een aantal samen met Cruijff en onder Rinus Michels, oversteeg zijn populariteit op zeker moment die van Cruijff. Met zijn werklust eiste Neeskens de aanhankelijkheid van de supporters op: in welk elftal hij ook speelde, het was duidelijk dat er op het veld in elk geval één man volkomen loyaal was aan land of club.
In 1978 was hij er natuurlijk weer bij in de WK-finale. Het beeld van Neeskens in zijn bebloede Oranje-shirt in de veldslag tegen Argentinië vatte de voetballer Johan Neeskens nog één keer treffend samen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant