Twaalf maanden na de slachting door Hamas is Israël een boos land geworden. Voor één gezamenlijke herdenking is het land te diep verdeeld. ‘We zullen vergeten noch vergeven.’
Ongedurig drentelt Raya Silver heen en weer over het slachtofferveld. Op elk van de ruim vierhonderd palen die op zo’n 3 meter van elkaar in de grond staan, hangt een foto van een persoon. Onder elk portret een naam en een rood, gescheurd hartje. Een voor een bekijkt de vrouw de foto’s, door haar grote zonnebril, en telkens schudt ze het hoofd. Bar Schechter, nee. Nitzan Rahoun, nee. Kim Dukarker, ook niet.
Wie ze zoekt, is Avraham ‘Avi’ Sasi, haar buurman uit de stad Netanja, ruim 100 kilometer hiervandaan. Af en toe gebaart ze vragend naar haar volwassen zoon, die iets verderop hetzelfde loopt te doen. Dan gebaart hij terug: nee, ik ook nog niet. Zo gaat het een tijdje door, tot de zoon opeens komt aangesneld. ‘Ik heb hem gevonden!’, zegt hij.
Hun 64-jarige buurman is een van de 364 mensen die vorig jaar door Hamasterroristen werden vermoord op het terrein van het Nova-festival. Dansend in de ochtendzon werden de festivalgangers overvallen door de mannen die van ‘7 oktober’ een begrip hebben gemaakt dat geen nadere toelichting behoeft.
De geweldseruptie op het Nova-terrein en in twaalf kibboetsen rond de Gazastrook maakte niet alleen directe slachtoffers – doden, gewonden, nabestaanden, gijzelaars. Het hele land ondervond een trauma waarvan het twaalf maanden later nog niet is hersteld.
Elke dag weer verschijnen talloze verhalen van ooggetuigen in de Israëlische media, zeker in de aanloop naar de herdenking op maandag 7 oktober. Deze overvloedige media-aandacht sluit aan bij de officiële propaganda, maar wat er vooral uit blijkt is de oprechte behoefte van de Israëliërs om erover te blijven praten, te horen en te rouwen.
Zo is het Nova-terrein een bedevaartsoord van de smart geworden. Dagelijks arriveren bussen vol bezoekers – schoolklassen, studenten, collega’s. Vanochtend zijn er twee groepen militairen en een gezelschap politiemensen. De 19-jarige Menahem Mendel, een orthodoxe jood, staat hier elke dag om ‘mensen in contact met God’ te brengen. Een heidens karwei soms, want seculierder dan de bezoekers van het Nova-festival en de kibboetsbewoners vind je ze niet in Israël.
Elke dode en elk van de veertig gijzelaars heeft een eigen monumentje, een houten paal met zijn of haar foto (van graven is geen sprake, die zijn elders). Eromheen liggen knuffels, kaarsjes, bloemen. Aan veel palen wappert de Israëlische vlag.
De foto van Avraham Sasi, de buurman van Raya Silver, toont een vrolijke man, gekleed in een wit tenue, de armen in de lucht. Hij was een van de oudste bezoekers van het festival, dat hij bezocht met zijn dochter Danielle en andere jonge familieleden. Danielle, die in een been werd geschoten, schreef naderhand op Instagram dat ze met haar vader danste toen plotseling het luchtalarm klonk. Ze doken weg in een schuilkelder, maar de terroristen wierpen handgranaten naar binnen. Vier leden van Danielles familie stierven, onder wie haar vader.
Op de bedevaartsplek, een met bomen besprenkelde zandvlakte, staat zo’n schuilkelder, misschien wel die waar Avraham Sasi dekking zocht. De muren zijn rijkelijk voorzien van graffiti, het meest in het Hebreeuws. ‘We zullen weer dansen’, staat er. Namen met een hartje erbij. ‘Onze liefde voor ons Joods-zijn is tien keer zo groot als hun haat.’
Maar ook ‘Wraak’. Eronder weer ‘Wraak’. ‘We zullen vergeten noch vergeven.’ Of: ‘Ik zal mijn vijanden achtervolgen en pakken.’ En opnieuw: ‘Wraak.’
Ook dat is een breed gedeeld sentiment in de Israëlische samenleving. Verdriet, pijn en angst waren niet het enige resultaat van ‘7 oktober’. Er is méér gebeurd met Israël. Het is een boos land geworden. Ziedend op Hamas, uiteraard, de buik vol van de Palestijnen, verongelijkt over een buitenwereld die er – voor zover al niet antisemitisch – niets van begrepen heeft.
Wraakgevoelens zijn gemakkelijk op te vegen op de Hatikvamarkt in Tel Aviv, een ideale plek voor een rondvraag, omdat daar een goede doorsnede van de Israëlische samenleving samenkomt. Jeruzalem is daarvoor te conservatief, Jaffa te multicultureel, de kibboetsen te links en het centrum van Tel Aviv te elitair. Maar op de Hatikvamarkt komt alles en iedereen. Twee gelovige tieners met pijpenkrullen verkopen gebedsriemen, hipsters zitten aan het bier, achter menig groentekraam staat geheid een Netanyahu-aanhanger, maar Netanyahu-haters zijn er ook.
