Het Libanese bergdorpje Maaysrah, ver weg van de oorlog in het zuiden, werd getroffen door een Israëlisch bombardement. Daarbij stierven zestien mensen, onder wie veertien vrouwen en kinderen – geen Hezbollah-strijders. Waarom? ‘De enige wapens die we hebben, zijn de messen waarmee we onze uien snijden.’
In Maaysrah, een klein dorp in de Libanese bergen, dragen alle islamitische inwoners dezelfde naam. Ze zijn lid van één stamboom, zeggen ze hier, namelijk de familie Amro. De burgemeester is een Amro. De man die tegenover de moskee platbroden met wilde tijm staat te bakken: ook een Amro. Maak je een praatje met twee willekeurige voorbijgangers, dan is de kans groot dat ze zwagers, nichten of verre neven zijn.
Sinds een week is het dorp in rouw gedompeld. Op de ochtend van 25 september, twee dagen na het begin van een grootschalig Israëlisch offensief in Libanon, klonken er harde explosies. Een Israëlisch gevechtsvliegtuig had twee gebouwen in het midden van het dorp geraakt, terwijl de kinderen buiten zaten te spelen.
Over de auteur
Jenne Jan Holtland is correspondent Midden-Oosten voor de Volkskrant. Hij woont in Beiroet. Hiervoor was hij correspondent Centraal- en Oost-Europa.
Toen de rook was opgetrokken, bleken er zestien mensen gedood, onder wie veertien vrouwen en kinderen. Hun leeftijden varieerden. De jongsten waren 2,5 en 3 jaar oud. Van een 5-jarig jongetje dat wordt vermist, is geen stoffelijk overschot gevonden. ‘Ik denk dat de bom bovenop hem gevallen is’, zegt een familielid zachtjes. Niemand zoekt nog naar zijn lichaam.
Het loont de moeite om Maaysrah op de kaart te zoeken. De afstand tot de zuidgrens met Israël is dik 80 kilometer. Dit ruige berglandschap is een andere wereld dan het zuidelijke grensgebied waar oorlog het nieuwe normaal geworden is. Sjiieten (de religieuze groep waar Hezbollah op leunt) leven hier zij aan zij met christenen. Raketaanvallen of ander geweld hadden ze sinds mensenheugenis niet meegemaakt.
Het bombardement kwam dan ook uit het niets; een oproep tot evacuatie van het Israëlische leger was er niet geweest. Wel publiceerde de Israëlische legerwoordvoering enkele uren na de luchtaanval een verklaring, waarin sprake was van ‘zestig doelwitten’ die verspreid door het land waren geraakt, inclusief Maaysrah. Er zou een ‘commandocentrum’ van Hezbollah hebben gestaan, of andere ‘infrastructuur’ voor het ‘verzamelen van inlichtingen’.
Zou het? Dat het dorp achter Hezbollah staat, is geen geheim. De meeste inwoners zijn sjiitische moslims (een minderheid is christelijk). In de straten wapperen de gele vlaggen van de groepering. ‘Zeker, we zijn aanhangers’, knikt Issam Amro, de 53-jarige bakker die in dezelfde straat zijn broden bakt. ‘Maar er zijn hier geen strijders.’
Dat laatste verdient nuancering: er was een Hezbollah-strijder die tot voor kort in een van de geraakte panden woonde, bevestigt zijn familie, maar hij kwam twee maanden geleden om het leven. In het dorp hangen spandoeken die zijn ‘martelaarsdood’ vieren. En hoe zat het bij dit bombardement? De twee volwassen mannen die werden gedood, waren volgens de dorpelingen geen Hezbollah-strijders. De een was een vluchteling uit het zuiden, de ander had een webshop voor antiek. Nog raadselachtiger: er is een hoge Hezbollah-functionaris die in het dorp een huis heeft, maar dat staat er nog gewoon.
De luchtaanval blijft door dit alles omgeven met vraagtekens, zoals dat voor meer Israëlische operaties geldt. Donderdag werd een konvooi van het Libanese Rode Kruis geraakt, waarbij vier medische vrijwilligers gewond raakten. Bij een bombardement in hartje Beiroet, woensdagavond, vielen minstens elf doden, kilometers verwijderd van de Hezbollah-wijken. De meeste van hen waren leden van het Islamitisch Gezondheidscomité, een soort eerstehulppost voor wijkbewoners. Ook in het zuiden en oosten van Libanon kwam medisch personeel in de vuurlinie terecht, met tientallen doden tot gevolg.
Met iedere onschuldige dode groeit de indruk dat Libanon dezelfde behandeling krijgt als Gaza. Non-profitorganisatie Airwars, die oorlogen monitort, zei deze week bij monde van directeur Emily Tripp dat de Israëlische bommencampagne boven Libanon wereldwijd ‘de zwaarste in de afgelopen twintig jaar is’, afgezien van Gaza.
Tijdens de vorige Libanon-oorlog in 2006 muntte de Israëlische legerleiding de ‘Dahieh-doctrine’, vernoemd naar Hezbollahs bolwerk in zuidelijk Beiroet. Het idee, aldus de Israëlische generaal Gadi Eizenkot, was om ‘disproportioneel’ te bombarderen en ‘grootschalige verwoestingen’ aan te richten in civiele wijken. ‘In onze ogen zijn dat geen gewone dorpen, maar militaire bases.’ Door de bevolking hard te treffen, was het idee, zouden burgers zich van Hezbollah afkeren. Er kwam weinig van terecht.
Ook tijdens deze oorlog probeert Israël een wig te drijven tussen Hezbollah en de burgerbevolking. ‘Israëls oorlog richt zich niet tegen jullie’, verklaarde premier Benjamin Netanyahu in een videoboodschap aan de vooravond van het offensief, waarin hij zich tot alle Libanezen richtte. ‘Het gaat ons om Hezbollah. Ze gebruiken jullie al te lang als menselijk schild.’
Op papier klinkt het logisch, zo’n onderscheid tussen mensen en partij, maar in Maaysrah kom je daar niet ver mee. De loyaliteit aan de groep is groot. Neem de 33-jarige Fatima Jihad Zreik die ‘we’ zegt als ze het over Hezbollah heeft. ‘Als zij (Israël, red.) stoppen met het bombarderen van Palestijnen, zullen wij ook stoppen met vechten.’
Fatima verloor haar 3-jarige dochter en haar schoonzus bij het bombardement. Ze laat de verse graven zien, pal achter de moskee. Natuurlijk heeft ze moeten huilen, zegt de in een zwarte abaya gehulde moeder, maar vandaag wil ze onverzettelijkheid uitstralen. Als een grootmoeder het toch te kwaad krijgt en een wit zakdoekje pakt, maant Fatima haar tot beheersing. ‘We moeten sterk zijn. Israël is een wrede vijand.’
Zoals meer leden van de Amro-lijn woonde Fatima de afgelopen jaren in een ander dorp. Ze was in Houla, een grensdorp in het zuidoosten, maar na het uitbreken van de oorlog sloeg ze op de vlucht. Maaysrah was een logische keus, ze heeft er familie. Inmiddels wordt het aantal ontheemde Libanezen op 1,2 miljoen geschat. Een van de andere gezinnen die door het bombardement werd getroffen, was pas de avond ervoor in Maaysrah aangekomen. ‘Ze dachten: hier zijn we veilig’, zegt Fatima. De volgende ochtend waren ze dood.
De suggestie dat er misschien raketten in haar huis lagen opgeslagen, wuift Fatima gelijk weg. ‘We zijn burgers. De enige wapens die we hebben, zijn de messen waarmee we onze uien snijden.’ En inderdaad: het lijkt weinig plausibel dat Hezbollah zwaar geschut in een dorp als Maaysrah zou verstoppen. Wie met raketten gaat slepen, moet er rekening mee houden dat omstanders het wapentransport zien. In een gemengd sjiitisch-christelijke omgeving als deze is dat vragen om problemen. Ter vergelijking: toen een Hezbollah-wapentransport vorig jaar in een christelijk dorp uit de bocht vloog, elders in het land, leidde dat tot zware vuurgevechten.
Maar waarom hadden de Israëliërs het dan op Fatima’s huis gemunt? Er valt een stilte die onderbroken wordt door Sahar Amro, een tante die naast de begraafplaats een sjaal zit te breien. ‘Israël probeert de christenen hier in de streek tegen ons op te zetten.’
Het is een verklaring die vaker klinkt. Rond Maaysrah liggen hoofdzakelijk christelijke dorpen en steden. Politicoloog Karim Bitar zei tegen de Libanese krant L’Orient-Le Jour dat Israël bewust de oorlog naar christelijke gebieden heeft uitgebreid, om zo onenigheid te zaaien. Fatima en de andere nabestaanden zijn ervan overtuigd dat het niet gaat lukken. ‘De christenen en wij drinken van hetzelfde water’, zegt een van hen met nadruk. En: ‘Hezbollah strijdt voor alle vrije mensen, moslims én christenen.’
Wie zelf de proef op de som wil nemen, kan in luttele minuten naar het volgende dorpje rijden, waar Isabelle Aoun (60) sinds een kwart eeuw een buurtwinkel uitbaat. Zoals iedereen hier is ze christen. Door de oorlog voelt ze zich alleen maar méér met de sjiitische buren verwant, zegt ze, niet minder. Ook zij steunt Hezbollah, een standpunt dat niet iedereen in de christelijke gemeenschap deelt. ‘Achter wie moet ik me dan scharen, Israël?’
Aoun vertelt over de Libanese burgeroorlog (1975-1990), toen Libanese milities van verschillende religieuze achtergronden elkaar naar het leven stonden. Niet hier, benadrukt ze. Haar vader hielp de mannen uit het sjiitische buurdorp om langs de christelijke checkpoints te glippen. Ze vindt het logisch om te helpen. Een aantal vrouwen uit Maaysrah, bang voor meer explosies, kwam na het bombardement naar haar winkel. ‘Ik heb ze de sleutels van mijn huis gegeven en heb gezegd: fris je bij mij op. Je mag daar ook bidden als je wil.’
De Libanezen in deze streek zijn, kortom, niet van plan zich uit elkaar te laten spelen. Voorlopig althans, want niemand weet hoelang de oorlog zal duren. Een dag na het bezoek van de Volkskrant wordt in Maaysrah opnieuw een huis gebombardeerd. Volgens ooggetuigen vallen er geen gewonden of doden.
In het dorp zijn de nabestaanden intussen op plastic stoelen gaan zitten, pal naast de begraafplaats. Er schuifelen dorpelingen langs om hen te condoleren. Naast Fatima zit een ander lid van de Amro-familie, de 70-jarige Mustafa Amer. Bij het bombardement kwamen drie van zijn kinderen om. ‘Dit is een strijd tussen goed en kwaad’, vindt hij. ‘We zullen strijden tot het bittere eind.’
Hij kijkt hoe de 9-jarige Hoessein een limoentje pelt. Zijn armen en hals zitten onder het witte verband. Op zijn wang is het bloed gestold tot een bruine korst. Hij is te jong om te bevatten wat het betekent dat zijn broertje en moeder niet meer leven.
Wie langer met de dorpelingen praat, voelt aan alles dat Hezbollah niet zomaar een partij is waar ze in verkiezingstijd op stemmen (al hebben ze wel zetels in het parlement). Hezbollah is verankerd in hun dagelijks leven, variërend van de tv-zenders die ze kijken tot de manier waarop ze hun kinderen opvoeden en de schoolboeken die ze gebruiken.
De groepering is een product van eerdere Israëlische invasies in Libanon, en dan met name die van 1978 en 1982. Ook toen had Israël het over een ‘beperkte’ inval, bedoeld om de Palestijnse bevrijdingsorganisatie PLO te verdrijven. Die beweging, destijds onder aanvoering van Yasser Arafat, leidde een zwervend bestaan in het Midden-Oosten, en was in 1971 naar Beiroet gekomen.
Het werd een veel zwaardere oorlog. De PLO werd inderdaad verdreven, maar Israël kreeg er Hezbollah voor terug, een destijds nieuwe beweging die voortkwam uit de islamitische revolutie (1979) in Iran en die de Palestijnse zaak tot speerpunt maakte. Vervolgens verzuimde de Israëlische regering iets te doen aan het onderliggende probleem (de Palestijnse kwestie), zodat de geschiedenis zich veertig jaar later lijkt te herhalen.
Strijden tegen onrecht zit diep in het sjiitische geloof. De Amro-familie refereert meermaals aan het ‘pad’ van Hoessein ibn Ali, de kleinzoon van de profeet Mohammed die weigerde het gezag te erkennen van de soennitische kalief en om die reden gedood werd in het jaar 680. Voor sjiitische Libanezen is hij een symbool van de eeuwigdurende strijd tegen onrecht, een strijd die zich in eigen land afspeelt maar óók in de rest van de Arabische wereld.
‘We vechten niet omdat we van oorlog houden’, zegt Fatima. Dat Hezbollah zich de oorlog op de hals heeft gehaald door als eerste (na 7 oktober vorig jaar) raketten richting Israël te vuren, daarvan is ze zich bewust. ‘Maar Palestina heeft ons nodig. Zouden jullie het in Nederland accepteren als jullie land werd afgepakt? We kennen de Israëliërs, we zijn niet blind. Ze zullen het niet bij Palestina laten. Ze willen ook Libanon bezetten.’ Feller: ‘God staat aan onze kant. Laat de Israëliërs hiernaartoe komen. Ik zal een steen grijpen en hen met mijn eigen handen doden.’
Dan staat ze op, en loopt naar het graf van haar dochtertje. Er ligt een knuffel en een foto met daarop de boodschap dat kleine Hawraa als martelaar gestorven is. De regen is ermee aan de haal gegaan, de letters zijn half uitgewist, en dus vouwt ze het papiertje voorzichtig weer op.
1948: Na de oprichting van de staat Israël vluchten honderdduizenden Palestijnen naar het buitenland. Vanuit vluchtelingenkampen in Zuid-Libanon plegen Palestijnse verzetsgroepen invallen in Israël.
1971: De Jordaanse koning Hoessein zet Yasser Arafat, leider van de Palestijnse Bevrijdingsbeweging (PLO), het land uit. Arafat verkast naar de Libanese hoofdstad Beiroet, waarna Zuid-Libanon onder controle van de PLO komt.
1975-1990: Opgelopen spanningen tussen verschillende bevolkingsgroepen in Libanon monden uit in een burgeroorlog. Israël steunt groepen die tegen de PLO vechten.
1978: Israël valt Libanon binnen om de PLO naar het noorden te verdrijven, meer dan duizend Libanezen en Palestijnen komen om.
1982: Het Israëlische leger trekt opnieuw Libanon binnen en belegert de thuisbasis van de PLO in Beiroet. Na twee maanden van gevechten en duizenden doden volgt een staakt-het-vuren en krijgt de PLO een vrijgeleide om te vertrekken. Met steun van Iran springt de nieuwe verzetsgroep Hezbollah in het machtsvacuüm.
1990: Einde burgeroorlog. Alle strijdende partijen moeten ontwapenen, behalve Hezbollah, dat ook tegen een externe vijand vecht: Israël.
2000: Vanwege voortdurende aanvallen door Hezbollah besluit de Israëlische premier Ehud Barak het leger na achttien jaar terug te trekken uit Zuid-Libanon.
2006: Hezbollah doodt acht Israëlische militairen en neemt twee gijzelaars mee. Israël reageert met een bommenregen en een nieuwe invasie. Na een maand verwoestende oorlog wordt op basis van een VN-resolutie een bestand gesloten. Beide partijen moeten Zuid-Libanon verlaten, alleen Israël geeft daar gehoor aan.
8 oktober 2023: Hezbollah schiet raketten af op Noord-Israël ‘uit solidariteit met de Palestijnen’, waarna beschietingen over en weer plaatsvinden.
23 september 2024: Israël begint een oorlog tegen Hezbollah met grootschalige luchtaanvallen op Libanon. Een week later start het grondoffensief.
(Door Carlijn van Esch)
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant