Het kabinet begint woensdag onder een niet al te gelukkig economisch gesternte aan de Algemene Financiële Beschouwingen. De inflatie in Nederland stijgt sneller dan in de rest van Europa, wat de concurrentiepositie van bedrijven ondermijnt.
De inflatie leek getemd in Nederland, na de koopkrachtimplosie van 2022. Afgelopen december was de geldontwaarding, die op het dieptepunt in 2022 nog de 17 procent aantikte, alweer gezakt tot 1 procent.
Inmiddels staat de teller echter toch weer op 3,3 procent, bleek dinsdag uit CBS-cijfers over de ‘Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex’. Zorgwekkend, omdat de inflatie in de eurozone als geheel inmiddels is gedaald tot 2,2 procent, dicht bij het ECB-doel van 2 procent. ‘De inflatie in Nederland begint in toenemende mate af te wijken van het Europese patroon, en niet in positieve zin’, zei Klaas Knot, president van De Nederlandsche Bank, in Nieuwsuur.
Over de auteur
Jonathan Witteman is economieredacteur voor de Volkskrant en schrijft over de macro-economie en de bankensector.
Die afwijking is problematisch omdat de Europese Centrale Bank inmiddels is begonnen met het verlagen van de rente, van 4 procent begin juni naar 3,5 procent nu. De rente is als een thermostaatknop, waarmee de ECB in twintig kamers tegelijk de temperatuur moet zien te regelen, van België en Cyprus tot Slovenië en Spanje. Gemiddeld blijft de temperatuur met een beetje geluk goed op peil, maar onvermijdelijk wordt het in sommige kamers te heet of te koud.
In Nederland is het momenteel flink te heet. Het gevaar is dat de renteverlagingen van de ECB de inflatie weer doen oplaaien. Nederland, dat na Estland (3,4 procent) en België (4,3 procent) de hoogste prijsstijgingen kent, kan zich dat eigenlijk niet permitteren.
Een verklaring voor de hoge inflatie is dat de Nederlandse economie voor een relatief groot deel – 77,3 procent – leunt op de arbeidsintensieve dienstensector. En in de dienstensector is de inflatie de laatste maanden weer aan het stijgen, van 4,3 procent in april naar 6,1 procent nu. Uitschieters zijn bijvoorbeeld bioscopen, theaters en concerten (14,9 procent inflatie in augustus), de postbezorging (12,9 procent), vliegtickets (11 procent) en heren- en kinderkappers (10,3 procent), blijkt uit CBS-cijfers.
Die hoge diensteninflatie wordt weer veroorzaakt door de lonen, die na jaren van achteruitkachelende koopkracht aan een inhaalslag bezig zijn. De cao-lonen stegen de eerste acht maanden van dit jaar gemiddeld met 6,6 procent, de laatste maanden zelfs nog iets harder.
De verschillen tussen sectoren zijn groot. Waar de salarisverhogingen in de metaalsector dit jaar tot nu toe beperkt bleven tot 3,8 procent, waren ze bij verhuurders en handelaars van woningen en ander onroerend goed het hoogst: 12,4 procent. Ook in andere dienstensectoren zoals de detailhandel (10,6 procent) en de horeca (10,5 procent) namen de lonen explosief toe.
Het risico voor het kabinet is dat een structureel hoge inflatie de koopkracht van de Nederlanders uitholt, wat negatief afstraalt op het kabinet. Voor volgend jaar verwacht het Centraal Planbureau een inflatie van 3,2 procent, wat voor 21ste-eeuwse begrippen nog altijd hoog is.
Bovendien kan een hoge inflatie de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven ondermijnen. En dat is weer nadelig voor de economische groei, én dus ook voor de belastinginkomsten, constateert Jakob de Haan, hoogleraar politieke economie aan de Rijksuniversiteit Groningen.
‘Als de in ons land geproduceerde goederen en diensten veel duurder worden dan in de rest van het eurogebied, schaadt dit onze concurrentiepositie. Ik maak me daar zorgen over.’ ‘We dreigen onszelf uit de markt te prijzen’, waarschuwt ook Roel Beetsma, hoogleraar macro-economie aan de Universiteit van Amsterdam.
Ook ongunstig voor Nederland is de malaise van de Duitse economie, met afstand Nederlands belangrijkste exportpartner. Waar de Nederlandse economie in het tweede kwartaal nog 1 procent groeide, kromp de Duitse economie opnieuw met 0,1 procent, na een eerdere krimp van 0,3 procent over heel 2023. Ook andere belangrijke exportpartners van Nederland, zoals Frankrijk, België en Italië, gaat het niet voor de wind momenteel.
‘Er zit een behoorlijke winter aan te komen in Europa, economisch gezien’, vreest econoom Casper de Vries (68), lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. ‘En daar gaat Nederland als exportland last van krijgen.’
De Vries voorziet een ‘nieuwe economische werkelijkheid’, waarin de Nederlandse economie slechts moeizaam groeit, maar de inflatie desondanks fors blijft, als gevolg van hoge loonstijgingen. Die loonstijgingen zijn weer het gevolg van de vergrijzing, en van de chronische personeelstekorten in Nederland. ‘De machtsfactor is aan het verschuiven, van kapitaal naar arbeid.’
Mocht Nederland onverhoopt in een recessie terechtkomen, dan heeft het ouderwetse recept van stimuleren door de overheid weinig zin, omdat de mensen er niet zijn om het werk uit te voeren, ziet De Vries. ‘Je ziet nu al dat veel infrastructurele werken, zoals het opknappen van bruggen en sluizen, maar moeilijk van de grond komen door het tekort aan personeel.’ Arbeidsmigranten kunnen soelaas bieden, maar dat is weer geen populaire oplossing.
Tot overmaat van ramp stijgt de Nederlandse arbeidsproductiviteit de laatste jaren slechts mondjesmaat, een teken dat we er niet goed in slagen om meer te doen met minder mensen. Het afgelopen decennium steeg de productiviteit gemiddeld slechts met 0,4 procent per jaar, terwijl dit in de bijna veertig jaar daarvoor 1,5 procent was, blijkt uit CBS-cijfers. Het verbeteren van de productiviteit wordt door economen algemeen gezien als de belangrijkste motor van welvaartsgroei.
Het helpt daarbij niet dat het kabinet-Schoof uitgerekend 1 miljard euro bezuinigt op hoger onderwijs, denkt Beetsma. ‘Als je de productiviteit wilt verhogen, dan is bezuinigen op onderwijs zo ongeveer het slechtste wat je kunt doen. Want daarmee zet je ook het mes in de kennismaatschappij.’
Wat ook niet helpt tegen de hoge inflatie, is dat het kabinet verder juist niet bijster zuinig is. Het begrotingstekort loopt volgend jaar op tot 2,8 procent van het bbp, dichtbij het Europese maximum van 3 procent, blijkt uit de miljoenennota. In 2026 dreigt het kabinet daar met een begrotingstekort van 3,7 procent zelfs overheen te gaan.
‘Het hoge begrotingstekort kan een inflatie-opdrijvend effect hebben’, ziet De Haan. ‘Dus als de overheid wil bijdragen aan een lagere inflatie, dan is het beter om je begroting structureel op orde te hebben.’
Daar komt nog bij dat allerlei tegenvallers de begroting in de soep kunnen laten lopen. Zo bleek vorige week dat de aanleg van de Lelylijn tussen Groningen en Lelystad meer dan 10 miljard euro duurder uitpakt dan gedacht. Door een misrekening van het vorige kabinet moest de nieuwe minister van Financiën Eelco Heinen in de miljoenennota al een tegenvaller van 1,5 miljard euro verhapstukken, omdat het fiscale voordeel voor elektrische auto’s veel duurder bleek dan geraamd.
Bovendien is het nog de vraag of het kabinet de gewenste 1 miljard euro aan bezuinigingen op het ambtenarenapparaat kan waarmaken. ‘Op basis van eerdere ervaringen met afslankingsoperaties in de jaren tachtig en negentig moet ik nog zien of dat gaat lukken’, zegt De Haan.
Al met al geeft de overheid de laatste jaren makkelijker geld uit dan vroeger, ondanks de niet al te florissante economische prestaties van Nederland, constateert Beetsma. ‘Misschien is het de politieke tijdgeest: als je met vier partijen in een kabinet zit, moet iedereen iets krijgen om de achterban tevreden te houden. Dit creëert een opwaartse druk op de overheidsuitgaven. En dan hebben de huidige partijen in het kabinet, met uitzondering misschien van de VVD, de zuinigheid toch al niet heel hoog in het vaandel staan.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant