Home

‘O, leuk! Wat voor kamer?’, riep ik zo enthousiast mogelijk tegen mijn jongste zoon

‘Ik heb misschien een kamer gevonden’, zei mijn zoon. Hij is mijn jongste: zijn broer en zus hebben hun hielen al gelicht, al komen ze vaak nog thuis ‘eten en slepen’. Die uitdrukking komt van mijn oma (zij had zeven kinderen). Met ‘slepen’ bedoelde ze het wegsluizen van spullen uit het ouderlijk huis: handdoeken, een pureestamper, vaders beste winterjas, een tupperwaredoosje met gehaktballen uit de vriezer (die waren eigenlijk voor opa, maar opa is dood).

‘O, leuk! Wat voor kamer?’, riep ik zo enthousiast mogelijk tegen mijn kuiken. Opgewonden deed hij de locatie (wáár is dat?!) en de prijs (wááát?!) uit de doeken, waarna hij vertrok om het te gaan vieren en ik naar bed ging, want het was al laat.

Over de auteur
Schrijfster Sylvia Witteman bespreekt elke twee weken een boek dat haar is opgevallen.

In bed lag ik naast slapende huisgenoot P. en dacht aan Elsschot. ‘Als vader slaapt gelijk een rustig beest,/ en in zijn droom zalig herkauwt en lacht,/ dan ligt gij wakker, starend in de nacht,/ en roept uw zoons en dochters voor de geest.’

Ik moet het sonnet ‘Moeder’ voor het eerst gelezen hebben toen ik 14 was, op school. De juf zei erbij dat het erg mooi was, en ze zei er ook iets bij over ‘vijfvoetige jamben’ en ‘anapesten’, maar op de vraag, van brave Maartje B., ‘of we dat ook moesten weten voor het proefwerk’ schudde ze toch aarzelend ‘nee’, want we leefden ten slotte al helemaal in de jaren zeventig, dus met al die flauwekul hoefde je kinderen niet meer te treiteren.

Ach ja, kinderen: ‘Ze zijn gevloôn als gieren voor ’t tempeest,/ met stukken van het oude nest bevracht,/ waarin gij dubbend op hun terugkeer wacht,/ maar op de klok het woord des tijds niet leest.’

Daar ligt ze dan, die oude moeder, het enige menselijke wezen tussen al die beesten. Haar man is een beest, haar kinderen zijn beesten, gieren die vluchten voor de storm, met medeneming van hun aas: de stukken van het oude nest (eten en slepen!). ‘En nee, ze komen niet meer terug, getuige het ‘woord des tijds’ op die klok, snappen jullie wel, jongens? Zeg, zit jij nou alwéér onder de les een stripboek te lezen? Ga d’r maar uit. Nu!’

Dat hele sonnet deed mij niets, want ik was, zoals gezegd, 14. ‘Laat niet uw dagen slinken in verdriet;/ geen macht die tanden aan uw mond verstrekt,/ of ooit weer zog in uwe borsten wekt.’ ‘Jongens, wie weet er wat ‘zog’ is? (…) Ja, ga jij er óók maar uit. En jíj ook.’

‘Er is niets aan te doen zoals gij ziet./ Drink dus een borrel bij een passend lied,/ daar schele Piet reeds met uw tenen trekt.’ Uit. ‘Die schele Piet, jongens, wie denken jullie dat dat is? Goed zo: de dood. En die ‘borrel bij een passend lied’: dat staat dus voor berusting. Snappen jullie wel?’

Nee, dacht ik, 35 jaar later, starend in de nacht. Dat is niet waar, van die berusting. Met die borrel bedoelde Elsschot geen beschaafd glaasje, maar een woeste zuippartij. En dat ‘passend lied’ moet een hees gebrulde smartlap zijn geweest. ‘Rage, rage against the dying of the light’, en zo.

Wat die ‘schele Piet’ betreft: Is dat een vaste uitdrukking? Wij hebben ‘magere Hein’, de Vlamingen ‘schele Piet’? Onder de dekens, om het rustige beest naast me niet te wekken, googelde ik me een ongeluk, maar niks hoor. Die schele Piet was een verzinsel van Elsschot. Maar waarom is hij scheel? Een geraamte heeft immers geen ogen? Nog lang lag ik wakker, denkend aan de dood, aan vijfvoetige jamben en aan mijn jongste zoon, die ‘misschien een kamer heeft gevonden’.
Ik klamp me dan maar vast aan dat ‘misschien’.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next