Pfas, formaldehyde, glyfosaat: geen dag of er is wel ophef over de chemische gevaren die ons beloeren. Terwijl dat vaak paniek om niets is, betoogt Simon Rozendaal in een nieuw boek. ‘Natuurlijk zit koffie vol troep!’
In de lunchroom van boekwinkel Donner, aan de Coolsingel in Rotterdam, nipt Simon Rozendaal (73) van een glas gemberthee en zegt: ‘Ik denk dat ik een beetje kan helpen om de gifgekte te temperen.’
Want daartoe schreef hij zijn nieuwe boek (Paniek om niets), las en herlas hij talloze onderzoeken, krabbelde hij zijn agenda vol priegelige aantekeningen en moest de soepelschrijver zowaar een heus writer’s block overwinnen, voordat hij het plezier van het schrijven hervond.
Over de auteur
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, met als specialismen microleven, klimaat, archeologie en gentech.
‘Ik voel een morele verantwoordelijkheid om dit boek te schrijven. We zijn behoorlijk bang geworden voor allerlei substanties. Alsof ons bestaan wordt bedreigd, de wereld naar de filistijnen gaat. Terwijl het vaak gaat om imaginaire risico’s, van vreselijk geringe concentraties chemicaliën.’
Waarom stoort u zich daaraan?
‘Het is eigenlijk raar dat je mij die vraag stelt. We hebben allebei de maatschappelijke en morele verantwoordelijkheid om eerlijk te zijn, de waarheid te vertellen. En die is dat de vervuiling in onze contreien lager is dan ooit. In grote delen van de wereld is de lucht die we inademen in duizenden jaren niet zo schoon geweest.
‘En toch maakt de angst voor gif dat we op hol slaan. Vorige week nog zei psychiater en hoogleraar angststoornissen Neeltje Batelaan in NRC: ik zie een spectaculaire stijging van angst en paniek in de samenleving. Dat komt natuurlijk niet alleen door de meetrevolutie, waardoor we nu zelfs de geringste concentraties stoffen kunnen meten. Maar die draagt er wel aan bij.’
De meetrevolutie – Rozendaal stond er zelf met de neus bovenop. Eerst als jonge chemicus, afgestudeerd aan de TU Delft op moleculaire gangmakertjes genaamd ‘zeolieten’, daarna als wetenschapsjournalist en publicist, voor NRC Handelsblad en later Elsevier.
Was het destijds al heel wat als chemici stoffen konden meten van één deeltje per miljoen andere deeltjes (ppm, parts per million), daarna ging de detectiedrempel snel omlaag. Naar één deeltje per miljard (ppb, per billion). Eén per biljoen (ppt, per trillion). Zelfs één per biljard (ppq, per quadrillion), weer drie nullen erbij. Dat is één molecuul tussen 1.000.000.000.000.000 andere.
En dus vinden we ze ineens overal, de landbouwgiffen en chemicaliën. In eten, in water, in ons bloed. ‘Ik zag laatst een advertentie van De Koffiejongens. Die hebben zuivere koffie, koffie zonder troep, beweren ze.
‘Maar koffie zit natuurlijk vól troep! Er zit 5 procent chlorogeenzuur in koffie, dat is behoorlijk gemeen spul. Dan ga je je toch niet druk maken om een paar moleculen van het landbouwgif glyfosaat? Er zit nota bene ook cafeïne in, dat is veel toxischer dan glyfosaat!’
(Bij proefdieronderzoek is inderdaad ongeveer dertig keer zoveel glyfosaat nodig om de helft van een groep proefdieren te doden, als pure cafeïne – een lugubere maatstaf genaamd de ‘LD50’.)
Je kunt toch beter ook die laatste moleculen eruit halen?
‘Dat denk ik niet. Als je onkruid wilt doden – en dat willen we – dan kun je het beste een substantie nemen die veel minder giftig is dan de herbiciden van vroeger, en die in de bodem extreem snel afbreekt tot stoffen die niet meer giftig zijn.
‘En glyfosaat is zo’n substantie. Talloze onderzoekers hebben er uitgebreid naar gekeken. En de conclusie, ook van de Universiteit van Wageningen, is gewoon: het kan niet zoveel kwaad voor de mens.’
Dat klinkt toch een beetje makkelijk.
‘Je moet natuurlijk op je hoede zijn voor eventuele risico’s. Maar je moet als samenleving ook de afweging maken: wat levert het op als je zo’n stof zou wegdoen? De energie die je steekt in het terugdringen van minieme hoeveelheden pfas of glyfosaat, kun je niet meer in andere dingen stoppen die misschien zinvoller zijn.’
Prominent onderwerp in uw boek is pfas, een verzameling stoffen waarover veel te doen is. Ook paniek om niets, om uw boektitel aan te halen?
‘Ja, met een kleine slag om de arm. Als chemicus had ik meteen zoiets van: deze stoffen zijn gebaseerd op een verbinding tussen fluor en koolstof. Die is zo extreem sterk dat pfas niet voor niets forever chemicals worden genoemd. Als een stof zo stabiel is, reageert hij niet snel met andere stoffen en is hij ook maar weinig toxisch. Daarom hopen ze zich op.
‘Naar pfas is veel onderzoek gedaan. En daaruit komt naar voren dat ze weinig toxisch zijn. Ja, misschien, met heel veel vraagtekens, doen ze iets met het afweerstelsel. En heel, héél misschien, met nog meer vraagtekens, is er iets met kanker. Maar dan nog moet je het over concentraties hebben. En die zijn zó absurd klein.’
Want?
‘In de buurt van Chemours, in Dordrecht en Zwijndrecht, gaat het in grondwater om een concentratie van, let op: nul komma nul nul nul nul twee procent. De normen voor pfas zijn absurd. De bouwstop in Nederland in 2019 kwam door een norm van 0,1 microgram per kilo grond. Dat is 0,00000001 procent!
‘Het Amerikaanse milieuagentschap EPA hanteert voor PFOA, een van de pfas-stoffen, in drinkwater een norm van 0,0000000000004 procent. Iedereen begrijpt dat een percentage met twaalf nullen achter de komma geen heel groot probleem kan zijn. Zeker niet bij een chemisch tamelijk stabiele stof.’
Het is niet de stof, maar de dosis die maakt of iets giftig is of niet, haalt u in uw boek de Zwitserse renaissancefilosoof Paracelsus aan. Gaat dat beneden een bepaalde hoeveelheid dan niet meer op?
‘Paracelsus zei dat de meeste stoffen in zeer lage doses gezond zijn, in iets hogere doses als geneesmiddel kunnen worden gebruikt en in hoge doses toxisch zijn. En die ppm van mij – de grens die ik trek – daar zou hij het wel mee eens kunnen zijn geweest, weet ik vrijwel zeker. In zijn tijd kon je een ppm namelijk niet meten. Voor hem was wat wij een ppm noemen ‘niets’. En ‘niets’ van een substantie kan geen kwaad, toch?’
Bij Nederlandse hobbyboeren vond men in sommige eieren drie keer zoveel pfos – een vorm van pfas – als volgens de EU-normen is toegestaan. Die voorschriften zijn er toch niet voor niets? Bij het RIVM zijn ze toch ook niet gek?
‘Nee, ik heb het RIVM natuurlijk hartstikke hoog zitten. Maar over de gezondheidseffecten van pfas houdt het RIVM behoorlijke slagen om de arm.
‘En op de achterliggende studies is vaak van alles af te dingen. De Amerikaanse milieutoxicoloog Susan Goldhaber, die ik hoog heb zitten, zette allerlei studies naar verminderde afweer, lager geboortegewicht en kanker op een rij, en concludeert dat het allemaal niet erg overtuigend is. Daarmee zit ze ongeveer op dezelfde lijn als de Vlaamse toxicoloog Jan Tytgat (KU Leuven), die in een interview zei dat er bij pfas echt geen acuut gezondheidsrisico is, zoals bij bijvoorbeeld asbest het geval was.
‘Pfas zouden de hormoonwerking en het cholesterolgehalte kunnen beïnvloeden en het afweersysteem verzwakken. Maar er is bijvoorbeeld geen enkel wetenschappelijk bewijs dat ze kanker kunnen veroorzaken, constateert Tytgat. Dus vooralsnog houd ik het erop dat pfas niet bijster toxisch zijn en niet veel schade kunnen aanrichten. Maar zodra iets wordt gemeten, worden we er wel bang voor.’
Hoe moet het wat u betreft wel?
‘Epidemioloog Lawrence Garfinkel van de American Cancer Society schreef eens: eigenlijk zou je alle apparaten die beter kunnen meten dan één ppm stuk moeten slaan, want ze maken ons gek. Ik denk dat daar wel een kern van waarheid in zit.
‘Eigenlijk zou je ergens de grens moeten trekken. Als je concentraties tegenkomt van procenten, promilles en ppm’s, moet je op je hoede zijn. Maar bij concentraties van één per miljard, biljoen of laat staan biljard... Let wel, ik ga er niet over, maar als een soort tip aan de verontruste burger zou ik zeggen: dan hoef je je geen zorgen te maken. Houd er rekening mee dat het hier gaat om onvoorstelbaar kleine concentraties.’
Stevig tekeer gaat u tegen uw eigen beroepsgroep, de journalistiek. Ook de Volkskrant en NRC krijgen ervan langs. Hoe zou de journalistiek het beter kunnen doen?
‘Het zou al veel schelen als jullie de getallen noemen, en uitdrukken in procenten. Procenten, procenten, procenten. Mensen begrijpen procenten. Dan kun je ook een fatsoenlijk debat krijgen. Huh, er zit glyfosaat in mijn wijn? Logisch, want die akkers worden bespoten. Maar we hebben het wel over 1 ppb, een percentage met zes nullen achter de komma, terwijl er honderd miljoen maal meer in zit van de kankerverwekkende substantie die de reden is waarom mensen die wijn drinken.’ (*)
Hoe gaat dit nu verder?
‘Ik gooi de knuppel in het hoenderhok, hoewel ik genuanceerd probeer te zijn. En ik hoop dat nu de toxicologen en epidemiologen hun mond gaan opendoen. Gelukkig doen ze dat ook een beetje. Martin van den Berg, hoogleraar toxicologie aan de Universiteit Utrecht, schreef onlangs al: laten we ervoor waken dat de angst voor giftige stoffen met ons aan de haal gaat. Ook hij wees op de meetrevolutie. Dus ik houd hoop.’
(*) Een grap moet je niet uitleggen, maar uiteraard doelt Rozendaal hier op C2H6O, oftewel alcohol.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant