Home

Toen gebeurde het. ‘Gast’, riep een van hen, ‘je lijkt wel 40!’

Een van mijn favoriete plekken is de parkeerplaats aan de rand van het bos. Nu weet ik hoe dit klinkt, maar ik bedoel het niet in de zin van: goh, wat een fijne clandestiene, schaars verlichte locatie om bepaalde handelingen te verrichten die het zonlicht van het gezinsleven niet kunnen verdragen.

De parkeerplaats grenst niet alleen aan het bos, maar ook aan een scoutingvereniging en een hockeyclub. Er komt daarnaast een breed fietspad op uit dat met name gebruikt wordt door wielrenners. En, om het af te maken, een tiental meters verderop ligt een begraafplaats. Niet dat je daar veel van merkt, maar meer om een idee te geven.

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Op een gemiddelde zaterdag is het een chaotische wirwar van hockeymeisjes op VanMoofs, scouts in hun groene of rode pakjes, hardlopers die verzamelen om het bos in te gaan, groepjes oudere mensen op e-bikes en wielrenners die vanaf het fietspad de parkeerplaats op scheuren.

Het ruikt er naar kampvuur en om de paar tellen klinkt het geknal van hockeyballen die tegen de boarding slaan. Alle parkeerplekken zijn continu bezet, door grote Volvo’s, Porsche Cayennes en Tesla’s, bevolkt door baardloze mannen en met goud behangen vrouwen met grote zonnebrillen. Soms stopt er een minder spectaculaire auto en stapt er iemand in een oude fleecetrui uit om zijn kind bij de scouting af te zetten.

Het was op deze plek dat ik er - voor de zoveelste keer, maar nu dan toch definitief - mee werd geconfronteerd dat ik niet meer jong ben. Ik, bakfietsman, stond aan de rand van de parkeerplaats en wachtte totdat onze dochters hun schoenen hadden aangetrokken.

Er kwam een auto aanrijden waaruit twee jonge mannen stapten. Ze waren lang, knap en luidruchtig. Stoppelbaardje, trainingsbroeken, goedlachs. Misschien hadden ze al kinderen, of stonden ze op het punt die te krijgen. Ik was iets ouder, maar niet veel. Had zo met ze mee kunnen gaan trainen.

Vlak na hen kwam een donkerblauwe BMW-stationwagon de parkeerplaats oprijden. Achter het stuur zat een andere jonge man. De BMW-stationwagon gaf hem een jongevader-achtig zweem. Dat ontging blijkbaar zijn vrienden ook niet; die begonnen hard te lachen toen ze hun vriend in de familieauto ontwaarden. De jonge vader in de BMW keerde zijn auto, zocht naar een parkeerplek en draaide zijn raampje open om zijn vrienden te begroeten.

Toen gebeurde het. ‘Gast’, riep een van hen, ‘je lijkt wel 40!’ Mijn buik werd zacht. Daar stond ik, aan de rand van de parkeerplaats. Te kijken naar levens die van het ene moment op het andere opeens niet meer dichtbij waren en dat nooit meer zouden worden. Ik keek mijn vrouw aan. ‘Hoorde je dat?’

Onze dochters waren klaar en we gingen ervandoor. Bakfiets vol kinderen, functionele jas aan, mijn haar dunner dan een paar minuten geleden en een nieuwe rimpel die zich in mijn voorhoofd vormde. Ik leek wel 40.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next