Wat nu volgt, lijkt misschien een geforceerde selectie van drieste uitspraken, maar het is wel degelijk een representatieve weergave van een dozijn straatinterviews met willekeurig aangesproken passanten. Op algemene vragen over de toestand in Israël beginnen de meesten spontaan te fulmineren over Gaza.
‘We moeten Gaza in één keer vernietigen, met alle Palestijnen erin. Een groot graf maken. Dat hele Gaza is nergens goed voor’, zegt Chilik, de 68-jarige beheerder van een koffietent die net als veel anderen niet zijn achternaam geeft.
‘We moeten ze allemaal doodmaken’, zegt groenteboer David (29). ‘Ja, dan komen er waarschijnlijk ook gijzelaars om. Maar die komen toch niet meer levend naar buiten. Het is beter Gaza helemaal plat te gooien.’
Student David (25): ‘Er zijn geen onschuldigen in Gaza. Op 7 oktober juichten ze allemaal. Ik ken de Arabieren, het is zij of wij.’
Kruidenverkoper Gidon Mashia (72): ‘Ze hebben gemoord, verkracht, baby’s verbrand. In de Thora staat: je moet de vijand doden vóór hij jou vermoordt. We zijn te soft.’
Tegelijkertijd laat de Hatikvamarkt zien dat het leven in Israël ondanks de oorlog gewoon doorgaat. De groenten liggen hoog opgestapeld, moeders met kinderwagens kuieren langs de kramen, als vanouds wordt er geklaagd over de prijzen van levensmiddelen.
Elders in de stad, op Allenby Street, is het aangenaam druk op de terrassen, net als op de stranden van Tel Aviv en Jaffa. In de weken na 7 oktober vorig jaar ging een paar keer per dag het luchtalarm en moesten de mensen schuilen, maar dat is allang voorbij. Hamas is te verzwakt om nog raketten te kunnen afschieten. Toen op 25 september in Tel Aviv opeens het alarm klonk – Hezbollah vuurde toen voor het eerst een raket af op die stad in het hart van Israël, ver van de grens met Libanon – was dat voor het eerst sinds lange tijd.
Van 17 tot 19 oktober vindt zelfs het International Jaffa Jazz Festival plaats, met eerbetonen aan onder anderen Joni Mitchell, John ‘Give Peace a Chance’ Lennon, Kate Bush en Lou Reed. Zoals de meeste Israëliërs van het lijden van de bevolking van Gaza vrijwel niets meekrijgen, dankzij hun media, zo merken zij in fysieke zin niets van de oorlog.
Maar dat is niet het hele verhaal. Veel mensen kennen via via wel een van de slachtoffers van 7 oktober. Ruim 280 duizend reservisten zijn opgeroepen, hun familie bezorgd achterlatend. De economie krijgt klappen. Er zijn circa honderdduizend ontheemden: ruim de helft uit de grensstrook met Libanon, de rest uit de kibboetsen. De meeste verblijven in hotels en noodwoningen.
In de weken voorafgaand aan 7 oktober 2024 gaan veel kibboetsleden even terug om hun doden, die tijdelijk elders lagen, thuis een definitieve rustplaats te geven. Zoals in Nir Oz, de zwaarst getroffen kibboets. Een op de vier inwoners werd daar door Hamas vermoord of ontvoerd.
Honderden mensen hebben zich verzameld rond vier langgerekte hopen bruin zand, zij aan zij tussen de bomen van de begraafplaats. Verse bloemen liggen op het graf van Chaim Peri (79), die vandaag ter aarde wordt besteld. Alex Dancyg (75), Yoram Metzger (80) en Abraham Munder (78) gingen hem voor; hun bloemen zijn al verwelkt. De marmeren grafstenen volgen later.
Bij de nazit met hapjes en frisdrank staan foto’s van de vier vermoorde gijzelaars uitgestald. Twee lange tafels in de gemeenschapsruimte zijn gedekt voor de 109 vermoorde of ontvoerde bewoners van Nir Oz. Op elke plek een kaarsje, een geel lintje en een foto van de ontbrekende dinergast. Wrang detail: bij vijf van de couverts staat een kinderstoel.
Of de overlevenden van Nir Oz ooit zullen terugkeren, is onzeker. ‘Naar mijn oude huis of buurt zéker niet’, zegt de 71-jarige Arie Itzik. ‘Te veel herinneringen. En mijn kinderen zeggen dat ze me in Nir Oz niet zullen bezoeken.’ De regering wil de kibboets herbouwen, maar voor wie? ‘Ik denk dat ze er mensen uit hun religieuze achterban willen neerzetten’, zegt hij. ‘Die kunnen er dan gratis wonen.’
Het wantrouwen in de regering-Netanyahu zit diep bij de seculiere, veelal linkse kibboetsbewoners. Dat heeft tot gevolg dat Israël straks maar liefst twee herdenkingen zal hebben: één georganiseerd door de regering en één georganiseerd door leden van de kibboetsen.
De officiële ceremonie, onder regie van minister van Transport Miri Regev, zal zonder publiek plaatsvinden in de stad Ofakim. Zij riep de verdenking over zich af bang te zijn voor live uitgezonden kritische geluiden. Aan ‘achtergrondlawaai’, zei ze, had ze geen behoefte. De tv-uitzending op maandagavond 7 oktober zal voor een groot deel bestaan uit van tevoren opgenomen beelden.
Nabestaanden uit de kibboetsen kregen al snel het gevoel dat zij door de minister niet serieus werden genomen. Regev zou een plechtigheid ter meerdere eer en glorie van de regering voor ogen hebben, voorbijgaand aan de wensen – en de kritiek – van de nauwst betrokkenen.
‘Wij werken niet mee aan het cynische gebruik van namen van gijzelaars die door de staat bijna een jaar in de steek zijn gelaten’, aldus een brief met ruim honderd ondertekenaars. Zij besloten een alternatieve herdenking te organiseren, mét publiek. Die vindt plaats in het Yarkonpark in Tel Aviv. Er komen zo’n 25 populaire artiesten. Alle veertigduizend (gratis) kaartjes waren binnen een paar uur weg.
‘Hopelijk wordt het aantal deelnemers niet op het laatste moment beperkt vanwege het gevaar van een raketaanval door Hezbollah’, zegt Jonathan Shamriz, een van de initiatiefnemers. Zijn 26-jarige broer Alon werd in december per ongeluk door het Israëlische leger doodgeschoten in Gaza, toen hij met een witte vlag uit zijn schuilplaats kwam. ‘Bij ons staan de families centraal. De overheid heeft geen voeling met wat er leeft bij de nabestaanden.’
Het schisma reflecteert de verdeeldheid in de samenleving, die ook blijkt uit de wekelijkse demonstraties in het centrum van Tel Aviv onder de leus ‘Bring Them Home Now’. Met steeds meer wanhoop eisen de betogers een staakt-het-vuren om de gijzelaars vrij te krijgen. Een deel van de Israëliërs richt zo zijn woede op de eigen regering, en in het bijzonder op de in hun ogen corrupte, arrogante, machtsgeile premier.
Maar is die verdeeldheid echt een product van 7 oktober? Al vóór die dag werd massaal gedemonstreerd tegen het voornemen van Netanyahu het Hooggerechtshof te kortwieken. ‘Dat Israël onverzoenlijk verdeeld is, is niet nieuw’, zegt politiek analist Dahlia Scheindlin. ‘Er zijn vaker honderdduizenden mensen de straat opgegaan. Dertig jaar geleden was de verdeeldheid zo groot dat er een premier werd vermoord, Yitzhak Rabin.’
Daarbij, hoe groot is de verdeeldheid in Israël eigenlijk? De betogers nu vertegenwoordigen zeker niet de meerderheid van de bevolking, zegt Scheindlin.
Bovendien demonstreren ze níét tegen de oorlog als zodanig. Leuzen van die strekking ontbreken totaal op de pleinen en kruispunten waar elke zaterdagavond de onvrede wordt geuit. ‘Ze protesteren niet tegen het doden door Israël van een ongekend aantal Palestijnen in Gaza’, schrijft Mairav Zonszein, Israël-expert van de International Crisis Group.
Alle ogen zijn gericht op Netanyahu, van wie vaak wordt beweerd dat hij de oorlog rekt voor zijn eigen politieke overleving. Dat leidt volgens Zonszein af van het feit dat de Gaza-oorlog niet Netanyahu’s oorlog is, maar Israëls oorlog. ‘Het probleem is niet alleen Netanyahu; het is het Israëlische electoraat.’ Met een ruime marge steunt dat de militaire campagne in Gaza, ‘ongeacht de menselijke tol voor de Palestijnen’.
Uit peilingen blijkt dat ruim 80 procent van de Joodse Israëliërs vindt dat het hoge aantal Palestijnse doden gerechtvaardigd is. Zo’n 35 procent vindt zelfs dat het Israëlische leger te weinig geweld gebruikt in Gaza.
Dan zijn we terug bij het woord ‘wraak’ op de muren van de schuilkelder op het Nova-terrein. Het maakt dat Nivi Sedok, een 27-jarige mediastudent in Jaffa, zich minder thuis voelt in Israël. ‘Veel vrienden en familieleden die links of gematigd waren, zijn heel rechts geworden’, zegt hij. ‘Dat baart me veel zorgen. Alsof er een golf van fascisme over het land spoelt. Extremisten hebben het hoogste woord.’
‘Verrader! Ga er dan wonen!’, krijgt Nivi te horen als hij mededogen laat blijken met de burgers in Gaza. Over Arabieren wordt gesproken of het allemaal terroristen zijn. ‘We moeten ons verdedigen, alle middelen zijn toegestaan’, hoort hij dan. De tweestatenoplossing? Bijna niemand in zijn liberale bubbel gelooft er nog in.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant