Wie de Weekendgids moest worden in ons jubileumnummer? Jan Mulder natuurlijk, die schoonheid ziet in beursberichten, verlaten tankstations en tuingereedschap. Het onvoorziene genot van de bladblazer wil hij de Volkskrant-lezer niet onthouden.
25 jaar lang schreef hij sportcolumns voor de Volkskrant, tien jaar stond hij op de voorpagina, om en om met Remco Campert, en drie keer sierde hij de cover van Volkskrant Magazine – een eer die alleen is weggelegd voor een zeer select gezelschap. Reden genoeg om Jan Mulder (79) voor dit jubileumnummer te vragen onze Weekendgids te zijn. Maar er is wel een probleem, zegt hij. ‘Ik woon dus hé-le-maal verkeerd. Wij maken hier nooit iets mee. We missen alles. Kíjk dan.’
Vanuit de zitkamer van zijn grote, vrijstaande huis wijst hij naar buiten. Nieuwolda, Noordoost-Groningen. Weidse luchten, eindeloze weilanden, een kaarsrechte bomenrij in de verte. Drie keer vallen en je bent bij de Dollard, vier keer en je staat in Duitsland. Het huis is comfortabel, smaakvol ingericht, en hangt vol met kunstwerken, voornamelijk van bevriende kunstenaars. Maar inderdaad: naar een theater, een bioscoop of een boekwinkel kun je in deze contreien lang zoeken. ‘Zelfs een bakker is al een beetje te veel gevraagd.’
Zestien jaar woont hij hier al, niet ver van zijn eigen geboortegrond, in het huis waar zijn vrouw Johanna werd geboren. Dat klinkt als een terug-naar-de-wortelsverhaal, maar het was eerder een impuls. Johanna’s ouders overleden, het huis kwam leeg te staan, de fantasie sloeg op hol. En nou ja: voilà. ‘Een grote fout natuurlijk’, zegt Mulder op zijn bekende laconieke toon, die alle ruimte laat voor de gedachte dat hij dat helemaal niet vindt.
‘Eigenlijk zijn wij stadsmensen. Brusselaars. Daar zijn Johanna en ik samen volwassen geworden, eind jaren zestig, in de tijd dat ik bij Anderlecht voetbalde. We kwamen uit de klei en hebben daar het leven leren kennen. We aten er voor het eerst in goede restaurants, mijn vrouw ging naar een chique kapper, we hadden er veel vrienden, onze jongens zijn er geboren.’
Als het aan Johanna had gelegen, waren ze in Brussel gebleven. ‘Maar ja: op een gegeven moment wilde ik naar Ajax. Dat was destijds, begin jaren zeventig, de beste club ter wereld. En ik kon met Johan Cruijff voetballen! Dus gingen we naar Amsterdam. Ik heb dat toen niet eens met haar overlegd. Het spitsje beslist, de vrouw volgt – zo was het indertijd. Idioot eigenlijk.’
Na zijn voetbalcarrière hadden ze terug kunnen gaan, maar het kwam er niet van. Het spitsje werd columnist voor een Nederlandse krant, en later ‘tafelmannetje’ bij Barend & Van Dorp en De wereld draait door. Handiger om een beetje in de buurt te blijven. Toch is hij zich altijd een Brusselaar blijven voelen. ‘Maar ik bén het niet meer. Het is een soort verraad dat ik heb gepleegd. En dit is mijn straf, Nieuwolda!’
Maar het leuke aan fouten maken, zegt Mulder, is dat ze soms allerlei voordelen blijken te hebben. ‘Ik woon hier eigenlijk met veel plezier. Dat het zo’n uitgestorven gedoe is, vind ik meestal ook wel prettig. En ik zie nog steeds een glanzende toekomst als tuinarchitect voor me. Het gevaar is natuurlijk dat je een beetje in het verleden gaat leven. Valt nog best mee, hoor. Maar omdat ik bijvoorbeeld zelden nog langs een boekwinkel loop en de nieuwste romans in de etalage zie liggen, ben ik automatisch een herlezer geworden. Is ook niet erg. Soms denk ik: kom op man, wees niet lui, zak niet in. Bezoek vrienden, want vriendschappen moet je onderhouden. Maar ja, die wonen allemaal in Amsterdam of in België. En om nou honderden kilometers te gaan rijden om in Brussel een vriend te bezoeken, dat komt er dan toch zelden van. Bovendien: dan zou ik me daar een toerist voelen, en dat wil ik niet. Ik wil een reden hebben om ergens te zijn.’
80 wordt hij volgend jaar, het is nauwelijks te geloven. Mulder voelt zich ‘topfit’ en ziet er nog altijd patent uit, maar de werkzaamheden staan op een laag pitje. Gelukkig wordt hij nog regelmatig gevraagd om aan te schuiven bij voetbalprogramma’s op de Belgische tv. ‘Dat voetbalgebabbel, ik vind het fijn om te doen. Ik was al een voetballertje op mijn 6de, het is een beetje mijn habitat geworden. De wedstrijdanalyses en de tactiek laat ik liever aan anderen over, maar bewonderen, dat doe ik graag. Bovendien is het een goed excuus om toch nog af en toe in Brussel te zijn.’
Maar genoeg nu. Er moet gegidst worden. Hij heeft er speciaal een lijstje voor gemaakt. ‘Eens even kijken. Wat mag de Volkskrant-lezer ook alweer absoluut niet missen? O ja!’
‘Ik zie dus zelden nog een film, maar voor Babygirl ga ik straks met veel plezier een heel eind rijden in mijn autootje. Want ik sla steil achterover van bewondering voor Halina Reijn. Dat je al heel lang een gearriveerd actrice bent en het dan óók nog maakt als regisseur. Op het hoogste niveau! In Hollywood! Dat je Nicole Kidman mag regisseren, dat prachtige mens, die vervolgens ontzettend lovend over je spreekt. Dat de kritieken geweldig zijn. Och, ik gun dat Halina enórm.
‘Misschien zit er een vleugje nationalisme bij, maar het is vooral de ambitie die me zo aanspreekt. Ik had als voetballer de overtuiging dat ik goed was, en ik speelde ook bij mooie clubs, maar ik heb nooit gedacht: laat ik eens mijn stinkende best doen om bij Real Madrid of Manchester United terecht te komen, nog een trapje hoger. Misschien had ik dat best aangekund, misschien ook niet. Ook goed, dan had ik het in elk geval geprobeerd.
‘Het is zonde om je talent tekort te doen, maar kennelijk had ik uiteindelijk niet genoeg ambitie. Ik vond Anderlecht en Ajax groots genoeg. Nou, van zulke provinciale gedachten heeft Halina Reijn geen last. En dat vind ik dus echt geweldig. Of had ik dat al gezegd?’
‘Talkshows sla ik tegenwoordig meestal over, maar ik ben wel fan van RTL Z en ik zal je zeggen waarom: vanwege Durk Veenstra. Als je die niet kent, is dat een gemis in je leven. Durk zit van 9 tot 5 op de Amsterdamse beurs en verklaart vanuit daar de financiële toestanden in de wereld. Eerst was ik bang voor hem, hij kan namelijk één wenkbrauw optrekken en kijkt dan heel indringend in de camera, naar míj. Maar dat sloeg helemaal om, en inmiddels zie ik vooral de Humphrey Bogart-achtige allure van Durk.
‘Ik vind dat een heel prettig programma om naar te kijken, wat eigenlijk best gek is, want ik heb geen aandelen, ben vreselijk slecht met geld en die hele financiële wereld boeit me ook niet echt. Soms vind ik het wel leuk om te horen dat de Speculaaskoning van Brugge de Chinese markt heeft veroverd met zijn koekjes, maar eigenlijk alleen als Durk Veenstra het vertelt. Die weergaloze mimiek doet het ’m. Ik kan mijn ogen niet van hem afhouden, daar komt het op neer.’
‘Ga allemaal naar Liverpool en koop daar een kaartje voor Anfield. Niet vanwege dat stadion, maar om Ryan Gravenberch te zien spelen. Zijn stijl vind ik van een zeldzame schoonheid. Hoe hij loopt; er hoeft eigenlijk geen bal aan te pas te komen. Hij doet me denken aan Giancarlo Antognoni, een oud-speler van Fiorentina. Die was ook zo elegant, maar volgens mij is Gravenberch nóg beter. Hoe hij laatst speelde tegen Manchester United en tegen Duitsland, dat is echt de hoogste klasse. Dat zachte bewegen, je bek viel er gewoon van open.
‘Misschien komt het ook door mijn leeftijd dat ik zo onder de indruk ben van hem. Ik ben opgegroeid met middenvelders als Jan Klaassens en Loek Biesbrouck – lieve, enigszins houterige jongens. Om niet te zeggen: zo stijf als een plank. Maar wel in het Nederlands elftal. Dat is nog altijd een beetje mijn referentiekader. Natuurlijk hadden we ook Van Hanegem, die een soort Picasso was op het middenveld, en later kwamen jongens als Seedorf en Davids. Ook twee klassespelers, maar niet met de grandeur van Ryan Gravenberch.
‘Of ik zelf voor hem naar Liverpool zou afreizen? Nee, ik raad het júllie aan. Mij zul je niet snel op de tribune zien staan. Als voetballer speelde ik voor het publiek, het geluid dat ze maakten was voor mij. Dus om nou zelf het publiek te zijn, met een sjaaltje om mijn nek, dat is mijn eer te na. Diep van binnen bén ik Ryan Gravenberch. Snap je?’
‘Zijn dood trof me erg. En ik heb het gevoel dat hij nog niet goed is herdacht, niet genoeg geëerd. Jullie hadden hem geloof ik met een pasfoto op de voorpagina. Nou, die had ik meteen helemaal leeggeruimd. Ik Jan Cremer, mán, zelden is er zo’n enorme storm door de literaire wereld gegaan. Dat was echt een gebeurtenis, die bij mij ook echt de honger naar boeken heeft aangewakkerd. Laatst heb ik het weer eens gepakt – dat loopt nog steeds heel lekker, hoor.
‘Als schilder vond ik hem net zo goed, wat zelden voorkomt bij dubbeltalenten. In museum De Fundatie in Zwolle hangt een gigantisch doek van hem, van de zee. Ik krijg meteen zin om daar nú naartoe te rijden. Weergaloos, zo mooi dat je ervan schrikt.
‘Ook als mens vond ik hem bijzonder innemend. Hij mythologiseerde zichzelf natuurlijk, maar altijd met humor, altijd tongue in cheek. Er zijn nauwelijks meer mensen die dat doen, je ziet het misschien nog in een heel bleke vorm bij iemand als Wout Weghorst, die zichzelf altijd zo graag naar voren schuift. Sorry, Jan Cremer, daar hoog in de hemel, dat ik je hier met Weghorst zit te vergelijken.’
‘Wij hebben ook een tijdje in Bussum gewoond, en daar hadden we een buurman die bij elk gevallen blaadje naar zijn bladblazer greep, zelfs in de zomer. Zo’n enorm geval met een benzinemotor, die je als een rugzak moest meetorsen. Een herrie die dat ding maakte – afschuwelijk! Ik zei altijd: dat zul je mij nooit zien doen. Maar we hebben hier een grote tuin, dus wat doet mijn geliefde Johanna? Die koopt voor mij een bladblazer, en niet zomaar een, maar de Husqvarna 536LiB.
‘Jááá, dat is wat, hoor. Hij heeft een accu, geen motor. Eigenlijk moet je ’m met een band om je schouder hangen, maar dat doe ik niet. Ik houd hem vast als een diplomatenkoffertje. Ik had nooit kunnen voorzien wat een genot dat is. Dat wil ik de Volkskrant-lezers graag meegeven. Het is een reden om je op de herfst te verheugen. Dan kan het blazen weer beginnen!’
‘Ik heb net het derde deel van zijn autobiografie gelezen, De Zeeuwse jaren. Zó, ik kreeg dat niet weggelegd hoor. Hij heeft een meeslepende stijl, met veel humor, en hij schrijft ook heel tedere, liefdevolle scènes, vooral die over zijn vader. Het schrijfplezier spat ervan af. Tijdens het lezen betrapte ik mezelf op de gedachte: hij is gewoon de verkeerde weg ingeslagen!
‘Waarschijnlijk denkt hij dat hij het maximale uit zijn carrière heeft gehaald door zich op dat cabaret te storten, maar dat is dus een misverstand. Ik aarzel om het te zeggen, want het moet stiekem enorm frustrerend zijn voor die jongen. Natuurlijk is hij een hartstikke goede cabaretier, daar gaat het niet om, maar hij had zoveel meer macht kunnen hebben als hij voor de pen had gekozen. En dat blijkt hij dus erg goed te kunnen. Tja, soms moet je scherp oordelen. Ik acht een groot schrijver nu eenmaal hoger dan een groot cabaretier. Zelf was ik ook liever Nabokov geweest dan Wim Kan.’
‘Ik ben geen chique treinreiziger, dat duurt me te lang. Dus ben ik een vulgaire automobilist, gedoemd tot een leven in files en op tankstations. Daar ben ik ook van gaan houden. Vooral ’s nachts, als ze bijna verlaten zijn. Die diepe troosteloosheid, de melancholie van degene die achter de kassa zit en er ook geen zin in heeft – prachtig is dat.
‘Ik moet wel zeggen dat lange ritten me steeds zwaarder vallen, vooral door de drukte op de weg. Werkzaamheden, verzakte bruggen – het is een verschrikking. En vroeger kachelde ik in één keer door naar België, maar tegenwoordig moet ik toch wel een paar keer stoppen om even mijn benen te strekken.
‘Een tijdlang deed ik dat graag bij Scheiwijk, vlak bij Lexmond, waar ze ook boeken verkopen en hazelnootsap en veel andere lekkernijen. Maar onlangs kreeg ik een tip van Joep Schreuder, befaamd verslaggever van Studio sport. ‘Jij bent ook een automobilist. Je moet naar tankstation De Keijzer.’
‘Hij ging me helemaal uitleggen waar het was, bij de afslag Hank/Dussen, dat ik er moest vragen naar een bepaalde mevrouw en dan zijn naam moest laten vallen. ‘Dan krijg jij de beste cappuccino ter wereld’, zei Joep. Ik geloof dat ze hun melk speciaal uit Toscane importeren of zoiets. Nou: Joep Schreuder heeft niks te veel gezegd. Ik rij er niet voor om, maar als het zo uitkomt, stop ik graag bij De Keijzer.’
Nog een laatste tip van de gids betreffende alle tankstations ter wereld: ga niet naar het koffiezetapparaat voor het gewone publiek, vraag het aan de bediende bij de kassa. Die heeft een betere schuimmachine.
4 mei 1945 Geboren in Bellingwolde, Groningen.
1957-1964 Hogere Burger School (HBS).
1962 Ontmoet jeugdliefde Johanna, met wie hij nog altijd getrouwd is. Ze hebben twee zonen, Geret en Youri.
1965-1972 Voetballer bij Anderlecht. Hij werd vier keer kampioen en Belgisch topscorer in het seizoen 1966-1967.
1972-1975 Voetballer bij Ajax. Vanwege een knieblessure moest hij op 30-jarige leeftijd zijn voetbalcarrière beëindigen. Mulder speelde vijf keer in het Nederlands elftal.
1976-heden Columnist voor onder meer De Tijd, Elsevier, Humo en de Volkskrant.
1996 - 2006 Schrijft de column CaMu, afwisselend met Remco Campert, op de voorpagina van de Volkskrant. Mulder publiceerde een reeks bundels met columns, reportages en korte verhalen en schreef de roman Iris (2003).
1998 - 2006 Vaste sidekick bij de talkshow Barend en Van Dorp en Villa BvD. Later (vanaf 2008 tot 2019) was hij regelmatig tafelheer bij De wereld draait door.
2009 Het satirische Labradoedel, de mediamoeheid der dieren verschijnt.
2010 Theatertour Tot Zoens, samen met Remco Campert en Bart Chabot.
Heden Voetbalanalist bij VTM in België.
Onze gids dit weekeinde is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin een bekend persoon (op velerlei terreinen) uit binnen- of buitenland ons gidst langs zijn of haar favorieten.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant