Home

De gretigheid waarmee mensen de Derde Wereldoorlog willen uitroepen, verrast me nog steeds

Dinsdagmiddag ging het opeens even vanzelf. Het werk vorderde, de verkoudheid ebde weg en de regen liep op z’n laatste benen. Ik zat er het tegenovergestelde van doorheen, opgewektheid dreigde. Dit soort momenten zijn het resultaat van een chemisch proces waarbij de juiste stofjes in de juiste hoeveelheden door je hersenen stromen, maar zo voelt het niet. Integendeel: de vrede lijkt niet slechts van binnenuit te komen, je lijkt erdoor omringd, wind in de rug, iedereen vriendelijk, alles picobello.

Je wéét wel dat de realiteit anders is – zeg maar: een zeldzame klerezooi, zo ver het oog reikt – maar je vóélt er even nauwelijks iets van. Vaak maak je in deze toestand allerlei afspraken waar je later spijt van krijgt, maar die je niet meer kunt afzeggen, al was het maar omdat het wat vreemd overkomt als je laat weten dat je tijdelijk ontoerekeningsvatbaar was, door redeloos optimisme bedwelmd.

Dinsdagavond, toen Sander van Hoorn op tv in een van zijn kreukloze, donkerblauwe polo’s de laatste onheilstijdingen afkondigde, was dat optimisme wel verdampt. In de kamer heerste nu weer realiteitszin, een bewustzijn vol woorden en begrippen die veel ellende (en nog veel meer toekomstige ellende) betekenden.

‘Beperkte invasie’. ‘Escalatie’. ‘Aanzienlijke vergelding’. ‘Rakettenregen.’

Op X werd de Derde Wereldoorlog uitgeroepen. Nu begint de Derde Wereldoorlog op X gemiddeld vijftien keer per jaar, maar de gretigheid waarmee mensen hem willen uitroepen, alsof het de eerste zomerdag betreft, verrast me nog steeds. Kennelijk wordt de Derde Wereldoorlog beschouwd als een klusje dat je snel moet aanpakken, anders blijft het je aanstaren. De oorlog als een stapel nog niet gelegde plinten. Naarmate de werkelijkheid meer aanleiding tot cynisme geeft, zijn realiteitszin en cynisme makkelijker met elkaar te verwarren. Optimisme gaat daarentegen steeds meer op onnozelheid lijken.

Zelf lees ik de krant al een tijdlang als het verslag van ontwikkelingen waar de hoop door een onzichtbare hand uit gesnoeid lijkt. Maar er zijn ongetwijfeld mensen die in al dat nieuws slechts voorspelbare hobbels zien op de weg naar een betere wereld, die zich concentreren op al het kleine en mooie om te kunnen doen alsof het grote en lelijke niet bestaat, en er zitten natuurlijk ook mensen tussen voor wie de actualiteit reden is voor hoop en optimisme. Het is zoals Max Brod schreef toen hij zijn goede vriend Franz Kafka trachtte op te beuren: ‘Er is hoop, veel hoop zelfs, maar niet voor ons.’

Hoop is er voor Oostenrijkers voor wie de rechtsstaat al jaren een doorn in het oog is, voor Nederlanders die lang vreesden dat de Afghaanse bewakers die in Nederlandse dienst werkten hier de boel zouden komen kaalvreten. En hoop is er voor Amerikanen die, wanneer het tijdens een verkiezingsdebat gaat over oplossingen voor huisvestingsproblematiek, blij verrast zijn door het plan ‘mass deportation to ease demand’. Voor die mensen zitten krant en nieuwsuitzendingen vol kleine straaltjes licht.

De rest moet het doen met het bericht over een Picasso, die jarenlang als goedkoop prutswerk werd gedoogd aan de muur in een huisje in Pompeii. Op internet trof ik een door de tijd verkleurde foto. Een vrouw breed lachend in een stoel. Aan de ene muur links, hangt de Picasso. Rechts, iets lager, een lijstje waarvan we door het tegenlicht niet kunnen zien wat er precies omlijst wordt. Wie weet een nog te ontdekken schets van Caravaggio. Hoop doet leven, even.

Over de auteur
Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next