Home

‘Dat de meeste mensen zouden deugen, vind ik een naïeve gedachte’

Zijn Joodse familiegeschiedenis maakte dat pedagoog Micha de Winter (73) zijn hele loopbaan het kwaad opzocht. Niet alleen om de oorlogstrauma’s van zijn ouders te begrijpen, maar ook om de wereld een beetje humaner te maken.

‘Vrij vrolijk, optimistisch en liefdevol’, zo omschrijft hij in eerste instantie het gezin waarvan hij de jongste was en inmiddels de enige overlevende. Zijn ouders ervaart hij tijdens zijn jeugd in het Brabantse Oss, in de jaren vijftig en zestig, als ‘zeer liefhebbend’. Zelfs spreekt hij over een ‘onbezorgde jeugd’. Maar toch.

Onder dat geluk bevindt zich ‘een laag die ik als kind niet helemaal snapte’. Die is zichtbaar op de nachtkastjes van zijn ouders: op dat van zijn moeder staat een foto ‘van een andere man dan mijn vader’; op dat van zijn vader ‘van een andere vrouw dan mijn moeder’. Zijn Joodse ouders verloren in de oorlogsjaren allebei hun jeugdliefdes – de nazi’s hadden hen vermoord. Zijn vader Max overleeft op wonderbaarlijke wijze diverse concentratiekampen.

Over deze serie
In Het Ideaal interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Wanneer zijn ouders na de oorlog voor elkaar kiezen krijgen zij twee zonen: Harry en Micha. De eerste, vorig jaar overleden, wordt een bekende tv-producent, de tweede een al even bekende pedagoog. Aan de Universiteit Utrecht onderscheidt hij zich met een onorthodoxe benadering van zijn vak.

Van de ‘ivoren toren van de wetenschap’ wil hij wegblijven, zijn plek is ‘midden in de maatschappij’. Onbevreesd gaat hij het gesprek aan met uiteenlopende jongeren, van geradicaliseerde moslims en neonazi’s via zwerfjongeren tot jeugdcriminelen. Om tot die laatsten door te dringen laat hij zich zelfs opsluiten: ‘Iedereen die beweert dat een Nederlandse gevangenis een hotel is, spreek ik sindsdien fel tegen.’

Zijn eigenzinnige aanpak, met diepgaande gesprekken als kern, brengt hem in conflict met zijn directe superieuren aan de universiteit. Die vinden dat een pedagoog zich moet toeleggen op kwantitatief onderzoek – op basis van ingevulde vragenlijsten behoren wetenschappelijk verantwoorde publicaties in liefst Engelstalige tijdschriften te worden geproduceerd. Maar De Winter schrijft liever een boek als Kinderen als medeburgers, bestemd voor een breed Nederlands publiek. ‘Doodzonde, je had daar twaalf publicaties uit kunnen halen’, reageert zijn baas.

De conflicten lopen zo hoog op dat het einde van zijn universitaire loopbaan enkele malen in zicht lijkt. Totdat ‘nog hogere autoriteiten’ aan de universiteit hem te hulp schieten en een aparte leerstoel voor hem creëren. Tot zijn pensionering mag De Winter dan zijn eigen weg blijven volgen.

Inmiddels is hij 73 jaar. Pas de laatste jaren is hij in staat de rode draad te zien in al zijn bezigheden: ‘Wat mij heeft gedreven, en nog steeds drijft, is niet alleen de hoop op een betere wereld. Het is ook de angst dat mensen in beesten kunnen veranderen.’

Hoe kijkt u, met uw kennis van nu, naar de opvoeding door uw ouders?

‘Hun grote verdienste is dat ze ondanks hun zware oorlogstrauma’s in staat zijn geweest een positieve, optimistische kijk op de wereld aan ons mee te geven. Ze geloofden in vooruitgang, in ‘nooit meer Auschwitz’. Hun boodschap was: maak wat van je leven, doe je best. Bij Harry en mij heeft dat geleid tot een enorme levenslust, dat spatte werkelijk van ons af. Ook al was er tegelijkertijd een andere, impliciete boodschap: blijf uitkijken, want deze wereld is ons lang niet altijd goed gezind.

‘Achteraf kun je zeggen dat er te weinig over de oorlog is gepraat. Ze wilden ons er niet mee belasten. Het werd niet verdoezeld, maar als het moeilijk werd, was de standaarduitspraak van mijn vader: ik ga even een eitje bakken. Maar het voornaamste blijft dat zij niet totaal getraumatiseerd uit de oorlog zijn gekomen, ook al hebben ze veel familieleden verloren. Enkele beschermende factoren hebben hen behoed, denk ik. Na afloop waren ze allebei nog jong, energiek en gezond. Bovendien hadden ze het geluk elkaar tegen te komen. En er waren nog familieleden over. Die hebben een beschermende schil gevormd.’

Kreeg u als boodschap mee: wantrouw altijd autoriteiten?

‘Nee, zo’n expliciete, politieke boodschap was er niet. Mijn vader die in het bedrijfsleven ging werken, was behoorlijk gezagsgetrouw, hij kon het goed met zijn baas vinden. Mijn moeder was feller, zij praatte meer over de oorlog en was bozer. Ze had een hekel aan Duitsers, maar ook aan orthodoxe rabbijnen. Nare mannetjes, vond ze dat. Dat Harry en ik, ieder op onze eigen manier, in ons leven problemen met autoriteiten kregen, heeft denk ik vooral met haar felheid te maken.’

Welk probleem heeft u met autoriteiten?

‘Vooropgesteld: we kunnen niet zonder. In mijn studietijd kwam ik bij een anarchistisch instituut terecht, ontwikkelingspsychologie in Utrecht, waar de hoogleraren waren weggestemd. In de anarchie die volgde, zag je al snel leiders opduiken die zich heel autoritair gedroegen, ze duldden geen enkele tegenspraak. Anarchie werkt niet, je hebt hoe dan ook een systeem nodig met een autoriteit waaraan gezag wordt toegekend.

‘Waar ik vooral moeite mee heb, is wanneer dat op een botte manier wordt uitgeoefend. Gezag moet je verdienen door te luisteren en waar nodig je koers bij te stellen. Druk niet je eigen zin door met een beroep op je macht, dat wekt aversie, in ieder geval bij mij.’

Zag u in luisteren ook voor uzelf de juiste weg?

‘Zo heb ik mijn werk inderdaad aangepakt. Een goed voorbeeld ervan vind ik Idealen op drift, een boekje dat ik met enkele collega’s heb geschreven in de jaren van veel terroristische aanslagen. We zijn toen op zoek gegaan naar de motieven van radicaliserende jongeren – niet alleen fundamentalistische moslims, maar ook dierenactivisten en neonazi’s. Vooral die laatsten hadden verschrikkelijke ideeën. Eentje van een jaar of 17 zocht ik op in zijn kamer met nazivlaggen en foto’s van Hitler. Hij zei tegen me: ‘Als ik ooit een Jood een hand geef, dan pleeg ik zelfmoord.’ Even daarvoor hadden we handen geschud. Het leek me toen maar beter mijn identiteit niet te onthullen.

‘Ik wilde achterhalen waar hun enorme verbetenheid en hun bereidheid tot geweld vandaan kwam. Waar ik bij al die jongens op uitkwam, was een gevoel van onrechtvaardigheid. Over de behandeling van moslims, van dieren, van het blanke ras. Tegen dat onrecht moest met alle middelen worden gestreden. Wie tegen hun ideaal was, mocht bij wijze van spreken de keel worden doorgesneden.’

Wat kan een pedagoog tegen dat soort radicalisme beginnen?

‘We constateerden dat scholen zich beperkten tot gedrag verbieden – geen neonazistische kleding, geen Allahoe akbar, met het van school sturen als ultieme sanctie. Een poging tot indammen, maar zonder gesprek. Pedagogisch gezien is dat onjuist, dom. Wij adviseerden scholen dat gesprek aan te gaan, te luisteren naar de motieven. Bij islamitische jongeren speelt vaak een gevoel van discriminatie. Dat is iets waar je begrip voor kunt opbrengen. Als school kun je ook coalities aangaan, met de ouders, een maatschappelijk werker of een wijkagent.

‘Een gesprek met een van die neonazistische jongeren pakte heel goed uit. Hij heeft op eigen kracht afstand van zijn denkbeelden genomen en is daarna als ervaringsdeskundige trainingen in de omgang met geradicaliseerde jongeren gaan geven. Ons gesprek duidt hij als een belangrijk moment. Zoiets is natuurlijk uitzonderlijk, maar het geeft wel aan hoe belangrijk praten is.’

Geldt dat ook voor de criminele jongeren met wie u zich liet opsluiten?

‘Bij hen zag ik hoe de bestaande aanpak tekortschoot. Die jongens hadden een zeer heftig verleden, sommigen hadden moorden gepleegd, anderen waren zedendelinquenten van soms maar 12 jaar. In de aanpak was er geen aandacht voor wat er was gebeurd, alles was gericht op gedragsverandering. Dat ging via een puntenstelsel. Je kon bijvoorbeeld punten verdienen door te zeggen dat je over jezelf nadacht. Die jongens doorzagen dat feilloos, aan de onderliggende problemen veranderde ondertussen niets.

‘Ik heb er een vlammend artikel tegen geschreven, met de suggestie: je moet ze confronteren met hun daden, ze laten nadenken over het gevoel van dat oude vrouwtje dat ze met geweld hebben beroofd. Dan kun je ze tot empathie aanzetten.’

Hoe zou u uw ideaal omschrijven?

‘Positief geformuleerd: een humane samenleving, gebaseerd op medemenselijkheid. Eigenlijk zijn mijn verlangens heel bescheiden: ik wil dat mensen elkaar het licht in de ogen gunnen en respecteren dat een ander een andere mening mag hebben. En ik wil dat we elkaar te hulp schieten in geval van nood.

‘Negatief geformuleerd: ik wil de wortels van het kwaad uitroeien. Zowel het goede als het kwade zit in ons. Dat de meeste mensen zouden deugen, vind ik een naïeve gedachte. Bepalend is altijd de context – we hebben in het verleden gezien hoe haatdragend die mensen kan maken. Daarom zijn opvoeding en onderwijs ook zo enorm belangrijk. In mijn ogen zijn het onze voornaamste instrumenten om te voorkomen dat mensen elkaar een kopje kleiner maken.’

U hebt het kwaad voortdurend actief opgezocht. Wilde u het beest in de bek kijken?

‘Dat klopt wel, ja, misschien ging het me inderdaad om mijn eigen angst te overwinnen. Ik ben ook diep in het oorlogsverleden van onze ouders gedoken (met broer Harry maakte hij daarover de documentaire Broertje, red.) – Harry vond zelfs dat ik was geobsedeerd, omdat ik alles wilde weten.

‘Ik wilde tot het kwaad doordringen, snappen hoe mensen volstrekt meedogenloos konden worden. Zoals die Rotterdamse agenten die mensen voor vijftien gulden per persoon de dood injoegen. Mijn achterliggende idee is altijd geweest: als je het kwaad snapt, kun je er wellicht een dam tegen opwerpen.

‘Onze familiegeschiedenis heeft me een ethische opdracht voor het leven meegegeven. Pas in de afgelopen jaren ben ik me bewust geworden van de gemeenschappelijke noemer in al mijn activiteiten: het stimuleren van medemenselijkheid, in de hoop op een rechtvaardige, humane manier van samenleven.

‘Hoe belangrijk die ethiek is, blijkt uit een prachtig onderzoek van een Amerikaans echtpaar, Samuel en Pearl Oliner. Zij hebben zich afgevraagd wat mensen die in de Tweede Wereldoorlog hulp aan Joden boden, onderscheidde van mensen die dat niet deden. Wat hen ertoe bracht om hun eigen leven en soms dat van hun kinderen op het spel te zetten. Uit hun boek, De altruïstische persoonlijkheid, blijkt dat het bijna altijd ging om mensen uit gezinnen die empathie en medemenselijkheid heel hoog in het vaandel hadden staan.’

Hoe heeft u uw idealisme weten te behouden?

‘Mijn familiegeschiedenis maakt dat ik mijn idealen tot mijn laatste snik zal uitdragen. Harry kon dat op het einde van zijn leven niet meer, hij had het idee dat het allemaal vergeefs was geweest. Toen heb ik hem geantwoord: ‘Dat kunnen wij ons helemaal niet permitteren tegenover onze kinderen en kleinkinderen.’ Wij, met onze geschiedenis, moeten altijd bezig blijven een leefbare wereld te creëren.

‘Natuurlijk denk ik tegenwoordig ook weleens: hoezo democratische, medemenselijke samenleving, Micha de Winter, kijk eens wat er politiek gebeurt, met die ruk naar radicaal rechts. Maar de optimist in mij ziet dat als onderdeel van een grote golfbeweging – mensen zullen daar ook weer op terugkomen. In ieder geval is het voor mij geen reden me dan maar op mijn bootje terug te trekken. Nee, ik zal mezelf altijd in de strijd blijven werpen. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar.’

Boektip
Lied van verzet, Lin Jaldati en Eberhard Rebling

‘Verlies nooit de hoop, zoek altijd naar perspectieven, zelfs tegen alle verdrukking in – die boodschap van dit boek raakt mij diep. Lin Jaldati overleefde twee concentratiekampen, werd vanwege haar socialisme uit naoorlogs Nederland weggepest en bouwde daarna in Oost-Duitsland een artistiek bestaan op rond Joodse muziek. Wat een veerkracht!’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next