Home

Krijgt minister Madlener Nederlanders aan de fietshelm?

Minister Barry Madlener van Infrastructuur en Waterstaat (PVV) wil dat meer fietsers in Nederland een helm gaan dragen – van jonge forensen tot e-bikende ouderen. Over tien jaar moet een kwart van de fietsers om zijn. Hoe wil hij dat gaan doen?

Waarom wil Madlener dat álle fietsers een helm gaan dragen?

Er gebeuren steeds meer ongelukken op de fiets waarbij slachtoffers ernstig letsel oplopen. Hun aantal is de laatste tien jaar met 27 procent gestegen, blijkt uit cijfers van kenniscentrum VeiligheidNL. Nederlanders leggen steeds meer kilometers fietsend af, mede dankzij de groeiende populariteit van de e-bike. Daardoor vormen fietsers nu de grootste groep verkeersslachtoffers in Nederland. Bij bijna 80 procent van de ongevallen reed het slachtoffer op een gewone fiets, reden waarom minister Madlener ook die groep wil overhalen een helm op te zetten.

Zo’n fietshelm is een effectief middel om de ernst van fietsongelukken te beperken, meent Madlener. Hij baseert zich op cijfers van verkeersveiligheidsinstituut SWOV, dat stelt dat fietsers 60 procent minder kans hebben op ernstig hoofdletsel wanneer zij een helm dragen. Als alle Nederlanders een helm zouden dragen tijdens het fietsen, zou dat jaarlijks zo’n 105 verkeersdoden schelen en zo’n 1.800 ernstig gewonden, aldus SWOV.

Over de auteur
Dana Holscher is nieuwsverslaggever van de Volkskrant.

Nederlanders zijn zich bewust van de effectiviteit van de helm, blijkt uit onderzoek van het ministerie. Waarom doen ze die dan niet op?

‘Een minder aantrekkelijk uiterlijk’ en praktische problemen, valt in het onderzoek van Madleners ministerie te lezen. Dat laatste herkent Karel Brookhuis, emeritus hoogleraar verkeerspsychologie. ‘Ik doe hem inmiddels wel op, maar voor korte ritjes naar de supermarkt is het toch lastig. Waar laat je dat ding? Onze samenleving is er nog niet op ingericht.’

Dick de Waard, hoogleraar verkeerspsychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, wijst op nog een ander mechanisme. ‘Mensen voelen zich over het algemeen niet aangesproken door statistieken, die lijken altijd over anderen te gaan. Het komt misschien wel steeds vaker voor, maar een val op je hoofd is niet het meest voorkomende ongeval. Je moet het een keer – bijna – meemaken om je van het risico bewust te worden.’

Is verplichting dan niet een betere aanpak, als er zoveel ongelukken gebeuren?

Brookhuis denkt van niet. ‘Daar is amper draagvlak voor, dat krijg je nooit door de Tweede Kamer.’ Daarom ziet hij wel wat in de plannen van Madlener: ‘Het groeiende aantal fietsslachtoffers is echt een zorgelijke ontwikkeling. Een tussenoplossing is wat dit betreft beter dan niets.’

Hij wijst op de invoering van de autogordel, die sinds 1975 verplicht is op de bestuurders- en bijrijdersstoel, en sinds 1992 ook op de achterbank. ‘Dat begon met heel veel weerstand, maar mede dankzij bewustwordingscampagnes groeide het draagvlak voor verplichting. Nu zou ik me niet meer veilig voelen zónder gordel in de auto.’

Kan een promotiecampagne mensen echt zover krijgen een helm op te doen?

Daarover is De Waard sceptisch. ‘Campagnes alléén hebben over het algemeen een heel beperkt effect. Uit onderzoek naar methoden om mensen minder hard te laten rijden, weten we dat ze het beste werken in combinatie met handhaving. Anders denken mensen vooral: ‘Ja, mijn buurman moet inderdaad wat minder hard rijden.’

Madlener wil met positieve verhalen van ‘herkenbare personen’ uit verschillende doelgroepen de weerstand voor de fietshelm verlagen. Een campagne kan wel iets bijdragen aan bewustwording, denkt De Waard, maar een echte ommekeer ziet hij niet snel gebeuren. ‘Dat moet uit de mensen zelf komen. Het moet hip worden om een helm te dragen, omdat een hip iemand het doet of omdat er bijvoorbeeld meer luxe, goed uitziende helms op de markt komen. Zoiets kun je niet van bovenaf dirigeren.’

Madlener wil zijn campagne vooralsnog inrichten op forensen, omdat ze veel fietsen, ouders van kinderen onder de 12, zodat ze het goede voorbeeld geven, en ouderen, die extra kwetsbaar zijn. Hoe bereik je die groepen?

Dat is volgens emeritus hoogleraar Brookhuis de grootste uitdaging. Het is volgens hem cruciaal om zo’n campagne te ontwerpen met mensen uit de doelgroep, die weten hoe je ze moet aanspreken. ‘Anders werkt het averechts, dan gaan mensen denken: de overheid moet zich helemaal niet bemoeien met wat ik doe.’ Brookhuis vreest dat die weerstand zich in het ergste geval kan verplaatsen naar andere gedragingen, waardoor mensen zich ook van andere regels en richtlijnen minder aan gaan trekken.

Dat de campagne zich in eerste instantie richt op de risicogroepen is op het eerste gezicht logisch. Maar De Waard wijst erop dat juist onder ouderen het helmgebruik al is toegenomen. ‘Er is al een kentering gaande. Vooral voor ouderen is dat echt winst.’

De nadruk op ouders van jonge kinderen is volgens Brookhuis wel een goed idee. ‘Het aloude gezegde geldt hier ook: jong geleerd is oud gedaan. Mensen moeten wennen aan zo’n helm, dat duurt even. Maar na een tijd is het normaal.’

Madlener haalt Denemarken als voorbeeld aan, daar is het helmgebruik de afgelopen twintig jaar gestegen naar 50 procent, onder kinderen zelfs 80 procent. Past het wel in de Nederlandse volksaard om in die voetsporen te treden?

‘Over het idee van een volksaard ben ik altijd een beetje aarzelend’, zegt Brookhuis. ‘Die afkeer van de helm zit niet in onze genen, of zo.’ Goed voorbeeld doet goed volgen, denkt de verkeerspsycholoog daarom. ‘Nederlanders zijn best in staat om zo’n verandering door te maken. En als het merendeel van een groep een gebruik overneemt, dan volgt de rest. Dat zien we ook bij ander gedrag in het verkeer.’

Dat beaamt De Waard: ‘Kijk maar naar wielrenners, die hebben nu vrijwel allemaal een helm op. Dat was vijftig jaar geleden ondenkbaar.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next