Maandag debatteert de Tweede Kamer over de mestplannen van minister van Landbouw Femke Wiersma (BBB). Wat is precies het probleem van ‘te veel mest’ en wat kunnen we eraan doen?
Wat is mest en wat doen we ermee?
Mest verwijst doorgaans naar dierlijke mest, de uitwerpselen van dieren zoals koeien, varkens en kippen. In mest zitten voedingsstoffen zoals nitraat, fosfaat en kali, die planten nodig hebben om te groeien.
Boeren gebruiken mest om hun gewassen te voeden. Hoeveel mest een gewas opneemt, hangt af van onder meer het type gewas, de grondsoort en het weer. Hoe meer voedingsstoffen een gewas opneemt, hoe groter het groeit.
Naast dierlijke mest is er ook kunstmest. Stikstofkunstmest wordt uit de lucht gewonnen, in een proces waarbij veel broeikasgassen vrijkomen. Fosfaatkunstmest komt uit mijnen in voornamelijk Marokko en China.
Boeren gebruiken kunstmest naast dierlijke mest omdat gewassen kunstmest sneller opnemen. Bovendien kunnen ze met kunstmest hun gewas precies de juiste hoeveelheid voedingsstoffen in de juiste verhoudingen geven.
Waarom is te veel mest een probleem?
Hoe meer mest er op het land komt, hoe groter de kans dat het gewas een deel van de voedingsstoffen niet opneemt. Die overtollige meststoffen spoelen uiteindelijk uit naar het grond- en oppervlaktewater.
Over de auteur
Maarten Albers is economieverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over landbouw en de voedingsindustrie.
Door een teveel aan mest raakt ons grond- en oppervlaktewater dus vervuild met meststoffen. Dat stimuleert de groei van algen; die houden van water met veel voedingsstoffen. Algen nemen het zonlicht weg van waterplanten, met gevolgen voor de hele voedselketen in het water.
Daarnaast levert de vervuiling van het water problemen op voor drinkwaterbedrijven. Het kost hen steeds meer moeite en geld om het water te zuiveren en veilig te maken voor consumptie.
Welke regels en wetten zijn er omtrent mest?
De Europese Nitraatrichtlijn is het belangrijkste stuk wetgeving dat mestgebruik reguleert. De Nitraatrichtlijn schrijft voor dat boeren jaarlijks maximaal 170 kilo stikstof per hectare uit dierlijke mest op hun land mogen uitrijden. Voor sommige teelten ligt het plafond lager. In Nederland zijn de bepalingen uit de Nitraatrichtlijn uitgewerkt in de Meststoffenwet.
Het gebruiksplafond geldt uitsluitend voor dierlijke mest. Het gebruik van kunstmest is niet beperkt. Het idee daarachter is dat bij dierlijke mest het risico op uitspoeling groter is, omdat dierlijke mest langzamer wordt afgebroken en de stikstof daardoor niet altijd op het juiste moment beschikbaar is voor het gewas. Overigens wijst recent onderzoek erop dat op grasland het risico op uitspoeling bij dierlijke mest juist kleiner is.
Wat is ‘derogatie’ en waarom wordt die afgebouwd?
Een derogatie is een uitzonderingspositie op Europese regels. Net als in Denemarken, Ierland en Vlaanderen had Nederland lange tijd een derogatie op de Nitraatrichtlijn. Veeboeren met grazers en minstens 80 procent grasland mochten jaarlijks niet 170, maar (afhankelijk van het grondtype) 230 of 250 gram stikstof uit dierlijke mest uitrijden.
Nederland kreeg de derogatie vanwege zijn groeizame klimaat; omdat het gras hier sneller en langer groeit dan elders in Europa, kan het ook meer stikstof opnemen.
Desondanks is Nederland er de afgelopen decennia niet in geslaagd zijn waterkwaliteit op orde te krijgen. De EU verleende Nederland in 2022 daarom geen nieuwe derogatie. Wel wist de regering een afbouwtraject uit te onderhandelen, dat loopt tot 2026.
Nederland is overigens niet het enige land waar de derogatie verdwijnt. De Vlaamse derogatie is sinds 2023 verlopen. In Denemarken verviel ze halverwege 2024 omdat de Deense regering besloot geen verlengingsverzoek in te dienen. In Ierland loopt de derogatie net als in Nederland in 2026 af.
Welke gevolgen heeft de afbouw van de derogatie voor veehouders?
Vanwege het grote aanbod van mest, is dit een product met een negatieve prijs. Veehouders die meer mest hebben dan ze op hun eigen land mogen gebruiken, moeten dus betalen om die te laten ophalen. Soms doen ze direct zaken met akkerbouwers, die de mest op hun land gebruiken. Vaker komt een mesthandelaar de mest ophalen.
Vooral melkveehouders maken gebruik van de derogatie. Sommigen van hen hoefden nooit mest af te voeren, maar nu ineens wel. Anderen moeten nog meer mest afvoeren dan voorheen. Doordat het aanbod van mest groeit, lopen de kosten voor mestafzet op. Melkveehouders moeten dus meer mest afzetten, tegen een hogere prijs per liter. Dat kost hen nu al tienduizenden euro’s per jaar.
Een melkveehouder die zijn grasproductie op peil wil houden met minder dierlijke mest, moet bovendien kunstmest inkopen. Dat betekent nog een extra kostenpost.
Ook boeren met vleeskalveren en varkens merken de problemen op de mestmarkt, zij het in mindere mate. Omdat het algehele aanbod van mest groeit, krijgen zij te maken met hogere kosten voor mestafzet.
Pluimveehouders hebben weinig te maken met het Nederlandse mestoverschot. Slechts 5 procent van alle in Nederland geproduceerde pluimveemest komt ook op onze bodem terecht. De rest wordt geëxporteerd of gebruikt als brandstof.
Wat kunnen we met de mest die we hier niet kwijt kunnen?
Optie één lijkt een intikker: breng de mest naar landen waar ze die wel kunnen gebruiken. Elders in Europa is er immers meer vraag naar mest. Het probleem is dat varkens- en koeienmest verhit moet worden voordat je het mag exporteren. Dit is om verspreiding van ziektes te voorkomen.
Bovendien is varkens- en koeienmest vloeibaar, in tegenstelling tot vaste pluimveemest. Een tankwagen rijdt dus met vooral water naar het buitenland. Dit alles maakt mestexport een relatief dure aangelegenheid.
Een andere optie is mestvergisting. Dat is een proces waarbij van mest biogas wordt gemaakt. Omwonenden van vergistingsinstallaties klagen echter over stankoverlast. Bovendien breekt de vergisting stikstof en fosfaat in de mest niet af. Die blijven over in de vorm van een digestaat, dat vaak alsnog op Nederlandse akkers belandt.
Ten slotte is er ‘renure’, dierlijke mest die zo bewerkt is dat de werking vergelijkbaar is met kunstmest. Na een intensieve Nederlandse lobby is de Europese Commissie voornemens het gebruik van renure met enige beperkingen toe te staan. Installaties om renure te maken zijn echter prijzig, en vermoedelijk alleen rendabel voor relatief grote veehouderijen.
Hoe wil de regering het mestoverschot aanpakken?
Minister van Landbouw Femke Wiersma kwam begin september met slecht nieuws voor veehouders. Ook zij kan, als bewindspersoon van de BBB, pijnlijke maatregelen niet voorkomen. Bij verhandeling van dierrechten buiten de familie wil ze daarom een deel van die rechten afromen: 30 procent bij rundvee, 25 procent bij varkens en 15 procent bij pluimvee.
Daarnaast bereidt Wiersma een brede uitkoopregeling voor. Veehouders kunnen daar naar verwachting vanaf 2026 op intekenen. Daarnaast wil ze aanpassingen in het veevoer, zodat de dieren minder voedingsstoffen uitpoepen en -plassen.
Wiersma neemt ook een paar maatregelen om de hoeveelheid mest die veehouders mogen uitrijden te vergroten. Zo wil ze de bufferstroken rond natuurgebieden inkorten en de berekening van hoeveel stikstof er in mest zit wijzigen. Ook stelt ze een mestgezant aan die export van dierlijke mest moet stimuleren, en wil ze inzetten op meer mestverwerking.
Het belangrijkst voor Wiersma is echter de Europese route. Ze wil in Brussel een charmeoffensief inzetten om alsnog een verlenging van de derogatie te krijgen. Lukt dat niet, dan zet ze haar zinnen op een wijziging van de Nitraatrichtlijn, die momenteel geëvalueerd wordt.
Wat als de maatregelen niet genoeg blijken?
Dat scenario is niet onwaarschijnlijk. Wiersma schrijft zelf dat de afbouw van de derogatie en een aantal andere maatregelen leiden tot een verlies aan plaatsingsruimte van 78 miljoen kilo stikstof in 2026. Haar eigen maatregelen zouden plaatsingsruimte moeten opleveren voor 71,5 miljoen kilo stikstof, maar voor het overgrote deel pas op de langere termijn.
Indien het niet lukt de mestmarkt snel weer in balans te krijgen, is dat in de eerste plaats een sof voor veehouders. Zij moeten tot die tijd immers grof geld betalen om van hun mest af te komen. Nu al is dit voor sommige veehouders reden om te stoppen.
Daarnaast kan de Europese Commissie ingrijpen als Nederland zich niet aan de afspraken houdt. Dat kan bijvoorbeeld leiden tot een generieke korting van de melkveestapel, waarbij alle boeren een percentage van hun koeien naar de slacht moeten sturen. Dit zou grote gevolgen hebben voor het verdienvermogen van de sector.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant