Al 1,2 miljoen mensen zijn in Libanon op drift geraakt door het Israëlische geweld. De failliete regering is nauwelijks in staat om hulp te bieden. Dus doen gewone burgers wat ze kunnen om de vluchtelingen te helpen. ‘Mijn vriendin komt morgen 500 croissants brengen.’
Wat heb je nodig voor een mini-kapperszaak? Niet veel, zo blijkt. Twee eenvoudige stoelen, een paar kapmantels om de haartjes op te vangen, dan ben je al een heel eind. De klanten hoeven niet te betalen. Stilzitten is genoeg. De 32-jarige Younis Ahmad Ismail laat zijn hoofd naar achter zakken, terwijl de kapper met een tondeuse zijn baardje onder handen neemt.
Voor Ismail, vader van twee kinderen, is dit een zeldzaam moment van rust. Sinds twee weken staat zijn leven op zijn kop. Zijn huis in Zuid-Beiroet heeft hij vanwege de aanhoudende Israëlische bombardementen moeten verlaten, en dus slaapt hij nu pal naast de Sky Bar, een exclusieve nachtclub in de Libanese hoofdstad waar je voor een toegangskaartje doorgaans 90 euro neertelt. Vanwege de oorlog is de club tijdelijk omgeturnd tot een opvanglocatie voor ontheemden.
Over de auteur
Jenne Jan Holtland is correspondent Midden-Oosten voor de Volkskrant. Hij woont in Beiroet. Hiervoor was hij correspondent Centraal- en Oost-Europa.
De eigenaar heeft de deuren op eigen initiatief geopend voor iedereen die van huis en haard verdreven is. In totaal zijn er volgens de Libanese autoriteiten zo’n 1,2 miljoen mensen op drift, hetgeen neerkomt op een vijfde van de totale bevolking. Ze schuifelen als verdoofd door de straten. Ze slapen in tentjes, in parken, leegstaande scholen of hier, bij de Sky Bar. Tussen de geluiddichte wanden waar je doorgaans de hipste techno en house hoort, draven nu kinderen achter een plastic bal aan. Op de plek waar normaliter de dj draait, liggen paardendekens opgestapeld.
Er slapen zo’n vierhonderd mensen, meer kunnen er niet bij. Vanwege de beperkte ruimte slapen alleen de vrouwen en kinderen binnen. De mannen rollen hun matrassen buiten uit, of slapen in de auto. De meerderheid is Libanees, maar er zitten ook Syrische vluchtelingen tussen. Ismail komt oorspronkelijk uit de Syrische stad Deir Ezzor. Dit is de tweede oorlog in tien jaar tijd die hij moet ontvluchten. Syriërs en Libanezen zijn plotsklaps verenigd in hun lot. ‘We zijn één volk’, klinkt het naast hem.
De solidariteit is groot, ook al zit Libanon financieel-economisch volledig aan de grond. De gaten die de failliete regering laat vallen, worden door gewone Libanezen opgevuld. ‘Ik krijg net een spraakbericht van een vriendin’, glundert bedrijfsleider Gaël Irani (38). ‘Voor het ontbijt morgenochtend komt ze vijfhonderd croissants met kaas en tijm brengen.’
Achter haar trots gaat vermoeidheid schuil. Iedere nacht is Zuid-Beiroet het toneel van onophoudelijke, dreunende Israëlische bombardementen. Het zijn de wijken waar Hezbollah de dienst uitmaakt en waar de militante beweging volgens Israël zware wapens tussen de woonhuizen verbergt. Op video’s die op sociale media circuleren, is te zien hoe de voorheen zo dichtbevolkte wijken gestaag veranderen in een smeulend niemandsland. ‘Door het lawaai van de bommen raken de kinderen van streek’, zegt Irani. Ze heeft nauwelijks een oog dichtgedaan.
Feitelijk krijgt Libanon momenteel drie ‘golven’ van ontheemden te verstouwen. De eerste komt uit het diepe zuiden en is al van huis verdreven sinds de oorlog tussen Israël en Hezbollah in oktober vorig jaar ontbrandde. De tweede golf volgde op 23 en 24 september, toen Israël ook de rest van het zuiden (inclusief steden als Tyr en Nabatieh) aanhoudend begon te bombarderen. De derde volgde kort daarop, en is afkomstig uit de zuidelijke buitenwijken van Beiroet. De grootste pechvogels maken deel uit van alle drie: telkens als ze dachten veilig te zijn, moesten ze opnieuw vluchten.
Een van de mensen uit de derde groep is de 43-jarige Fadia Fayad. Ze zit op een sofa. Om het huiskamergevoel te versterken, heeft haar man een tv meegebracht, waarop de familie naar Al Jazeera kijkt. Fayad, moeder van zes kinderen, heeft geen idee of haar huis in het Palestijnse vluchtelingenkamp Bourj al-Barajneh in Zuid-Beiroet nog overeind staat. ‘Als ik ’s ochtends wakker word, denk ik telkens: ik rijd erheen om te gaan kijken. Maar dan beginnen de bombardementen en durf ik niet meer.’
Haar man Imad, dierenarts van beroep, waagde het er wel op. Met gevaar voor eigen leven redde hij hun achtergebleven katten, honden en kaketoes. ‘Die hebben ook een ziel’, zegt hij. ‘Ik kon het niet verdragen om ze daar achter te laten.’ De dieren bracht hij onder bij familie en vrienden.
De Sky Bar, kilometers verwijderd van het door Hezbollah gedomineerde zuiden, oogt als een veilig heenkomen. Het is moeilijk voor te stellen dat Israël deze uitgaanswijk in het vizier zal nemen. Maar Fayad schudt het hoofd. ‘De Israëliërs zijn criminelen’, zegt ze met een sigaret in de hand. ‘Ze vinden vast wel een excuus om ons ook hier te raken.’
Haar goede vriendin Majida (44, ‘geen achternaam’) wordt er moedeloos van. Ze is boos op iedereen, zegt ze met nadruk, óók op Hezbollah. ‘Als je je huis moet ontvluchten, kun je de strijdende partijen alleen maar vervloeken.’ Haar zoon stond op het punt om zijn verlovingsfeest te vieren, maar daar kwam niks van terecht. Het doet Majida denken aan het jaar 1982, toen ze een peuter was. Ook toen was het oorlog met buurland Israël. Haar broers kwamen om het leven, beiden nog ongetrouwd. Wie kan nu verhoeden dat haar zoon hetzelfde lot wacht?
Buiten komen alweer nieuwe families aan, voor wie nog geen plek is in de Sky Bar. Onder hen bevindt zich de 44-jarige Rahaf, docent Engelse literatuur. Ze heeft een recept gevonden om haar eigen angst te lijf te gaan, vertelt ze: liedjes componeren. Hoor maar, ze zingt al.
O zon van de vrijheid, kom op voor je huilende volk,
Dat op distels loopt, en niet op rozen.
Verderop luisteren Libanezen aandachtig mee. Er wordt uitbundig geklapt. De angst is even vergeten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant