Op 7 oktober vermoordde Hamas in kibboets Be’eri meer dan 130 mensen en ontvoerde 32 personen naar Gaza. Een jaar later is de wederopbouw begonnen, maar het vertrouwen is verdwenen. ‘Ik vertrouwde de Arabieren altijd, ik dronk koffie met ze. Er was een goede klik. Dat is over.’
Alsof hij gids is in een terreurmuseum, zo geeft Simon David King een rondleiding door de groene laantjes van kibboets Be’eri. Met steeds die rechter wijsvinger, om de plekken aan te wijzen waarover hij iets wil vertellen.
Hier lag een verbrande motor, gebaart hij. Daar een auto, daar drie verbrande auto’s. Op de vlakte aan de overkant stond een huis dat op 7 oktober werd vernield en inmiddels is afgebroken. Daar nog zo’n lege vlakte. ‘En zie je die donkere plekken op straat? Daar lagen lichamen’, zegt King. ‘Ik krijg die vlekken maar niet weg.’
Hij loopt een zwaar gehavend en zwartgeblakerd gebouw binnen, de tandheelkundige kliniek van de kibboets. Hier hadden twee leden van de burgerwacht van Be’eri zich verschanst om het op te nemen tegen terroristen van Hamas die ’s ochtends rond half zeven vanuit Gaza het dorp waren binnengevallen. Vergeefs. ‘Een werd gedood door een handgranaat, de ander kwam met opgestoken handen naar buiten en werd doodgeschoten.’
Over de auteur
Rob Vreeken is correspondent in Istanbul voor de Volkskrant. Hij schrijft over Turkije, Iran, Israël en de Palestijnse gebieden. Voorheen specialiseerde hij zich op de buitenlandredactie in mensenrechten en het Midden-Oosten.
In het huis ernaast, dat van het gezin Sharabi, werden moeder Lianne en haar tienerdochters Yahel en Noya doodgeschoten. Vader Eli (51) werd door de terroristen meegenomen naar de Gazastrook. Hij is een van de 101 gijzelaars die daar nog vastzitten, een jaar na hun ontvoering. Niemand weet wie van hen nog in leven is. Omgekeerd gelden dezelfde vraagtekens. ‘We weten niet of Eli weet dat zijn gezin is vermoord’, zegt King. ‘Misschien werd hij in de pick-up van Hamas gezet toen ze nog leefden.’
Zo ligt Be’eri een jaar later bezaaid met verhalen die een schril contrast vormen met de weldadige omgeving. Wie even de verbrande gevels wegdenkt, ziet losstaande witte woningen langs lommerrijke paden. Het ziet er allemaal welvarend uit, maar niet al te deftig, soms zelfs Pippi Langkous-achtig. Een ‘schuldig landschap’, zou dichter Armando zeggen als hij had geweten wat zich hier op 7 oktober 2023 had afgespeeld. Meer dan 130 personen werden vermoord, 32 mensen werden ontvoerd naar Gaza.
Drie dagen na die gitzwarte dag, op een dinsdagochtend, stond Simon David King in de binnentuin van het King David Hotel, aan de oever van de Dode Zee. Daar waren de bewoners van Be’eri na hun beproeving naartoe geëvacueerd. Hij had een glas whisky in zijn hand, net als de andere mannen in zijn mannenkringetje. Gelachen werd er niet, anders dan gewoonlijk in zo’n opstelling.
Achter hen, in de grote hal van het hotel, was een merkwaardig, chaotisch tafereel te zien. Kinderen renden rond, er was speelgoed uitgedeeld. Clown Az-Oolay maakte grappen met een als fototoestel vermomde bellenblaasmachine. Bekende muzikanten traden op in de lobby. Maar ook het drama was te gast. Mensen vielen elkaar troostend in de armen. Nieuwtjes over wie nog in leven bleek te zijn, gingen rond – en over wie dood was.
Niet iedereen wilde praten, maar de gespierde, gedrongen Britse Israëliër wel. King, 59 jaar op dat moment, maakte een stoere en tegelijk kwetsbare indruk, een eigenschap die hem – valt achteraf te concluderen – in staat zou stellen het trauma te verwerken. Hij ging zijn emoties niet uit de weg, noch het gesprek over zijn ervaringen.
Bijna veertig uur had hij in de gepantserde schuilkamer van zijn woning doorgebracht, samen met zijn vrouw en zijn zoon van 13, de jongste van zes. Al die tijd hoorden ze explosies, vuurgevechten, geschreeuw, bulldozers van het Israëlische leger die gevels aan puin reden.
Nu, bijna een jaar later, laat hij de kinderslaapkamer zien die als schuilruimte diende. ‘Hier lagen we, in het donker met z’n drieën’, zegt hij. ‘Plassen deden we in een bloempot. We kregen dorst. Op zondagochtend sloop ik zachtjes door het huis, op zoek naar een fles water.’
Die avond waagde hij het erop. Hij ging het dak op – vertelt hij, staand op hetzelfde dak – en trok zwaaiend met een Israëlische vlag de aandacht van soldaten beneden. Bloedlink, maar het lukte. Een tankbemanning pikte het gezin op, samen met een licht demente buurvrouw die ze in huis hadden genomen toen ze, zich van geen gevaar bewust, doodgemoedereerd naar buiten was gekomen voor een wandeling.
Vervolgens werd het gezin King ondergebracht in het hotel aan de Dode Zee, net als de meeste van de circa duizend bewoners van de kibboets. Ruim zestig van hen, mensen zonder inwonende kinderen, zijn de afgelopen maanden teruggekeerd, naar woningen die onbeschadigd waren gebleven. De rest bleef al die tijd in het hotel. ‘Het was als een kleine gevangenis’, zegt King. ‘Het bed was onze sofa. We konden er niet veel meer dan tv-kijken. Mijn leven werd me afgenomen. Ik was gewend elke dag anderhalf uur te fietsen na het werk.’
Het gezamenlijke verblijf in het hotel had één groot voordeel: de saamhorigheid van de kibboets bleef in stand. Be’eri is niet alleen een van de grootste van de 270 kibboetsen in Israël, het is tevens een van de zeer weinige die hebben vastgehouden aan het oude socialistische ideaal van gelijkheid en collectivisme. De rest kwam in de greep van commercie en individualisering. Niettemin was Be’eri kapitaalkrachtig, dankzij de coöperatieve drukkerij Fus.
Al tien dagen na 7 oktober ging de drukkerij weer open. ‘Dat was niet gemakkelijk, maar we konden het niet opgeven’, zegt Natasha Cohen (53), destijds de boekhouder. ‘Duizend mensen in de kibboets en driehonderd families van externe werknemers zijn afhankelijk van de drukkerij. Bovendien heeft de kibboets veel veerkracht en een groot arbeidsethos.’
Elke dag gingen medewerkers vanuit het hotel met de bus naar Be’eri, hemelsbreed 85 kilometer verderop. King deed dat ook, met zijn eigen auto. Hij is de straatveger en klusjesman van de kibboets. ‘Zo heb ik mezelf overeind gehouden’, zegt hij. ‘Bezig blijven.’ Ook deed hij psychotherapie en watsu, watertherapie. ‘De stress bouwt zich op in de loop der tijd. Voor je het weet, ontplof je bij het minste geringste, zeker als je wat hebt gedronken.’
Niet straatvegen was zijn hoogste prioriteit, maar de bedorven voedselresten overal. Het Loofhuttenfeest zou in het weekend van de aanval van Hamas worden afgesloten. Koelkasten zaten vol, gerechten en ingrediënten stonden in de keukens klaar voor de Simchat Torah-maaltijd. ‘Het stonk, het was ranzig’, zegt King. ‘Er waren veel vliegen en maden. Ratten en muizen kwamen eropaf.’
De afgelopen weken had de klusjesman één voornaamste taak: graven delven. De meeste van de circa honderd overleden bewoners kregen op de kibboets hun definitieve rustplaats, na tijdelijk elders te hebben gelegen. Het merendeel werd vermoord door Hamas. Dertien leden van een familie kwamen vermoedelijk om doordat het Israëlische leger hun woning kapot schoot – er waren ook terroristen binnen.
Op de begraafplaats loopt King langs de verse graven; vooralsnog niet meer dan hoopjes bruin zand met bloemen, briefjes en kaarsen. ‘Dit graf heb ik net gemaakt’, zegt hij bij vier zandhopen vlakbij elkaar. ‘Een echtpaar met twee zoontjes, vrienden van mijn kinderen. Een van de twee zou bij ons blijven slapen dat weekend. Maar op vrijdagavond besloot hij toch naar huis te gaan.’
‘Met mijn vrouw Zehavit en onze kinderen hebben we veel gepraat over wat er is gebeurd, meestal tijdens de vrijdagavondmaaltijd. Maar pas afgelopen week kwam onze zoon van 13 ermee dat hij zich schuldig voelde over de dood van zijn vriendje. ‘Als ik hem had overtuigd te blijven slapen, zou hij nu nog leven’, zei hij.’
Wie vanaf de begraafplaats van Be’eri de blik naar het westen wendt, ziet de witte appartementenblokken van Gaza. Strikt genomen 2 kilometer verderop, maar sinds 7 oktober is de afstand groter. Er was altijd goed contact. De van oorsprong linkse kibboets had Palestijnse werknemers. Veel bewoners zetten zich in voor een beter leven voor de Palestijnen. De bekende vredesactivist Vivian Silver, directeur van het Arab Jewish Centre for Equality, Empowerment and Cooperation, was lid van de kibboets. Maar dat is voorlopig allemaal voorbij. Ook de 74-jarige Silver kan de scherven niet bijeenrapen, zij werd door Hamas vermoord.
Samenwerken met Palestijnen? ‘Dat gaat niet meer gebeuren’, zegt King. ‘Geen denken aan. Ik vertrouwde de Arabieren altijd. Ik bracht cement naar Gaza, ik dronk koffie met ze, ik spreek een beetje Arabisch. Er was een goede klik tussen ons. Dat is over.’
In de maanden voor 7 oktober, zegt hij, gebeurden er vreemde dingen. Palestijnse arbeiders op de kibboets die rondscharrelden op plekken waar ze niets te zoeken hadden. Aan spioneren dacht hij op dat moment niet, maar achteraf vielen hem de schellen van de ogen.
Als het aan King ligt, worden er voortaan Chinezen en Indiërs ingehuurd voor het zware werk, en bedoeïenen. ‘Bedoeïenen zijn moslims, maar ze zijn niet tegen de Joden. En Chinezen zijn het best. Slapen, opstaan, werken, naar huis, alsmaar door. Ik denk dat we over twee jaar veel Chinezen in Be’eri zullen zien.’
Twee jaar, dat is de termijn die staat voor heropening van de kibboets. Tot dan worden huizen opgeknapt, gesloopt en gebouwd. Nieuwbouw gebeurt grotendeels niet op locaties waar het ergste geweld zich heeft afgespeeld; een tot nu toe ongebruikt veld wordt bouwrijp gemaakt. ‘Voor geen goud zou ik willen wonen op een plek waar iemand is vermoord’, zegt Cohen. ‘In het Hebreeuws noemen we dat adama mekulelet, vervloekt land.’
In de tussentijd krijgen de leden van het collectief onderdak in luxe containerwoningen die de benaming ‘caravilla’s’ hebben gekregen. Het tijdelijke dorp ligt pal naast kibboets Hatzerim, 28 kilometer ten oosten van Be’eri. Het gezin van King betrok caravilla nummer 1.037 begin september, als een van de eersten. Het huis is met 100 vierkante meter ruim genoeg en van alle gemakken voorzien.
Alleen het groen houdt niet over. King heeft net 35 jonge boompjes geplant. Weer die wijsvinger, hij wijst naar een rijtje kale staken in een veld vol opwaaiend stuifzand. Voor een straatveger is hier meer dan genoeg te doen.
Als zijn bezoek op het punt staat te vertrekken, wenkt hij. Hij wil nog iets zeggen. Met die kwetsbaar-stoere lach: ‘Ik ben gelukkiger dan toen in het King David Hotel.’
‘Overwhelmed’, heet het kunstwerk van Nitzan Peled. ‘Beduusd’, volgens Google Translate, maar vermoedelijk bedoelt ze het net anders. Aanvankelijk had ze het gemaakt voor Midburn, een festival dat eind oktober vorig jaar in de Negev-woestijn zou plaatsvinden, veel groter nog dan het Nova festival. Sindsdien kreeg het object – een groot doorzichtig vrouwenhoofd, waarin Peled’s eigen stem klinkt – een ander doel, zegt ze: ‘Het verhaal van Be’eri vertellen en de gijzelaars vrij krijgen.’
De 57-jarige Peled is een van de ruim zestig bewoners die naar Be’eri zijn teruggekeerd; haar drie kinderen wonen niet meer thuis. ‘Ik moest in juli kiezen: Be’eri of een noodwoning in Hatzerim. Be’eri bleek nog beter te zijn dan verwacht. Het gaf me veel energie de dingen te doen die ik graag doe. Mijn kunst. Therapie. Stoppen met troosteten.’ Voor mij was Be’eri mijn redding.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant