Home

We zijn snel en beslist bij het vellen van een moreel oordeel, maar dat geeft alleen maar ruis

Het loopt in het leven vaak anders dan gepland, maar voor het kabinet-Schoof lijkt het belangrijkste vraagstuk zich dienstbaar te ontvouwen. Van de Palestijnen hebben we geen last, die lui leven de westerse natte droom van dichte grenzen, maar Libanese burgers kunnen zichzelf verplaatsen. Daar zijn ze massaal aan begonnen sinds Israëls ‘zelfverdediging’ nog een stapje verder is uitgebouwd. Het gaat slechts om een ‘beperkte en gerichte missie’, maar leer mij die Arabieren kennen: dat gajes grijpt alles aan om onze kant op te zwemmen. Dan is Syrië weer niet goed genoeg of Irak te ongezellig, vinden ze Jordanië te vol (1,3 miljoen geregistreerde vluchtelingen op een bevolking van 11 miljoen) of klagen ze over mensonterende omstandigheden in Turkije.

Het vraagstuk rondom migratie, of beter gezegd: vluchtelingen, zal voorlopig in belang toenemen, aangezien gelukszoekers uit Libanon en omstreken deze oorlog vast weer zullen aangrijpen om onze dochters te komen verkrachten. Gelukkig staan we klaar om ook deze tsunami effectief, wijs en integer het hoofd te bieden.

Over de auteur
Ibtihal Jadib is rechter-plaatsvervanger, schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Laatst vroeg iemand mij: ‘Jij bent zeker pro-Palestina, toch?’ De instinctmatige neiging om die vraag met een ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden is een van de grootste struikelblokken van deze tijd. Het is de reden waarom het zo moeilijk is om inhoudelijk te reageren op scherpe conflicten: de neiging ons aan te sluiten bij of af te keren van een bepaalde groep is sneller dan het logisch redeneervermogen.

Ik ben niet pro-Palestina. Ik ben pro-rechtsorde. Het ligt voor de hand te denken dat ik affiniteit heb met het Palestijnse volk omdat ik van Arabische origine ben; de ontmenselijking en criminalisering van dat volk roept bij mij enkel cynische grappen op. Maar ik heb ook affiniteit met het Joodse volk door een dierbare Joodse vriendin van me, wier levensloop drastisch veranderde in de Tweede Wereldoorlog en die op dit moment familie heeft in Israël. Ik bid net zozeer voor de veiligheid van haar kleinkinderen als voor de veiligheid van Palestijnse kinderen. Dit soort persoonlijke houdingen zijn hooguit aandoenlijk, en verder net zo relevant voor het Midden-Oosten als de vraag wat ik liever heb naast m’n bakje friet: mayonaise of ketchup.

Ik heb lang gedacht dat als we ons maar genoeg inspannen om ‘de ander’ als mens te blijven zien, we die ander vanzelf een gelijkwaardige rechtspositie toekennen. Bij die gedachtegang is het logisch voor de rechten van een ander op te komen, omdat je daarmee opkomt voor een systeem waarin ook de eigen positie beschermd is. De rechtsorde is dan een collectief goed waar wij, allen evenveel mens, gezamenlijk van profiteren.

Deze gedachte is niet onwaar, maar er staat nog een andere waarheid naast: zodra we onze medemens zien, gaan wij iets van hem vinden. En van sommige mensen vinden we nou eenmaal niet zoveel. Of juist wel, maar dan uitsluitend in negatieve zin. We zijn snel en beslist bij het vellen van een moreel oordeel. Dat geeft alleen maar ruis: we hebben geen oordeel te vellen over de ander, maar over de feiten. Een vreemde boodschap gezien de collectieve obsessie met persoonlijke opvattingen, maar om nog íéts over te houden van het internationale recht moeten we blind worden voor de eigen mening. Beschouw het als een geschenk, want laten we wel wezen: het is verdomd lastig geworden iets zinnigs te zeggen over deze wereld.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next