Het ‘Magic Circus’ is het laatste Nederlandse circus dat nog van maart tot december door het land trekt. ‘In het circus doen we alles samen. Terwijl je in een schouwburgfoyer toch niet snel Hans Kesting de koffie zult zien inschenken.’
‘Het weer is je vriend en je vijand’, stelt circusdirecteur Maurice Veldkamp (71) vast terwijl de drensregen neerslaat op de parkeerplaats van voetbalvereniging S.V. De Rijp. Na twee druilerige weken in Zwaag, Alkmaar en Oudorp is Veldkamps Magic Circus aangeland in het Noord-Hollandse dorpje De Rijp.
De vlaggen van Finland, Kenia, Polen en Nederland – de nationaliteiten van Veldkamps 25-koppige circusgezelschap – wapperen in een bries van windkracht 3 boven het ‘Magic Circus’. Een cirkel van vrachtwagens vormt een schild rond de tent met zijn roze en witte banen, voor het geval het harder gaat waaien. ‘Boven windkracht 7 laten we geen mensen toe in de tent, dat is te gevaarlijk’, zegt Veldkamp.
De Onderneming
In deze wekelijkse rubriek vertellen ondernemers over hun bedrijf. Vandaag: het Magic Circus, opgericht in 1987, met 25 werknemers.
Storm, regen, vrieskou en hittegolven zijn niet bepaald de beste vrienden van een circus, vertelt Veldkamp. ‘Het moet wel een beetje normaal weer zijn wil je goed scoren bij de mensen.’
Gelukkig klaart het weer net op tijd op en mogen de in rode jasjes met gele tressen gestoken circusmedewerkers even later toch nog flink wat van zuurstokken en popcorn voorziene kinderen, ouders en opa’s en oma’s verwelkomen. ‘Dames en heren, meisjes en jongens, en iedereen die niet zo genoemd wil worden’, davert de stem van spreekstalmeester Veldkamp door de tent.
De toevoeging ‘en iedereen die niet zo genoemd wil worden’ bezigt Veldkamp overigens sinds hij een kritisch e-mailtje kreeg. ‘Een bezoeker wees me erop dat bijvoorbeeld transgenders zich niet aangesproken voelen door ‘dames en heren, meisjes en jongens’, vertelt Veldkamp vlak voordat hij zijn dagelijkse kloffie verruilt voor een donker pak en een rood overhemd met ruches.
Het laat zien dat ook het eeuwenoude circuswezen met zijn tijd meegaat. De wortels van het volksvermaak gaan minstens terug tot de tweede helft van de achttiende eeuw, toen de Engelse ruiter Philip Astley (1742-1814) furore begon te maken met een gesamtkunstwerk van paardendressuur, acrobaten, clowns, koorddansers, jongleurs en dansende honden.
Dieren staan bij het Magic Circus al jaren niet meer op de loonlijst, zegt Veldkamp. De laatste niet-menselijke artiesten waren een stel gedresseerde kippen, dat geleerd was om met hun snavels Vader Jacob te pikken op een speelgoedpiano. ‘We zien dat ons publiek niet meer zit te wachten op acts met dieren.’
De bravourestukken van acrobaten kunnen nog wel op de goedkeuring rekenen van het publiek. Met open monden kijken ze toe hoe de Keniaanse acrobaat Salim Yusuf doodleuk de handstand doet op een wiebelige, metershoge constructie van houten stoeltjes. Even later balanceren zijn collega’s Roos Hermanides en Minja Kuitunen op zijn hoofd en voeten terwijl Yusuf aan de trapeze bungelt. De Fin Roni Heimo heeft dan al touwtjespringend op een 3 meter hoge eenwieler over het podium gestuiterd.
Het mooie aan het circus is dat diezelfde artiesten daarna de popcorn en de suikerspinnen staan uit te delen en na afloop hoogstpersoonlijk de tent afbreken en de vrachtauto’s naar de volgende locatie rijden, zegt Veldkamp. ‘In het circus doen we alles samen, arbeidsdeling kennen we amper. Terwijl je in een schouwburgfoyer toch niet snel Hans Kesting de kopjes koffies zult zien inschenken.’
‘Mijn dagelijkse portie stress’, daar doet Veldkamp het na bijna een halve eeuw in het vak nog altijd voor. ‘Ik zie mezelf niet als een ondernemer, ik doe het niet voor het geld, al is het een hele onderneming, zo’n circus. Maar het is gewoon leuk om elke dag een nieuw probleem op te lossen. Bijvoorbeeld dat er geen water is, of geen stroom, of dat een van de artiesten ziek is. Laatst was de opa van een van de Finse acrobaten overleden. Dat hebben we met de andere artiesten in allerijl opgevangen door een extra luchtnummer in te lassen, zodat zij gewoon naar de begrafenis van haar opa kon.’
Veldkamp komt ‘eigenlijk uit een heel nette familie’, gniffelt de geboren Bredanaar als hij vertelt hoe hij in de circuswereld verzeild raakte. Na een studie neerlandistiek werkte hij onder meer als journalist bij het dagblad De Stem, waar regelmatig bruine enveloppen op zijn bureau ploften met daarin reclamemateriaal van circussen waar zowel in taalkundige als fotografische zin nog wel het een en ander aan te verbeteren viel. ‘Waarom doe je dat dan zelf niet?’, zei een circusdirecteur op een dag tegen hem.
En zo geschiedde. Veldkamp was jarenlang manager van diverse circussen, voordat hij in 1987 voor zichzelf begon. Hij ziet zijn jongere ik nog steeds staan in telefooncel na telefooncel, bellend naar gemeenteambtenaren en kranten die zelden opnamen, notities krabbelend op papiertjes die op de een of andere manier altijd weer op de vieze vloer belandden. ‘Als ik eraan terugdenk, verbaas ik me erover hoe we het allemaal voor elkaar hebben gekregen in die tijd, zonder laptops, internet en mobiele telefoons.’
De komende maand reist het circus door naar Rotterdam en Utrecht, waar Veldkamps ‘welbewust ongesubsidieerde’ gezelschap optreedt in wijken als Katendrecht, het Oude Noorden en Oog in Al – er zijn nog kaartjes te koop. ‘Het circus is nog een van de weinige cultuurvormen die alle bevolkingsgroepen aan zich weet te binden, of dit nou in Amsterdam-Zuidoost is, waar we optreden voor tachtig nationaliteiten, of in Amsterdam-Zuid, waar de tent wit is’, zegt Veldkamp. ‘Wij willen een aanraakbaar circus zijn, een circus voor iedereen, van hoofddoek tot skinhead.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant