Benjamin Herman heeft de Edison Jazz Oeuvreprijs gekregen. De Volkskrant spreekt de best geklede saxofonist van Nederland over zijn succesvolle, veelzijdige carrière. ‘Wie zich een beetje in mijn werk verdiept, ziet hopelijk dat ik niet in een hokje te proppen ben.’
Benjamin Herman (56) is net terug uit Tokio, waar hij een maand lang verbleef om te werken aan nieuw materiaal, contacten te leggen en zich voor te bereiden op het nieuwe seizoen dat nu zo ongeveer begint. ‘Een van de goede voornemens waarmee ik terugkwam, is elke dag studeren op mijn saxofoon, maar dat komt er vandaag meteen al niet van’, zegt hij als hij de verslaggever van de Volkskrant in zijn Rotterdamse woning heeft binnengelaten.
Of zijn bezoek even kan wachten. Hij moet weer snel terug naar wat hij zijn bezemkast noemt, niet om altsax te spelen, waarvoor hij het hok meestal gebruikt, maar om zijn radio-uitzending af te maken die elke maandag te horen is op NPO 2 Soul & Jazz.
‘Ik had een aflevering voorbereid over de pianist Cees Slinger, die deze week zeventien jaar geleden is overleden. Maar ja, toen ging een paar dagen geleden Willem van Manen dood.’ Dus moest te elfder ure de uitzending worden aangepast. ‘Ik heb net mooi digitaal materiaal binnen van het Jazz Archief, dat moet er even in. Dan kan ik alles versturen’, zegt hij voordat hij met zijn laptop weer richting bezemkast verdwijnt om de laatste aankondigingen in te spreken.
Over de auteur
Gijsbert Kamer schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en en jazz.
Een kwartiertje later is alles klaar om naar Hilversum te mailen. Zo maakt Herman radio, nu al een jaar of dertien. ‘Maar het blijft ook na al die tijd moeilijk een beetje luisteraars te vinden, merk ik.’ Jazz wordt als moeilijke muziek gezien en is te weinig zichtbaar in het Nederlandse muzieklandschap, vindt Herman, die zich zelf al meer dan drie decennia binnen de jazz manifesteert. Met radio en podcasts maken, maar vooral door het componeren voor en spelen in talloze bands en ensembles.
Hermans discografie telt meer dan vijftig albums met muziek die varieert van bebop, bigband, impro, surf, afrobeat, filmmuziek tot punkjazz. Voor al die genres heeft hij weer andere muzikanten om zich heen verzameld met wie hij vaak tegelijkertijd door het land tourt. Daarnaast geeft hij een dag per week les aan het conservatorium in Den Haag en is hij dit jaar gastdocent aan dat van Amsterdam.
‘Even denken, is er nog meer?’, peinst hij na deze opsomming van zijn werkzaamheden. ‘Ik houd ervan veel tegelijk te doen en heb me nooit echt op één genre of niche willen vastpinnen. Ik vind het heerlijk om de ene dag met snoeiharde punkachtige muziek in een kleine popzaal als OCCII in Amsterdam of Ekko in Utrecht te staan en de volgende dag met New Cool Collective feestelijke boogaloodeunen te spelen. Voor later dit jaar staat er een nieuw album van New Cool Collective op het programma en gaan ze weer op tournee. En ook gaat hij met bassist Thomas Pol en drummer Jimmi Hueting snel terug naar Japan om met lokale musici weer een ander album op te nemen.
Het is die veelzijdigheid die de jury van de Edison heeft doen besluiten hem dit jaar te bekronen met de Edison Jazz Oeuvreprijs. En Herman is er hartstikke blij mee, zegt hij daags voor de uitreiking die maandagavond plaatsvond. ‘Natuurlijk, het is de erkenning. Maar vooral dat oeuvre-element spreekt me erg aan. Ik hoop dat de mensen nu een beetje begrijpen wat ik aan het doen ben, want dat is zo veel meer dan gewoon een beetje sax spelen.
‘Toen ik hiermee begon, werd ik als jonge saxofonist meteen in het hokje bebop geduwd. Zo rond 1990 had je ook muzikanten in nette pakken die jazz weer wilden terugbrengen naar oude tradities, mannen als Wynton Marsalis. Daar paste ik toen goed bij. Ik droeg toen al graag mooie pakken en ik speelde jazz in de traditie van Johnny Hodges en Charlie Parker. Maar als ik kijk wat ik daarna allemaal heb gedaan en met wie ik heb gespeeld – dat is zo divers. Daarom is zo’n oeuvreprijs ook zo mooi. Wie zich een beetje in mijn werk verdiept, ziet hopelijk dat ik niet in een hokje te proppen ben.’
Dat was hij van meet af aan al niet. In dezelfde periode dat hij gemakshalve bij de nieuwe beboppers werd ingedeeld, speelde hij ook iedere week in café Naar Boven in Amsterdam. ‘Daar was een leuke, meer op pop en funk gerichte scene rond Candy Dulfer ontstaan. Ik heb pop ook altijd leuk gevonden. Om naar te luisteren en om te spelen, maar een jazzmuzikant speelde geen pop.
‘Dat ik me uiteindelijk meer op jazz ben gaan richten kwam ook omdat Candy veel beter pop speelde dan ik. Toen zij in 1990 enorm succesvol werd met Lily Was Here ging ik de andere kant op. Je had in die tijd bands als Total Touch en Loïs Lane, er was genoeg plek voor saxofonisten in de pop, maar ik voelde dat ik altijd toch een B-keuze zou zijn.’
In Tokio ging Herman nog bij Candy Dulfer langs, die daar vier avonden in de Blue Note-club speelde. ‘Ze verkoopt in Japan alles uit, dat lukt geen Nederlandse jazzmuzikant.’ Herman sprak met haar gitarist Ulco Bed, met wie hij vroeger ook had samengespeeld. ‘Ulco zei dat ik vroeger heel anders speelde en veel meer klonk als Candy. Dat klopt ook, ik ben zoals hij zei minder direct gaan spelen en kreeg snel een andere sound, met wat ik een zucht om de noten noem. Logisch, want mijn oude hoekje was met Candy al bezet, dus ik moest iets anders gaan doen.’
Dat pakte goed uit. Herman won in 1991 de Wessel Ilcken Prijs voor beste jonge muzikant en studeerde cum laude af aan het Hilversums conservatorium.
In datzelfde jaar mocht hij als enige Europeaan meedoen aan de prestigieuze Thelonious Monk Competition in Washington. Een ervaring die als een ‘mokerslag’ op hem inhakte, zegt hij nu. ‘Ik moest het opnemen tegen de toen ook nog piepjonge Joshua Redman en Chris Potter. Ik stond in de coulissen naar ze te kijken en dacht echt: hoe is het mogelijk! Zo goed als zij speelden. Ze waren zo veel beter dan ik en konden zo veel meer. Ik speelde zoals ik dat had gehoord op platen van John Coltrane en Sonny Rollins en dacht dat ik wat kon. Maar dit was echt andere koek, ik heb er echt een trauma aan overgehouden.’
Ook een half jaartje in New York studeren was geen echt prettige ervaring, vindt Herman. ‘New York is alleen leuk als je heel veel geld hebt. Alles is duur en iedereen is onaardig. Japan is zo veel leuker en inspirerender. Je hebt in Tokio niet één Bimhuis, er zijn er wel twintig. Er zijn alleen al meer dan tweehonderd zalen waar jazz wordt gespeeld, in alle stijlen. Ik doe er elke keer weer zo veel inspiratie op. In New York heb ik dat niet.’
Wel realiseerde Herman zich tijdens zijn verblijf in New York dat het in Nederland zo slecht nog niet geregeld was voor muzikanten. ‘Nederland is voor bands een goed land waar je best veel kunt spelen. Ik realiseerde me dat ik niet zo nodig bekend hoefde te worden als beste saxofonist ter wereld. Het leek me veel leuker om in een band leuke muziek te gaan maken. Samen met leeftijdgenoten in een band spelen en muziek maken waar ook je vrienden op kunnen en willen dansen. Dat is het idee achter New Cool Collective.’
Na drie jaar experimenteren met kleine bezettingen vindt in januari 1996 in Club Meander in Amsterdam het eerste concert van de bigbandversie van New Cool Collective (NCC) plaats. ‘Een gigantisch succes met elke week lange rijen voor de deur.’
Het repertoire van NCC was van meet af aan ontleend aan bigbandjazz, afrobeat, soul, pop, exotica en funk. ‘Als het maar swingt.’ Dat doet het inmiddels al meer dan dertig jaar. In januari stond Herman met het collectief in Amsterdam in een uitverkocht Paradiso, om twee dagen later met zijn Nostalgia Blitz-trio het Bimhuis-podium te betreden.
Dat ook deze veel kleinere zaal was uitverkocht, leek hem die avond te verbazen. ‘Ja, daar was ik echt trots op. Het album Nostalgia Blitz schuurt een beetje, het heeft een jarentachtigpunkvibe die niet voor iedereen is. Dat ik daarmee toch het Bimhuis uitverkocht, vind ik echt geweldig. Zoals ik het ook heerlijk vind om met mijn band Bughouse in punkzaaltjes te spelen. Onze drummer, Olav van den Berg, speelt al 45 jaar punk, die jongen is echt een legende in de hardcorepunkscene en heeft er veel succes met succes met zijn eigen band Seein’ Red. Hij kan zo snel en hard spelen als je eigenlijk nooit in jazzzalen hoort.’
Juist afwisseling drijft Herman er elke avond weer toe het podium op te gaan. ‘En dan heb ik ook nog mijn tweewekelijkse jamsessie in sociëteit De Kring in Amsterdam. Ik doe dit nu al achttien jaar en er is nog nooit een journalist komen kijken.’
Muzikanten komen er wel: hij maakte er in de loop der jaren kennis met onder anderen zanger-pianist Ruben Hein en gitarist Reinier Baas, die met de jamsessies kwamen meedoen. De ideale manier om de nieuwe generatie muzikanten aan het werk te horen. ‘Die jonge gastjes zijn vaak verschrikkelijk goed en komen weer met heel andere standards aan dan ik altijd speelde. Dat houdt me echt scherp.’
Ook door het lesgeven aan conservatoria merkt hij dat het niveau van muzikanten in Nederland ‘waanzinnig hoog’ is. ‘Alleen: hoe maak je jezelf zichtbaar? Dat is echt een belangrijke vraag. Op televisie is er nauwelijks een jazzmuzikant te zien.’
Zelf was Herman tot zijn grote vreugde te zien in B&B vol liefde, ‘maar dan kondigen ze me aan als een jazzband, zonder naamsvermelding. Het is voor jazzmuzikanten zo moeilijk om onder de aandacht te komen. Er zijn wat zaaltjes waar jazzmuziek te horen is, maar het hoogst haalbare voor muzikanten is een plek op een internationaal festival. Dat is nog altijd de manier om enige bekendheid te krijgen.’
Voor Benjamin Herman is kleding heel belangrijk, altijd al geweest. De door het tijdschrift Esquire twee keer tot best geklede man uitgeroepen saxofonist moet aan collega’s en studenten altijd maar weer uitleggen hoe belangrijk het is er op het podium goed uit te zien. ‘Ik sprak in Tokio een van de boekers van Fuji Rock en die zei: weet je wat het met veel jazzbands is, met de ogen dicht lijkt het wat, maar ze zien er niet uit, daar erger ik me kapot aan. Nou, ik ook dus.’
‘Ik ben al gek op kleding sinds ik op mijn 12de Madness en The Specials en al die andere in zwarte pakken geklede skabands zag. Als ik naar een gig ga, wil ik er echt goed uitzien.’
Als Herman een paar keer per jaar naar zijn vaste kledingman gaat, is hij twee dagen bezig. ‘Stoffen kijken, kleuren beoordelen, wordt het een tweedelig, driedelig of double-breasted pak. Er gaat veel tijd in zitten om er goed uit te zien en het kost wat. Maar ik sta volledig achter de uitspraak van punkdichter John Cooper Clarke: I always judge a person by what he wears. Zelf kijk ik altijd ook als eerste goed naar wat iemand aanheeft.’
Met die fixatie op kleding waren zijn collega’s en studenten nooit blij. ‘Bandleden vonden het onzin en zelfs een beetje verraad. Je moest vooral dragen waar je je lekker in voelde. Of ze vonden het maar niks om van het weinige geld dat ze kregen dure pakken te kopen om in te spelen. Maar ik heb altijd pakken gedragen, al vanaf dat ik voor het eerst in kroegen speelde. Juist ook om me een beetje te onderscheiden, je moet als muzikant de aandacht een beetje op je gericht houden. Een goed pak helpt dan.’
Neem nou Paul Weller, zanger van The Jam, een andere favoriete band van de jonge Herman, die hem sinds eind jaren zeventig altijd is blijven volgen. ‘Ik was toen ik ze voor het eerst zag ook gebiologeerd door hun pakken. En Weller ziet er nog altijd pico bello gekleed uit. Van hem heb ik nog iets heel belangrijks geleerd en dat is dat je vooral zo veel mogelijk moet uitproberen in de muziek. Neem op wat je invalt, je hoeft het niet te gebruiken en kunt het altijd weer weggooien.’
In 2003 ontmoette Herman Paul Weller, toen laatstgenoemde hem nodig had in plaats van andersom. ‘Weller had Candy Dulfer gevraagd mee te spelen op zijn album Studio 150, dat in 2004 is uitgekomen. Maar Candy had geen tijd en verwees hem door naar mij. Ik heb toen blazers gearrangeerd en ben een paar keer met hem op tournee geweest. Ik heb zo veel van hem geleerd. Idee, hup uitvoeren, nieuw idee, ook uitvoeren en zo maar door. Alles is geoorloofd, niks moet. Dat gaf me echt nieuwe inzichten. Ik was gewend met muzikanten te werken die alles precies wilden voorbereiden. Terwijl ik juist veel wil experimenteren om tot de juiste keuzen te komen. Dat leerde hij me.’
Bij Weller verdiende hij ook goed. ‘Voor het eerst had ik wat spaargeld, dat ik meteen weer omzette in plaatopnamen.’ Dankzij Weller probeerde hij van alles uit. ‘Ik houd van zo veel soorten muziek, waarom zou ik me tot één stijl beperken? Bij alles wat ik maak stel ik me voor dat ik een club binnenloop waar ik zelf sta te spelen. Vind ik dit wel leuk, denk ik dan. Het belangrijkste is dat je iets brengt dat anders is en vooral klinkt als iets waar je zelf ook graag naar luistert.’
Voor het vierde jaar op een rij brengt Benjamin Herman met zijn European Alto Festival een ode aan altsaxofonist Piet Noordijk (1932-2011). Met het Francesca Tandoi Trio en twee jonge door Herman geselecteerde talenten op de altsaxofoon, Sean Payne uit Schotland en Miguel Valente uit Portugal, is Herman dinsdagavond nog te zien in het Amsterdamse Bimhuis.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant