Home

Opinie: Hoeveel we ook van ze houden, het is zielig om dieren tot huisdier te maken

Hun baasjes mogen vol dierenliefde zitten maar het lot van een gezelschapsdier, betoogt Sander van Walsum, verschilt weinig van een gekooid dierentuin- of circusdier. Toekomstige generaties zullen ons bezit van Fifi, Flappie en Felix allesbehalve onschuldig vinden.

Ooit zullen dertigers van nu er kritisch door hun kleinkinderen op worden aangesproken: dat zij vroeger een of meerdere huisdieren bezaten. Veel grootouders zullen dit, al dan niet schuldbewust, moeten beamen. En zij zullen mogelijk iets halfslachtigs mompelen over voortschrijdend inzicht, tijden die veranderen en dierenliefde die toch heus heel oprecht en wederkerig was.

Erg veel overtuigingskracht zal daar niet van uitgaan. Want voor hun kleinkinderen zal het huisdier tot de inventaris van het historisch rariteitenkabinet behoren, net als Zwarte Piet, het dagelijks stukje vlees, de houtgestookte open haard, cruises op vervuilende schepen en vliegreizen naar verre vakantiebestemmingen. Want huisdieren zijn veroordeeld tot dienstbaarheid aan de mens, en dat vinden de kleinkinderen van straks niet oké. Zij zullen zich afvragen hoe iets waarvan de verwerpelijkheid voor henzelf zó evident is, voor die lieve opa of oma volstrekt normaal heeft kunnen zijn.

Voor de oprechte dierenvriend zal een toekomst zonder hond en/of kat onwerkelijk en huiveringwekkend zijn. Toch is die toekomst zich al aan het ontvouwen. Bedenk eens hoe snel onze opvattingen over de omgang met dieren de laatste decennia zijn veranderd. Legbatterijen zijn verboden, vleesconsumptie is niet langer de onwankelbare norm, de bio-industrie ligt onder vuur, de Partij voor de Dieren behoort tot de gevestigde politieke orde, het circus en de dierentuin hebben hun onschuld van weleer verloren en proberen vertwijfeld een diervriendelijke doorstart te maken. Als die ontwikkeling zich in hetzelfde tempo blijft voltrekken, zal ook het lot van het huisdier weldra aan de orde worden gesteld.

Over de auteur
Sander van Walsum is historicus. Van 1996 tot 2023 was hij werkzaam voor de Volkskrant, onder meer als commentator en correspondent in Berlijn.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

De discussie rondom dit thema zal ingewikkeld zijn en met hevige emoties gepaard gaan. Want de gemiddelde dierenbezitter bedoelt het goed, en hij ondervindt ook volop liefde van zijn hond of kat. Tegenover het verwijt dat zijn huisdier geen bewegingsvrijheid geniet, zal hij op goede gronden kunnen aanvoeren dat het gros van de dieren in vrijheid niet zou kunnen overleven. Aan dat gegeven ontlenen hun baasjes het als plicht ervaren recht om dieren te houden: zij behoeden hun huisgenoten voor het gruwelijke lot dat hun in de natuur zou wachten. Zo is (in de meeste gevallen) een symbiotische relatie ontstaan tussen het huisdier en zijn eigenaar. Zij hebben elkaar nodig, en ze communiceren met elkaar. Voor velen is het huisdier een meer dan volwaardige huisgenoot. Een belangrijke bron van levensvreugde en morele steun.

Huis, circus of dierentuin

Het huisdier is gedomesticeerd, maar het heeft zich ook láten domesticeren. Uit welbegrepen eigenbelang. In de nabijheid van de mens kon het makkelijker een kostje bij elkaar scharrelen dan op de woeste gronden. Het probleem is alleen dat goede bedoelingen en onvoorwaardelijke liefde voor het huisdier niets afdoen aan het feit dat de mens het gezelschapsdier van zichzelf afhankelijk heeft gemaakt. Dat is ten dele een evolutionair proces van vele eeuwen geweest, maar ook het doelbewuste resultaat van fokprogramma’s. In beide gevallen is het dier in meer of mindere mate vervreemd van zijn natuur. Grommende honden of krabbende katten bij wie de natuur onverhoopt toch opspeelt, worden aan een nadere domesticatie onderworpen, of worden – als ze onverbeterlijk zijn – naar het asiel of een bos gebracht.

Er is geen wezenlijk verschil tussen het gezelschapsdier en het dier dat in een circus of dierentuin wordt geacht de mens te vermaken. Toch loopt de perceptie van beiden sterk uiteen: het gekooide dier wekt ongemak of verontwaardiging op, de hond die in een bovenwoning dagelijks vele uren wacht op de thuiskomst van zijn baasje (of op het busje van de hondenuitlaatservice) is niet zielig, zolang er verder goed voor hem wordt gezorgd. Voor de eigenaar is de uitbundigheid waarmee hij bij thuiskomst wordt begroet een uiting van vreugde over het weerzien. En niet zozeer een uiting van vreugde over de verlossing uit de eenzaamheid, wat het gedrag evengoed zou kunnen verklaren.

Het probleem met de dierenliefde, of wat daarvoor doorgaat, is dat ze zo massaal wordt beleden. Alleen in Nederland leven momenteel naar schatting zo’n 1,8 miljoen honden, 3 miljoen katten, 400 duizend konijnen, 300 duizend knaagdieren, 1,8 miljoen zang- en siervogels en 1,6 miljoen als huisdier gehouden kippen, ganzen en eenden. Het bezit van huisdieren – ooit een privilege van de elite – is gedemocratiseerd. En het is vanzelfsprekend geworden. Ook in steden, waar aan dieren bijna per definitie niet de leefruimte kan worden geboden die essentieel is voor hun welzijn.

Het huisdier moet voldoen aan de eisen die zijn eigenaar aan hem stelt. Omgekeerd worden aan de eigenaar, of aan de leefruimte die hij het dier kan bieden, hoegenaamd geen eisen gesteld. Het bezit van huisdieren geldt als een onvervreemdbaar recht. In de wet staan regels die het welzijn en de gezondheid van dieren beschermen, maar de naleving daarvan is moeilijk te controleren of af te dwingen. Dierenleed wordt niet alleen door nalatigheid of kwaadwillendheid van de eigenaar veroorzaakt, het kan ook zijn ingebed in oprechte liefde die de eigenaar uitsluitend buiten werktijd of in een krappe woning kan tonen. Dierenleed en dierenliefde sluiten elkaar niet uit. Dat zal het ethisch debat over huisdieren zo beladen maken.

‘Non-human animals’

In mijn jeugd – ik ben van 1957 – behoorden dieren nog tot een andere orde dan de mens. Ze zouden niet zijn behept met een ziel, en dus evenmin met het vermogen angst of andere emoties te voelen. Onbeschaafde vormen van volksvermaak, zoals katknuppelen, gansrijden en palingtrekken waren weliswaar in de ban gedaan, maar in het Overijsselse dorp waar ik opgroeide, werd menig boerenerf nog bewaakt door een – magere en bewust vals gehouden – kettinghond. Kinderen wilden nog wel eens een kikker opblazen met de fietspomp. Op de camping aan het Ganzendiep waar ik de zomervakanties doorbracht, werd in het nachtelijk duister op grote schaal gepoerd, of gepeurd: een (verboden) vistechniek waarbij palingen – véél palingen – zich vast zwommen in een kluwen aaneengeregen wormen, een vorm van dierenleed voor aas én prooi.

Enkele jaren later – ik woonde op dat moment in Doorn – werden onze twee poezen, Krootje en Moosje, vergiftigd door de buren, die geen poepende dieren in hun tuin konden verdragen. Geconfronteerd met de restanten van een in rattengif gepaneerde bokking, ontkenden zij niet eens verantwoordelijk te zijn voor de dubbele moord. Niettemin zag de politie bij de afhandeling van de kwestie geen rol voor zichzelf weggelegd. Daarvoor was het delict kennelijk niet ernstig genoeg.

Zelfs mijn liefdevolle vader, een dierenarts nota bene, betrok ooit het standpunt (waarop hij later overigens terugkwam) dat het kippen aan het bewustzijn ontbrak om een verblijf in een legbatterij als onaangenaam te ervaren. Inmiddels weten we beter. De wetenschap is belangstelling gaan tonen voor vormen van dierlijke intelligentie die tot voor kort werden genegeerd, doceerde mediawetenschapper Maarten Reesink in zijn bijdragen aan de Universiteit van Nederland. Of het nu ging om het lerend vermogen van apen, het feit dat sommige Japanse makaken hun voedsel schoonwassen in zeewater en dat chimpansees gebruiksvoorwerpen hanteren en een zeker zelfbewustzijn hebben: dieren staan dichter bij de mens dan hij eerder wilde aannemen.

Daarmee wordt mogelijk ook de weg gebaand naar de vastlegging van dierenrechten, de verheffing van het dier tot ‘non-human animal’ en een debat over de ethiek van het huisdierenbezit. De partij die het aan haar stand verplicht zou moeten zijn om hierin voor te gaan, de Partij voor de Dieren, legt daar vooralsnog weinig animo voor aan de dag. Ze volstaat met een pleidooi voor de invoering van strenge welzijnsnormen voor dieren en voor een verbod op de (laagdrempelige) verkoop van dieren in dierenwinkels. Maar aan een expliciet pleidooi voor een reductie van het aantal huisdieren waagt zij zich niet. Wellicht uit electoraal eigenbelang, want wie aan de huisdieren komt, komt aan heel veel kiezers. Toch zal de partij er ooit aan moeten geloven. Al was het maar omdat het huisdierenbezit niet alleen ethische vragen oproept, maar ook een aanzienlijke belasting vormt voor het milieu.

Invasieve soorten

De honden in de Nederlandse huishoudens produceren per dag naar schatting 330 duizend kilo poep, waarvan het grootste deel in plastic zakjes wordt afgevoerd – maar daarmee niet verdwijnt. De modale hond belast het ecosysteem per dag met 8 gram stikstof; een kleine 3 kilo per jaar. Een Nederlandse melkkoe poept bijna het vijftigvoudige aan stikstof uit; 145,6 kilo per jaar.

Tijdens een dertienjarig hondenleven wordt 18,2 ton CO2 geproduceerd (aan de productie van hondenvoedsel, ritjes naar uitlaatplaatsen en ontlasting), becijferden wetenschappers van de Technische Universiteit Berlijn. Ofwel: het equivalent van dertien retourvluchten Berlijn-Barcelona. Een gezonde huiskat zou goed zijn voor 310 kilo CO2 per jaar. Voor de productie van het voedsel voor de honden en katten in Europa en de Verenigde Staten is 49 miljoen hectare landbouwgrond nodig, elf maal de oppervlakte van Nederland. Daarbij zou zo’n 106 miljoen ton CO2 worden uitgestoten, vergelijkbaar met de uitstoot van landen als Mozambique en de Filippijnen.

De koe vormt weliswaar een veel grotere belasting voor het milieu dan de hond en de kat, maar dat verklaart niet waarom de emissie door huisdieren in elk klimaatplan onbenoemd blijft. Ook dat is zo’n ongerijmdheid in de omgang tussen mens en dier: de ene vervuiler is de ander niet. In het verstedelijkte deel van de wereld is het nutsdier voor de mens een exoot geworden, een onaanraakbaar symbool van ecologische rampspoed. Daarentegen wordt het aaibare en overal aanwezige huisdier niet gezien als onderdeel van het probleem, en dus evenmin als onderdeel van de oplossing daarvan. Terwijl het pleidooi voor een halvering van de veestapel aanzwol, werd in tientallen gemeenten de hondenbelasting afgeschaft en nam (tijdens pandemie) het huisdierenbezit sterk toe. De paradox zal uitsluitend door de boeren zijn opgemerkt.

Een andere paradox: veel vogels moeten onze liefde voor de kat – een invasieve soort – met de dood bekopen. Medewerkers van de Rijksuniversiteit Groningen hebben becijferd dat één op de drie weidevogels het loodje legt door het toedoen van katten. Volgens Vogelbescherming Nederland verorberen de ruim 3 miljoen katten in Nederland, waarvan er naar schatting zo’n 750 duizend verwilderd zijn, samen zo’n 18 miljoen vogels per jaar. De meeste eigenaren zullen dit betreuren (al zijn sommigen hun kat dankbaar omdat met elke gedode vogel insecten worden gespaard). Maar tezelfdertijd respecteren zij het jachtinstinct van de kat – zolang die het vogelkadaver niet mee naar binnen neemt.

Wat ooit voor Zwarte Piet gold, geldt ook voor het huisdierenbezit: het verschijnsel zou volmaakt onschuldig zijn, omdat wij het altijd zo hebben ervaren. Onvermijdelijk zal echter de vanzelfsprekendheid van een spinnende poes of een kwispelende hond in de huiskamer onder druk komen te staan. Die ontwikkeling zal met fantoompijnen gepaard gaan, en met heimwee naar de tijd waarin het huisdier zijn onschuld nog niet had verloren. Maar ooit zullen Nederlanders het heel gek vinden dat zij miljoenen dieren liefdevol hun wil hebben opgelegd.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next