Home

‘Ik nam ontslag toen ik na 20 jaar nog steeds ‘Kleine Cootje’ werd genoemd’

Co Knuppelder is 100 jaar. Hoe kijkt deze bewust kinderloze ambachtsman aan tegen de eeuw die achter hem ligt?

Aan aandacht voor zijn avonturen van de afgelopen eeuw heeft hij geen gebrek, de 100-jarige Co Knuppelder uit Wormer. Zijn oorlogsjaren figureren in maar liefst drie historische boeken, in een graphic novel en op een expositie momenteel in Herinneringskamp Amersfoort. Geestelijk is de geboren Amsterdammer haarscherp, maar fysiek stelt het niet meer zoveel voor, zegt hij met enige zelfspot in zijn stem. Een pacemaker, brace en kunstheup houden hem op de been. Ondanks al het stutwerk is hij nog in staat een paar keer per week tachtig keer heen en weer te bewegen op zijn roeimachine.

Bijzondere achternaam heeft u, Knuppelder.

‘Ja, en ik ben de laatste. Na mij is er geen enkele Knuppelder meer in Nederland, kijk maar naar de stamboom die daar aan de muur hangt. Mijn vrouw en ik waren het erover eens dat we geen kinderen wilden. Als we op bezoek waren bij vrienden met een gezin, zag ik altijd waarom: al het geruzie, een zoon aan de drank, een hond die werd verkocht om alcohol te kunnen blijven kopen, nee. Wil en ik hebben samen goed kunnen leven: we hadden alle vrijheid, konden lekker vaak op vakantie en veel auto’s kopen.’ (Hij pakt er een lijst bij van alle 24 auto’s die hij in bezit heeft gehad; van een Heinkel - een tweepersoons wagentje met een deur aan de voorzijde - tot een Citroen C1, de laatste, die nog op de hoek van de straat staat.)

’Maar laat ik eerlijk zijn: nu ik zo oud ben, heb ik toch spijt dat ik geen kinderen heb. Ik knijp mijn handen dicht dat ik nog bij de tijd ben en veel vrienden heb. Op mijn verjaardag komen tachtig man, ook oud-collega’s. En ik heb Miranda, ze woont hier in de buurt. In haar gezin zijn ze met zijn vijven en ik ben de zesde. Al zeven jaar is ze mijn cateringmevrouw. Ze kookt elke dag een portie extra en die komt ze in een bakkie bezorgen. Het vlees betaal ik.’

Hoe waren uw jeugdjaren?

‘Laten we beginnen bij mijn 15de.’

Waarom?

‘Eerlijk gezegd was ik geen lekkere jongen. Als er iets aan de hand was in de straat, zeiden ze: ‘Dat zal Cootje wel weer hebben gedaan’. Ik heb weleens een agent achter mij aan gehad. Ik hield van trammetje wippen: meerijden aan de buitenkant van de tram. Ik ben er eens van afgevallen en kwam met mijn ene poot onder de tram en met de andere onder een auto.’

‘Ik zat bij de socialistische jeugdclub ‘De Jonge Pieter Jelles’, vernoemd naar politicus Pieter Jelles Troelstra. Op zondag liepen we in optocht door Amsterdam, socialistische liederen zingend. Ik was de trommelaar. We droegen rode broekjes, maar als we in een plaats kwamen die niet rood was, zoals Huizen, droegen we blauwe broekjes.

‘Tot mijn 25ste woonde ik met mijn ouders en zus in de Czaar Peterbuurt in Amsterdam, we keken uit over rietlanden. Dat is nu allemaal volgebouwd. We hadden een klein huisje, de huiskamer was 3,5 bij 3,5 meter, ik sliep op zolder. Mijn moeder had negen broers en zussen, die woonden bijna allemaal met hun gezinnen bij ons in de buurt, iedereen liep bij elkaar naar binnen, er was veel gezelligheid. Als in de buurt iemand was gestorven, liep de aanspreker door de straten. ‘De heer Pietersen is overleden!’ riep hij dan. Aan de gesloten witte luiken kon je zien waar hij had gewoond.’

Knuppelder staat op, loopt naar zijn werkkamer en komt terug met de polis van zijn begrafenisverzekering uit 1948, ongekreukt, op dun, groen papier. ‘Elke week moest ik 7 cent betalen, de man van het dooienfonds ging de deuren langs om het geld op te halen. En we hadden Sjors de lootjesman, die op straat lootjes verkocht en na de trekking riep: ‘Het dubbeltje is gevallen!’

Lijkt u op uw vader of op uw moeder?

‘Qua karakter op mijn moeder. Zij was heel sociaal, de spil van de familie. Mijn vader dacht alleen aan zichzelf, met hem heb ik niks meegemaakt, hij stimuleerde mij nergens in, ook niet om op een voetbalclub te gaan. Hij is 88 jaar geworden, mijn moeder 76, het had andersom moeten wezen, dan praat je over rechtvaardigheid.

‘Mijn vader zat de hele dag niks te doen. Het enige wat ik hem zag doen was met een loep de krant lezen, het socialistische Het Volk. Hij was elektricien van beroep en had ongebluste kalk in zijn ogen gekregen, waardoor hij nog maar weinig kon zien. Op zijn 28ste is hij arbeidsongeschikt verklaard. Mijn moeder was de kostwinner in huis, ze maakte scholen schoon, dat heeft ze 46 jaar lang gedaan, als kind hielp ik haar vaak. Op mijn 15de, ik zat op de ambachtsschool, zei ze: ‘Ga maar aan het werk.’ Die extra centen konden we goed gebruiken. Ik kon aan de slag als jongste bediende bij A.T.H Janse, een elektrotechnisch bedrijf in de Nieuwe Uilenburgerstraat, een Jodenhoek. Tijdens de oorlog barricadeerden de Duitsers alle bruggen eromheen, zodat ze er niet uit konden, ik kon er met een pasje naar binnen.’

Wat is het beste besluit dat u ooit heeft genomen?

‘Na twintig jaar werken bij Janse solliciteren bij een Amerikaans autobandenbedrijf. Toen ik na de oorlog terugkwam van dwangarbeid uit Duitsland, ging ik terug naar Janse, om te vragen of ik daar weer aan de slag kon. Toen ik er op mijn 15de kwam werken, noemden ze mij ‘Kleine Cootje’, omdat ik de jongste was en klein van stuk. Zo bleven ze mij noemen, twintig jaar lang. Dat werd ik zo zat, dat ik ontslag nam. Bij het Amerikaanse bedrijf kreeg ik een contract onder mijn neus geduwd waar je u tegen zegt. Ik kreeg het dubbele betaald en kon chef-monteur worden.’

‘Wat doet al die aandacht van schrijvers, historici en een museum met u?

‘Het is een hele eer dat ze mij eruit gepikt hebben, allemaal vanwege die dwangarbeid tijdens de oorlog. Ik heb 2,5 jaar lang in allerlei fabrieken gewerkt. Ik begon in een bommenfabriek in Berlijn en eindigde in Guben, tegen de Poolse grens, waar ik machinegeweren in elkaar moest zetten. Slecht heb ik het niet gehad; het was eigenlijk best een mooie tijd waarin ik veel vrienden heb gemaakt.

‘In januari 1943 kreeg ik een oproep voor tewerkstelling in Duitsland. Op mijn werk zei iemand: ‘Ga toch onderduiken!’ Ik had geen idee wat dat was en besteedde er geen aandacht aan. We vertrokken vanaf het centraal station in Amsterdam met twintig jongens en zijn de hele tijd die volgde bij elkaar gebleven. Na de oorlog hielden we elk jaar een reünie, ik ben de enige die nog over is.

‘Ik was met 18 jaar de jongste en brutaalste. We werden van de ene fabriek naar de andere overgeplaatst, meestal nadat de boel was platgebombardeerd. Toen de Russen er in 1945 aankwamen, zaten we in Guben en moesten we vluchten. Met 3.500 dwangarbeiders uit Nederland, Frankrijk en België liepen we in westelijke richting, onder begeleiding van Duitse soldaten. Waar we ook kwamen, overal was het kapot gebombardeerd. Na vier nachten lopen werd ik er door een Duitse officier uitgepikt en meegenomen, voor het eerst was ik zonder mijn vriendengroep. Drie maanden lang ben ik weggeweest. Aan die periode heb ik geen enkele herinnering, behalve dat ik hoorde dat de Amerikaanse president Roosevelt was overleden’ (12 april 1945, red.).

Zou u iets traumatisch hebben meegemaakt?

‘Ik weet er helemaal niets meer van. Ik vergeet je het mooiste te vertellen. In de fabriek in Guben leerde ik Willem van de Rijst kennen, een melkboer uit Utrecht. Hij was 26 jaar en werd een vaderfiguur voor mij, ik heb veel aan hem gehad. Zijn zoon belt mij nog elke zondag op. Willem en ik werden een paar keer thuis uitgenodigd bij een Duitse fabrieksarbeider, Josef. Hij gaf ons de heerlijkste dingen te eten, zoals worst. Josef was een communist en moest niets hebben van de nazi’s. Hij liet ons naar Radio Oranje luisteren, zo hoorden we van de opmars van de geallieerden en de verliezen van de Duitsers.

‘Je zult het niet geloven, maar nadat de Duitsers waren verslagen en ik terug kon naar huis, vond ik bij een opvangkamp in Enschede mijn vriendengroep terug. En wie werd er weer uitgepikt? Cootje. Alle mannen die waren teruggekeerd werden ontluisd met DDT en onder de douche gezet. Ik werd apart genomen en moest mijn armen omhoog houden; ze schoren mijn okselhaar weg om te zien of ik een SS’er was: dat kwam zeker door mijn blonde kop met haar. SS’ers hadden op die plek een tatoeage met hun bloedgroep, zodat ze herkenbaar waren als ze gewond waren geraakt. Sindsdien heb ik geen okselhaar meer.’

Aan het einde van het interview doet Co Knuppelder een suggestie voor de kop boven dit interview: ‘Onderduiken? Ik wist niet wat dat was’.

Is dat belangrijk voor u?

‘Mijn leven was heel anders gelopen als ik niet naar Duitsland was gegaan. Een paar maanden na ons vertrek zei een van mijn vrienden dat hij post kreeg van een meisje en dat ze verkering hadden. Dat bleek Annie, míjn meisje. Op het station in Amsterdam had ze mij nog staan uitzwaaien.’

Co Knuppelder

geboren: 5 augustus 1924 in Amsterdam

woont: zelfstandig, in Wormer

beroep: elektromonteur en projectleider

weduwnaar sinds 2008

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next